Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1476

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
AWB- 21_543 VV en AWB- 20_6837
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een kampeerhuisje. De omgevingsvergunning ziet op bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en het verrichten van een activiteit met mogelijke significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Na het indienen van de aanvraag is het bestemmingsplan herzien. Het beroep is gegrond verklaard, omdat het college de aanvraag had getoetst aan het oude bestemmingsplan. De rechtsgevolgen zijn in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/543 WABOA VV en BRE 20/6837 WABOA

uitspraak van 26 maart 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

1 [naam verzoekers 1] , te [vestigingsplaats verzoekers 1] ,

2. [naam verzoekers 2] , te [vestigingsplaats verzoekers 2] ,

3. [naam verzoekers 3] , te [vestigingsplaats verzoekers 3] ,

4. [naam verzoekers 4] , te [vestigingsplaats verzoekers 4] ,

gemachtigde: G.J.C. Buth of H.J. Visser,

tezamen, verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen - Duiveland, verweerder.

Als vergunninghouder heeft aan het geding deelgenomen:

[naam vergunninghouder] , te [woonplaats vergunninghouder] ,

gemachtigde: mr. A.M.F. van Rooy - de Rooij.

Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning van het college van 14 april 2020 (bestreden besluit) voor het bouwen van een kampeerhuis op het adres [adres perceel] te [plaats perceel] (hierna: het perceel). Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 12 maart 2021. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door G.J.C. Buth. Namens het college was mr. L.P. Koster-Braad en namens de Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland (Gedeputeerde Staten) was M.C.T. van Aubel aanwezig. Vergunninghouder is samen met zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Feiten

Vergunninghouder heeft op 25 april 2018 een aanvraag ingediend bij het college voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw kampeerhuis met kelder ter vervanging van een huidige stacaravan op het perceel. Voor het aanleggen van de kelder zullen bemalingswerkzaamheden in de grond moeten worden uitgevoerd.

Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast.

Op 14 december 2018 heeft het college de Gedeputeerde Staten verzocht om een verklaring van geen bedenkingen, omdat het perceel in de nabijheid van Natura 2000-gebied [naam Natura 2000-gebied] is gelegen.1 Gelet daarop konden significante negatieve gevolgen voor het natuurgebied bij voorbaat niet worden uitgesloten.

Op 29 april 2019 heeft het college gedurende zes weken een ontwerpbesluit ter inzage gelegd strekkende tot het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning. De ontwerp verklaring van geen bedenkingen van Gedeputeerde Staten heeft tegelijkertijd ter inzage gelegen.

Verzoekers hebben daar een zienswijze tegen ingediend.

Op 27 januari 2020 hebben Gedeputeerde Staten een definitieve verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Op 9 april 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Schouwen – Duiveland een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

Bij besluit van 14 april 2020 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan en handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden.

Verzoekers hebben daar op 28 mei 2020 beroep tegen ingesteld.


2. Gronden

Verzoekers hebben, kort samengevat, aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Zij stellen dat het college heeft verzuimd om de bouwtekening samen met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Daarnaast had het college geen toestemming mogen verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Voor het bouwplan was een wijziging van het bestemmingsplan vereist. Het bouwplan is volgens verzoekers ook in strijd met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’. In aanvulling daarop hebben verzoekers verschillende argumenten aangevoerd ter onderbouwing dat de afwijking van het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daar hebben verzoekers aan toegevoegd dat Gedeputeerde Staten ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen hebben afgegeven, omdat niet voldoende is onderbouwd dat het initiatief geen significante negatieve gevolgen zal hebben voor Natura 2000-gebied [naam Natura 2000-gebied] of beschermde soorten.

3. Voorlopige voorziening
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

5. De omgevingsvergunning

5.1

Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van het kampeerhuisje, het afwijken van het bestemmingsplan en voor mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebied [naam Natura 2000-gebied] .

Bouwen

5.2

De activiteit bouwen ziet op het bouwen van een kampeerhuis. Uit de bij de aanvraag gevoegde bouwtekening blijkt dat het gaat om een kampeerhuisje met een bouwhoogte van 5.5 meter, een gebruiksoppervlakte van 60 m2 (begane grond) en 24 m2 (verdieping) en een verblijfsoppervlakte (keuken, woonkamer en slaapkamer) van 48.7 m2.


Afwijken van het bestemmingsplan

5.3

Volgens het college is het bouwplan in strijd met bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Uit de ruimtelijke onderbouwing - waar het college in het bestreden besluit naar verwijst - blijkt dat het bouwplan is getoetst aan het bestemmingsplan dat is vastgesteld in 2014. In dat bestemmingsplan was de bestemming ‘Recreatie – Kampeerterrein’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’ aan het perceel toegekend. Daarnaast gold de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – kwaliteitseis - 1’ en was als maatvoering vermeld: ‘maximum aantal standplaatsen: 1’. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is het binnen die gronden niet mogelijk om een kampeerhuisje op te richten. Op het terrein kan slechts één standplaats worden opgericht en uit de definitiebepaling van ‘standplaats’ blijkt dat geen permanente standplaats in de vorm van een kampeerhuisje mag worden gerealiseerd. Voor deze afwijking van het bestemmingsplan heeft het college toestemming verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ter zitting heeft het college daar desgevraagd aan toegevoegd dat het bouwplan ook in strijd is met de herziening van het bestemmingsplan dat is vastgesteld in 2019. Op grond van dat bestemmingsplan zou een kampeerhuisje alleen zijn toegestaan, wanneer op de plankaart een aanduiding zou zijn opgenomen met het maximaal aantal kampeerhuisjes dat is toegestaan.

Natuur

5.4

Daarnaast ziet de omgevingsvergunning op het verrichten van een activiteit in de nabijheid en met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebied [naam Natura 2000-gebied] . Gedeputeerde Staten hebben een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het initiatief, omdat volgens het bestuursorgaan uit een passende beoordeling is gebleken dat het bouwplan geen significant negatieve effecten zal hebben op het Natura 2000-gebied en ook ten aanzien van beschermde soorten geen sprake zal zijn van overtredingen van de Wet natuurbescherming.

6. Artikel 6:13 van de Awb

6.1

Vergunninghouder heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan artikel 6:13 van de Awb, omdat alleen [naam verzoekers 2] een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit. Die zienswijze is medeondertekend door de overige verzoekers, maar door hen is geen machtiging overgelegd in die fase. Het beroep is ingesteld door [naam verzoekers 1] , maar is volgens vergunninghouder niet mede ingediend namens [naam verzoekers 2] of de overige verzoekers. De in beroep overgelegde machtigingen dateren van na het indienen van het beroepschrift.

6.2

Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen een besluit waarover die persoon geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.

6.3

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekers machtigingen hebben overgelegd waarin staat dat verzoekers [naam verzoekers 1] machtigen om namens hen te procederen bij de rechtbank. Dat die machtigingen dateren van na de datum van het indienen van beroep acht de rechtbank niet relevant. De voorzieningenrechter ziet zich gelet op een uitspraak van het Hof van Justitie2 van de Europese Unie voor de vraag gesteld of artikel 6:13 van de Awb aan verzoekers zou kunnen worden tegengeworpen. In die uitspraak heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat toepassing van artikel 6:13 van de Awb in strijd is met artikel 9, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus, wanneer door een non-gouvernementele organisatie geen zienswijze is ingediend en de zaak betrekking heeft op een milieuaangelegenheid waarop het Verdrag van Aarhus van toepassing is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft overwogen dat daar sprake van is bij een activiteit die in bijlage 1 van het Verdrag van Aarhus wordt genoemd of bij een andere activiteit met aanzienlijke milieueffecten.3 De voorzieningenrechter stelt vast dat het initiatief waarvoor vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft aangevraagd ziet op een milieuaangelegenheid, omdat het een initiatief is dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben voor met name de omliggende natuur. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 6:13 van de Awb in het geheel genomen niet aan verzoekers kan worden tegengeworpen.


7. Terinzagelegging

7.1

Verzoekers hebben aangevoerd dat het college heeft verzuimd om de bouwtekening samen met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Verzoekers zijn daar naar eigen zeggen door benadeeld, omdat pas achteraf duidelijk is geworden hoe ingrijpend het bouwproject zou worden. Hadden zij dit eerder geweten dan hadden zij hierover met de gemeente, de provincie en het waterschap in overleg kunnen treden.

7.2

Als onderdeel van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt een ontwerp van het te nemen besluit ter inzage gelegd, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp. Het college erkent dat de bouwtekening niet digitaal ter inzage heeft gelegen. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS4 blijkt dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, indien verzoekers alsnog kennis hebben kunnen nemen van het stuk en het bestaan van het stuk voor andere belanghebbenden gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbesluit kenbaar kon zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet die situatie zich in dit geval voor. Verzoekers hebben inmiddels kennis genomen van de bouwtekening en hebben daarop kunnen reageren. Daarnaast is niet aannemelijk dat andere belanghebbenden zijn benadeeld, omdat uit de ter inzage gelegde aanvraag blijkt dat er bijlagen waren in de vorm van ‘plattegronden, doorsneden en detailtekeningen’.

8. Afwijken van het bestemmingsplan

8.1

Het college had volgens verzoekers geen omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, maar had het bestemmingsplan moeten wijzigen om het bouwplan mogelijk te maken. Het bouwplan voldoet niet aan de definitie van ‘kampeerhuisje’ uit het bestemmingsplan. Het is een ‘recreatiewoning’ die op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Daar hebben verzoekers aan toegevoegd dat het realiseren van de kelder in strijd is met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’. Op grond van die bestemming mogen grond- en graafwerkzaamheden niet dieper dan 50 cm onder het maaiveld plaatsvinden. Daarnaast hebben verzoekers verschillende argumenten aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat het initiatief niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

8.2

In de Wabo staat dat voor het bouwen van het kampeerhuisje een omgevingsvergunning is vereist wanneer het initiatief in strijd is met het bestemmingsplan.5


Strijd met het bestemmingsplan

8.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat het college het bouwplan heeft getoetst aan het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] dat is vastgesteld in 2014 en is van oordeel dat het college het bouwplan had moeten toetsen aan de herziening van dat bestemmingsplan van 2019. De herziening is vastgesteld op 22 mei 2019, ter inzage gelegd op 17 juni 2019 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onherroepelijk geworden op 30 juli 2019.6 De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft vergunninghouder ingediend op 25 april 2018 en het college heeft de omgevingsvergunning verleend op 14 april 2020. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS7 blijkt dat als uitgangspunt geldt dat de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning ex nunc geschiedt. Dit betekent dat het recht moet worden toegepast zoals dat op het moment van de beslissing op de aanvraag geldt. Op het moment van de beslissing op de aanvraag was de herziening van het bestemmingsplan onherroepelijk en had het college het bouwplan daar aan moeten toetsen. Uit diezelfde jurisprudentie blijkt dat het bouwplan – bij wijze van uitzondering op dat uitgangspunt – slechts getoetst mag worden aan het bestemmingsplan dat gold ten tijde van de indiening van de aanvraag, wanneer het bouwplan in overeenstemming was met dat toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan of een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was. Die uitzondering doet zich in dit geval niet voor, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] zoals dat gold ten tijde van de aanvraag.

8.4

Gelet op het voorgaande zal de rechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat het bouwen van het kampeerhuisje ook in strijd is met de bouwregels van de 1e herziening van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] . Gelet daarop heeft het college terecht een omgevingsvergunning verleend voor die afwijking. De bestemming is naar aanleiding van de herziening niet gewijzigd. De kwaliteitseis ‘specifieke vorm van recreatie – kwaliteitseis - 1’ is echter verdwenen en als maatvoering staat op de plankaart vermeld: ‘1 en maximum aantal permanente standplaatsen: 1.’ Uit de planregels blijkt dat het perceel bestemd is voor recreatie in kampeermiddelen en gebouwen welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverbijf door personen die hun hoofdblijf elders hebben. Het initiatief ziet naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de bouw van een kampeerhuisje als bedoeld in de definitiebepalingen van het bestemmingsplan8: een op een standplaats gelegen eenvoudig gebouw met een oppervlakte van maximaal 75 m² en een hoogte van maximaal 5,50 meter, mits sprake is van een beperkte inhoud tot 250 m³, bestemd voor recreatief nachtverblijf voor personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Zoals het college ter zitting terecht heeft toegelicht is een kampeerhuisje ook op grond van de herziening niet toegestaan op het perceel. Uit de planregels blijkt dat een kampeerhuisje alleen is toegestaan wanneer op de plankaart een aanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’ is opgenomen. Een dergelijk aanduidingsvlak is ten aanzien van het perceel niet opgenomen op de plankaart, waardoor het maximum aantal toegestane kampeerhuisjes 0 bedraagt.9

8.5

De voorzienigenrechter is daarnaast van oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’. Uit die bestemming volgt dat het perceel mede is bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.10 Op of in deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van die bestemming bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.11 Ter zitting heeft het college toegelicht dat die planregel inhoudt dat geen gebouwen mogen worden gebouwd ten behoeve van de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’. Uit de planregels volgt volgens het college dat ten behoeve van andere bestemmingen wel gebouwen mogen worden gebouwd. In de planregels staat namelijk dat ten behoeve van een andere bestemming alleen dan niet gebouwd mag worden, indien het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter beneden het maaiveld plaatsvinden.12 De voorzieningenrechter stelt vast dat het aangevraagde bouwwerk gelet op het voorgaande niet in strijd is met de dubbelbestemming en heeft daarbij in aanmerking genomen dat het bouwplan een oppervlakte heeft van minder dan 2.500 m2.

Goede ruimtelijke ordening

8.6

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevat de motivering van het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing. In die onderbouwing wordt voldoende onderbouwd dat het realiseren van het kampeerhuisje door de gemeenteraad en het college niet in strijd wordt geacht met een goede ruimtelijke ordening.

8.7

De goede ruimtelijke onderbouwing is in 2018 opgesteld door adviesbureau ruimtelijke ordening en milieu ‘Wereldadvies’. In die onderbouwing wordt verwezen naar de Quickscan Wet natuurbescherming en een bemalingsadvies van adviesbureau voor bodem, water en ecologie ‘ATKB’. De voorzieningenrechter acht deze deskundigen voldoende deskundig op het gebied van ruimtelijke ordening en natuur. Daarnaast is niet gebleken dat de rapporten naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen, dat het bestuursorgaan dit niet - of niet zonder meer - aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen.

8.8

In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de Zeeuwse Kustvisie, het Omgevingsplan 2018, de Omgevingsverordening, de Strategische Visie, de Agenda Toerisme 2018-2026 en het Milieubeleidsplan is het realiseren van een kampeerhuisje een gewenste ontwikkeling in het gebied. Voor het milieu zijn geen problemen te verwachten. Ook sluit het initiatief aan bij de ambitie van de gemeente om in 2040 energieneutraal te zijn. Daarnaast is het realiseren van het kampeerhuisje ruimtelijk en functioneel aanvaardbaar, omdat het huisje op een plek wordt opgericht waar nu al een stacaravan staat. Het aantal recreatieve eenheden wijzigt dus niet. Het initiatief zal een ruimtelijke kwaliteitswinst opleveren, omdat de stacaravan wordt verwijderd en het hele perceel aangepakt zal worden. Een recreatieve functie is zeer aanvaardbaar in de omgeving van groen, duinen en recreatie. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat het kampeerhuisje duurzaam zal zijn, omdat een warmtepompinstallatie en zonnepanelen worden geïnstalleerd en gebruik wordt gemaakt van natuurlijke materialen bij de bouw van het huisje. Bij de toegang van het terrein komen op de palen bij het toegangshek downlighters om de verlichting zo minimaal mogelijk te laten zijn.

8.9

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op die wijze in voldoende mate heeft onderbouwd dat het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van het kampeerhuisje in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De argumenten die verzoekers daar tegen hebben aangevoerd, maakt die conclusie niet anders. Verzoekers stellen dat de omvorming van de huidige stacaravan naar een luxe woning zal leiden tot een aanzienlijke verzwaring van de woonfunctie op het perceel, omdat het perceel van jaarrond gebruikt kan worden. De voorzieningenrechter acht dat niet aannemelijk, vergunninghouder heeft aangegeven dat hij het kampeerhuisje slechts recreatief zal gebruiken, dat hij zijn hoofdverblijf elders heeft en dat hij het huisje niet gaat verhuren aan derden. Daarnaast hebben verzoekers niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het initiatief zal leiden tot een grote verstoring van de rust, duisternis, de stilte en het ongerept landschap. De voorzieningenrechter acht het initiatief ook niet in strijd met de Zeeuwse Kustvisie, zoals verzoekers betogen. In die visie staat dat nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkelingen worden uitgesloten. Het college stelt echter terecht dat het perceel al wordt gebruikt voor recreatie, waardoor niet gesproken kan worden van een nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkeling. Uit dit beleid blijkt niet dat recreatieve percelen worden verplaatst naar minder gevoelige locaties, zoals verzoekers stellen. Verzoekers hebben daarnaast aangevoerd dat het initiatief bijdraagt aan de toenemende verstening en verstedelijking van de kust. Het college heeft echter voldoende toegelicht waarom dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college verleent medewerking aan deze ontwikkelingen, omdat toeristen meer luxe en comfort willen. Het college wil voorkomen dat toeristen wegblijven. Het college acht dat in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, omdat nieuwe verblijfsrecreatie niet wordt toegestaan en bij grote recreatieve ontwikkelingen kwaliteitsverbetering en landschaps- en natuurontwikkeling wordt geëist. Verzoekers stellen terecht dat het perceel wordt omringd door Natuurnetwerk Zeeland. Uit de Quickscan Wet Natuurbescherming blijkt echter dat is onderzocht wat de wezenlijke kenmerken en waarden van de omliggende natuur zijn. In de Quickscan wordt geconcludeerd deze niet onevenredig zullen worden aangetast als gevolg van het initiatief. Daar voegt de voorzieningenrechter nog aan toe dat een bespreking van de Keur van het Waterschap niet in de ruimtelijke onderbouwing hoeft te worden opgenomen, zoals verzoekers stellen. Het bestreden besluit ziet op een omgevingsvergunning op grond van de Wabo en heeft geen betrekking op de Waterwet.


9. Wet natuurbescherming

9.1

Verzoekers hebben daarnaast aangevoerd dat Gedeputeerde Staten ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen hebben afgegeven, omdat niet voldoende is onderbouwd dat het initiatief geen significante negatieve gevolgen zal hebben voor Natura 2000-gebied [naam Natura 2000-gebied] . Voor een wetenschappelijk verantwoorde effecten-analyse had een complete monitoringsdataset van het voorkomen van oever-, moeras- en waterplanten in de lage, natte delen in het aangrenzende [naam bos] plus inventarisatiegegevens van in deze biotopen levende amfibieën, beschikbaar moeten zijn. De voor die analyse benodigde veldgegevens kunnen alleen gedurende de voorjaars-. en zomerperiode verzameld worden. Voor de Quickscan is alleen op 30 november 2018 een veldbezoek uitgevoerd. Op die datum zijn de meeste relevante plant- en diersoorten onvindbaar, doordat ze al in een overwinteringsstadium verkeren. Wanneer de bemalingswerkzaamheden plaatsvinden volgens het bemalingsadvies, leidt dat volgens verzoekers tot een aantasting van het Natura 2000-gebied. Het vochtige loofbos zal als gevolg daarvan verdrogen. Sloten, greppels en valleien zullen droogvallen. Deze vormen het biotoop voor specifieke plantensoorten en vormen het overwinteringshabitat voor insecten en amfibieën. Daar hebben verzoekers aan toegevoegd dat op 3 februari 2021 is begonnen met bemalingswerkzaamheden op een andere wijze dan in het bemalingsadvies staat voorgeschreven. De werkzaamheden vinden namelijk langer dan twee weken plaats, in de winter en daarnaast wordt het opgepompte water afgevoerd op de riolering. Dit leidt tot verdroging op meer dan 170 meter. Normaliter staan veel sloten, greppels en valleien binnen het Natura 2000-gebied in het winterhalfjaar vol met zoet duinwater. De levensgemeenschappen in de sloten, greppels en blank staande laagten sterven nu massaal af. Daar hebben verzoekers aan toegevoegd dat

in de Aeriusberekening ten onrechte geen rekening is gehouden met de bemalingsinstallatie en het jaarrond autoverkeer in de gebruiksfase. Ook heeft in de Aeriusberekening geen verplichte cumulatieberekening plaatsgevonden.

9.2

In artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo staat dat een omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.13 In het Besluit omgevingsrecht staat als zodanig aangewezen:

  • -

    het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, waarvoor geen natuurvergunning is verleend en dat verboden is op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo;

  • -

    het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb, waarvoor geen ontheffing is verleend en dat verboden is op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo.14

Een dergelijke omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) hebben afgegeven. Gedeputeerde staten hanteren hetzelfde toetsingskader als dat geldt voor de natuurvergunning en de ontheffing op grond van de Wnb.15

Gebiedsbescherming

9.3

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college terecht vastgesteld dat voor het initiatief een omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, omdat sprake is van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. In artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb staat dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwen van het kampeerhuisje in de nabijheid van Natura 2000-gebied [naam Natura 2000-gebied] significante gevolgen kan hebben voor dat gebied.

9.4

De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedeputeerde staten in redelijkheid een vvgb hebben kunnen afgeven, omdat uit de Quickscan Wet natuurbescherming (passende beoordeling) met zekerheid is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast als gevolg van het initiatief, zolang het initiatief wordt uitgevoerd met inachtneming van de in de vvgb opgenomen voorschriften en conform de aanvraag en de daarbij behorende stukken.16 Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat het Natura 2000-gebied op de door hen geschetste wijze zal worden aangetast als gevolg van het initiatief. Zij hebben bijvoorbeeld geen tegenexpertise overgelegd van een onafhankelijk en deskundig te achten persoon. In de vvgb stellen Gedeputeerde Staten vast dat de volgende storingseffecten zouden kunnen optreden als gevolg van het initiatief: mechanische effecten (geluid, licht en trillingen), verontreiniging, verzuring, vermesting en verdroging (vanwege de bemaling). Uit de Quickscan blijkt dat negatieve effecten op habitattypen Grijze duinen en Duinbossen tijdelijk, beperkt en niet significant negatief zijn. Volgens de Quickscan en het bemalingsadvies zijn significante effecten als gevolg van de bemalingswerkzaamheden uitgesloten. Uit het bemalingsadvies blijkt dat voor het bemalen maximaal 14 dagen zijn voorzien en dat het plaats zal vinden buiten de (droge) periode mei - september. Uit het bemalingsadvies blijkt ook dat de invloedsfeer van die werkzaamheden beperkt zal zijn: 160 of 170 meter. Binnen die straal komen habitattypen Grijze duinen (H2130B), Duinbossen ‘binnenduinrand’ (H2180c) en Duinbossen ‘droog’ (H2180A) voor. Het habitattype Grijze Duinen is niet gevoelig voor verdroging. Het habitattype Duinbossen is wel gevoelig voor verdroging, maar uit het advies blijkt dat de meeste delen van het Duinbos rond het projectgebied op een duin (hogere zandruggen / steile taluds) staan, waardoor deze relatief droog staan. De beplanting is dus al gewend aan drogere omstandigheden. Gezien de relatief korte periode van bemaling, het tijdstip van uitvoering (buiten het warme seizoen mei – september) zijn significante effecten volgens de Quickscan uitgesloten. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten op basis van de Aerius-berekening in redelijkheid kunnen concluderen dat als gevolg van het initiatief geen additionele stikstofdepositie op het Natura 2000 zal neerdalen. De voorzieningenrechter is niet gebleken van gebreken aan de Aerius-berekening. Het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase zal niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie en ter zitting heeft vergunninghouder toegelicht dat de bronneringsinstallatie elektrisch is. Ter zitting hebben Gedeputeerde Staten terecht opgemerkt dat geen cumulatietoets nodig was, omdat uit de berekening blijkt dat het initiatief op zichzelf niet zal leiden tot een additionele stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied.

Soortenbescherming

9.5

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben het college en Gedeputeerde Staten ook redelijkerwijs kunnen vaststellen dat het initiatief niet zal leiden tot de verstoring van beschermde diersoorten. Voor zover verzoekers hebben beoogd te stellen dat een dergelijke verstoring zich wel voor zal doen, hebben verzoekers die verstoring niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Gedeputeerde Staten met verwijzing naar de Quickscan Wet natuurbescherming voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijke verstoring niet zal plaatsvinden als gevolg van het initiatief. Uit de Quickscan blijkt namelijk dat beschermden soorten in het plangebied zijn aangetroffen, maar dat geen sprake zal zijn van een overtreding van de verbodsbepalingen als bedoeld in artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb.

10. Conclusie

10.1

De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, omdat het college het bouwplan heeft getoetst aan het onjuiste bestemmingsplan. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het bouwen van het kampeerhuisje ook in strijd is met de herziening van het bestemmingsplan. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter afwijzen.

10.2

Nu het beroep gegrond wordt verklaard en het treffen van een voorlopige voorziening daardoor niet nodig is, dient het college aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening te vergoeden.

10.3

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat verzoekers niet hebben verzocht om een de vergoeding van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- (beroep) en € 360,- (voorlopige voorziening) aan verzoekers te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 26 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wettelijk kader

1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
2.Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 2.2aa van het Bor

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

  1. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;

  2. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

3. Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan]

In het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] is aan het perceel de enkelbestemming ‘Recreatie – kampeerterrein’ toegekend en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’.

Artikel 15.1, onder a en onder v (of inmiddels s?), van het Bestemmingsplan
De voor 'Recreatie - Kampeerterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatie in kampeermiddelen en gebouwen welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverbijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben en tevens voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, sanitair voorzieningen, nutsvoorzieningen parkeervoorzieningen en (ontsluitings)wegen, spel-, sport- en speelvoorzieningen en landschappelijke inpassing.

Artikel 15.2.1 van het Bestemmingsplan

a. op deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in lid 15.1 bedoelde bestemming worden gebouwd:

  1. gebouwen;

  2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

gebouwen dienen in het bouwvlak te worden opgericht, met dien verstande dat:

  1. gebouwen voor sanitair ook buiten het aangegeven bouwvlak mogen worden opgericht;

  2. recreatiewoningen tevens buiten het aangegeven bouwvlak mogen worden opgericht, mits deze worden gebouwd op de gronden met de aanduiding 'recreatiewoning';

  3. gebouwen die op een standplaats dienen te worden opgericht, zoals kampeerhuisjes, trekkershutten en bijgebouwen bij kampeermiddelen buiten het bouwvlak mogen worden opgericht;

de oppervlakte, inhoud, goot- en bouwhoogte van gebouwen en overkappingen bedragen ten hoogste de navolgende maten:

uitsluitend op permanente standplaatsen mogen vrijstaande bijgebouwen per kampeermiddel worden gebouwd, met dien verstande dat:

  1. aangebouwde bijgebouwen niet zijn toegestaan;

  2. ten hoogste één vrijstaand bijgebouw en één bordes per standplaats zijn toegestaan;

stacaravans, trekkershutten en kampeerhuisjes zijn uitsluitend toegestaan op een permanente standplaats, met dien verstande dat:

  1. de netto standplaatsgrootte ten minste vier maal de oppervlakte van een kampeerhuisje heeft;

  2. de netto standplaatsgrootte ten minste 150 m² is ten behoeve van een stacaravan;

het aantal kampeerhuisjes mag maximaal het aangegeven aantal bedragen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kampeerhuisjes';

het aantal trekkershutten mag maximaal het aangegeven aantal bedragen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal trekkershutten';

het aantal recreatiewoningen mag maximaal het aangegeven aantal bedragen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal recreatiewoningen';

de afstand tussen een bijgebouw en de grens van een standplaats bedraagt ten minste 1 meter;

vernietigd;

in afwijking van het gestelde onder c mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bedrijfswoning en gastenverblijf' de inhoud van het gebouw ten hoogste 1.200 m3 zijn;

de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de navolgende maten:

Artikel 11.2 herziening bestemmingsplan

  1. Aan artikel 15.2.1, onder b, van het moederplan wordt een onderdeel 4 toegevoegd, luidende: 'de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van dienstverlening en beheer bedraagt ten hoogste 3% van de oppervlakte van de gronden met de bestemmingen Recreatie - Kampeerterrein en Groen - Landschappelijk, voor zover deze bij het betreffende recreatiebedrijf horen';

  2. de tabel zoals opgenomen in artikel 15.2.1, onder c, van het moederplan wordt voor de volgende categorieën gebouwen onderdelen als volgt gewijzigd:

  3. aan artikel 15.2.1, onder f, wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ', indien geen aanduidingsvlak is opgenomen, bedraagt het aantal maximaal 0';

  4. aan artikel 15.2.1, onder g, wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ', indien geen aanduidingsvlak is opgenomen, bedraagt het aantal maximaal 0';

  5. aan artikel 15.2.1, onder h, wordt de volgende zinsnede toegevoegd: ', indien geen aanduidingsvlak is opgenomen, bedraagt het aantal maximaal 0';

  6. artikel 15.2.1, onder j, komt als volgt te luiden: 'op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kwaliteitseis-2A' dient de afstand tussen kampeermiddelen ten minste 20 meter te bedragen'.

Artikel 32.1.1 van de planregels

De voor 'Waarde - Archeologie - 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.


4.Wet natuurbescherming (Wnb)

Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb

Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Artikel 2.8, derde lid, van de Wnb

Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

1 Artikel 2.1, eerste lid, onder i, jo. artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) jo. artikel 2.2aa en 6.10a van het Besluit omgevingsrecht.

2 HvJ 21 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7.

3 ABRvS 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:35, r.o. 4.1.

4 ABRvS 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3147, r.o. 13.3; ABRvS 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8584, r.o. 2.3.6 en ABRvS 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5950, r.o. 2.6.8.

5 Artikel 2.1, eerste lid, onder c, jo. artikel 2.10, eerste lid onder c, en tweede lid, van de Wabo.

6 Artikel 3.8, vijfde lid, van de Wro.

7 ABRvS 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3641, r.o. 2.1.

8 Artikel 1.64 van de planregels.

9 Artikel 15.2.1, onder f, van de planregels (2014) jo. artikel 11.2, onder c van de planregels herziening.

10 Artikel 32.1.1 van de planregels.

11 Artikel 32.2.1 van de planregels.

12 Artikel 32.2.2, onder a, van de planregels.

13 Artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo.

14 Artikel 2.2aa van het Bor.

15 Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo jo. artikel 6.10a, eerste en vierde lid, van het Bor.

16 Artikel 2.8, derde lid, van de Wnb jo. artikel 2.17 Wabo jo. 5.21, eerste lid, van het Bor.