Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1459

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
9005795 VV EXPL 21-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rol van huurder bij geweldsincident onvoldoende duidelijk om in kort geding een vordering tot ontruiming toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Tilburg

zaak/rolnr.: 9005795 VV EXPL 21-10

vonnis in kort geding d.d. 26 maart 2021

inzake

[eiseres] ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [adres 1] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.J.P. Schellekens, advocaat te Tilburg,

tegen

[gedaagde] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan:

1. [onder bewind gestelde] , geboren op [geboortedatum 1] te ’s-Hertogenbosch, en

2. [onder bewind gestelde sub 2] , geboren op [geboortedatum 2] te Tilburg,

beiden wonende in de gemeente Tilburg op een geheim adres,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.G.M. de Ruijter, advocaat te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de bewindvoerder worden genoemd. [onder bewind gestelde] en [onder bewind gestelde sub 2] , belanghebbenden bij de te nemen beslissing, worden hierna afzonderlijk [onder bewind gestelde] en [onder bewind gestelde sub 2] genoemd en gezamenlijk [onder bewind gestelde] c.s.

1 Het verloop van het geding

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. de dagvaarding van 17 februari 2021 met producties 1 tot en met 15;

  2. de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15;

  3. de brief van 10 maart 2021 met productie [nummer] van de zijde van [eiseres] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2021. Ter zitting waren aanwezig namens [eiseres] mevrouw [naam 1] (woonconsulent), bijgestaan door mr. Schellekens voornoemd, alsmede de heer

[naam 2] namens de bewindvoerder, de heer [onder bewind gestelde] en mevrouw [onder bewind gestelde sub 2] , bijgestaan door mr. De Ruijter voornoemd. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.

2 Het geschil

2.1

[eiseres] vordert bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle (toekomstige) goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [onder bewind gestelde] c.s. te veroordelen tot ontruiming van de woning te [adres 2] , met veroordeling van [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle (toekomstige) goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [onder bewind gestelde] c.s. in de proceskosten.

2.2

De bewindvoerder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan de volgende feiten vast:

- [eiseres] is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting.

- Met ingang van 24 februari 2006 is er een huurovereenkomst gesloten tussen [eiseres] en [onder bewind gestelde] c.s. voor de sociale huurwoning, staande en gelegen te [adres 2] (hierna: het gehuurde / de woning).

- Op de gesloten huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing.

- Bij afzonderlijke beschikkingen van 19 augustus 2016 heeft de kantonrechter te Tilburg een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [onder bewind gestelde] c.s. Bij afzonderlijke beschikkingen van 17 december 2019 is de vorige bewindvoerder ontslagen en is de huidige bewindvoerder [gedaagde] tot bewindvoerder benoemd.

- Op 3 december 2017 is er een conflict geweest tussen [onder bewind gestelde] c.s. en de bewoners van [adres 3] (familie [naam 3] ).

- Naar aanleiding van het incident van 3 december 2017 heeft er op 12 december 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en [onder bewind gestelde] c.s.

- Bij brief van 21 december 2017 heeft [eiseres] aan [onder bewind gestelde] c.s., voor zover hier relevant, het volgende geschreven:

“(…) Uit de verklaringen stellen wij vast dat gedurende zeker tien minuten u met grof geweld geprobeerd heeft de deur te forceren om bij de [adres 3] binnen te treden.(…)

Zoals reeds in onze brief van 8 december jl. is vermeld, kon de aannemer niet op normale wijze zijn werkzaamheden uitvoeren, omdat er vanuit u een dreigende situatie bleef bestaan richting de bewoners van de [adres 3] . De politie was op dat moment weer vertrokken, maar u bleef op straat dreigementen uiten. (…)

Uw agressieve handeling kan niet meer ongedaan worden gemaakt, maar wij gaan er wel vanuit dat u, en uw eventuele bezoek, zich nadrukkelijk onthoudt van nieuwe geweldplegingen. Indien blijkt dat dit zich opnieuw voordoet, zal [eiseres] direct een juridische procedure starten om de huurovereenkomst te ontbinden en de woning te ontruimen (…). U dient deze brief te beschouwen als een eerste en laatste waarschuwing. (…)”

- Op 6 februari 2018 heeft [eiseres] aangifte gedaan van vernieling gepleegd door [onder bewind gestelde] op 3 december 2017.

- In de nieuwjaarsnacht van 2021 heeft er tussen [onder bewind gestelde] c.s. en familie [naam 3] (huurder van [adres 3] ) een geweldsincident plaatsgevonden.

- Op 1 januari 2021 hebben [voornaam 1] [naam 3] (hierna: [naam 3] sr.) en [voornaam 2] [naam 3] (hierna: [naam 3] jr.) aangifte gedaan van zware mishandeling en openlijke geweldpleging.

- Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 januari 2021, blijkt dat, voor zover hier relevant, uit een gehouden buurtonderzoek de volgende gegevens zijn gekomen met huisnummers:

“(…) 8: Heeft het een en ander gezien dus is getuige en heeft een filmpje. Op het filmpje is bewoner van [nummer] te zien met een groot mes; (…)
14: Heeft alleen buurman [nummer] achter personen zien rennen met een voorwerp in zijn hand, maar verder niets gezien omdat ze bang waren; (…)”

- Bij proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 januari 2021, vraagt de wijkagent aan [eiseres] in het kader van aanhoudende (overlast) meldingen juridische stappen te ondernemen tegen [onder bewind gestelde] c.s.

- Bij brief van 5 maart 2021 zijn [onder bewind gestelde] c.s. door de gemeente Tilburg aangeschreven in verband met (overlast)meldingen.

3.2

Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] aan dat [onder bewind gestelde] c.s. voor veel overlast in de buurt zorgen. Zo heeft [onder bewind gestelde] op 3 december 2017 op zeer agressieve wijze, hevig onder invloed van alcohol, de deur van de woning aan de [adres 3] geprobeerd te forceren met een koevoet. Na dit incident ontving [eiseres] bericht van een aannemer die per e-mail van 4 december 2017 liet weten dat men de nacht van 3 op 4 december 2017 bezig was met noodreparaties, maar weer vertrok toen [onder bewind gestelde] bedreigingen begon te uiten en hun veiligheid in het geding was. Dit incident is met [onder bewind gestelde] c.s. op 12 december 2017 besproken. Van dit gesprek heeft [eiseres] per brief van 21 december 2017 verslag gedaan, waarin [onder bewind gestelde] c.s. expliciet zijn gewezen op het onacceptabele gedrag, op de consequenties daarvan en de gevolgen indien sprake is van nieuwe geweldplegingen. Deze brieft diende te worden beschouwd als een eerste en laatste waarschuwing en [eiseres] heeft kenbaar gemaakt dat zij bij een nieuwe geweldpleging een juridische procedure zal starten om de huurovereenkomst te ontbinden en de woning te ontruimen. In de nieuwjaarsnacht van 2021 heeft [onder bewind gestelde] zich opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van ernstig geweld jegens de bewoners van de [adres 3] . Daarbij heeft [onder bewind gestelde] samen met vrienden dan wel kennissen van hem lichamelijk letsel toegebracht aan [naam 3] sr. en jr. [naam 3] jr. is bijna doodgeslagen en heeft ternauwernood kunnen vluchten. [eiseres] verwijst hiertoe naar de processen-verbaal van aangifte zoals gedaan door [naam 3] sr. en jr. en de foto’s waarop het letsel van beiden te zien is. De echtgenote van [naam 3] sr. heeft een brief gestuurd naar [eiseres] waarin zij aangeeft dat zij al jarenlang veel overlast ondervinden van de bewoners van nummer [getal 1] . Enkele bewoners in de straat zijn getuige geweest van voornoemd geweldsincident. Tevens heeft de wijkagent op 20 januari 2021 in het proces-verbaal van bevindingen verslag gedaan over de bewoners van nummer 22 waarin zij in het kader van aanhoudende (overlast) meldingen middels een sfeerrapportage aan [eiseres] vraagt om juridische stappen te ondernemen tegen de bewoners. Voor [eiseres] is de maat nu vol. [onder bewind gestelde] c.s. hebben in strijd gehandeld met de eerste en tevens laatste waarschuwing van 2017. [eiseres] wil dat [onder bewind gestelde] c.s. het gehuurde zo snel mogelijk verlaten om herhaling van dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen en om de rust in de buurt te herstellen. Gelet op de ernstige mate van overlast heeft [eiseres] spoedeisend belang bij de vordering het gehuurde te ontruimen. Het is ook aannemelijk dat de vordering tot ontbinding en ontruiming in de bodemprocedure zal worden toegewezen, gelet op de ernst van de tekortkoming, aldus [eiseres] .

3.3

[onder bewind gestelde] c.s. betwisten alle beschuldigingen van overlast en dat [onder bewind gestelde] zich schuldig zou hebben gemaakt aan ernstige mishandeling van de bewoners van nummer [nummer] . Er is slechts op 2 februari 2019 en 17 oktober 2020 geluidsoverlast door de politie geconstateerd. Over het incident van 2017 merkt [onder bewind gestelde] op dat hij eerst door een andere zoon van [naam 3] sr. was geslagen en dat hij hem daarna achterna is gegaan waarbij hij toen als reactie op de mishandeling flink op de voordeur van de woning op nummer [nummer] heeft gebonkt. Van het gebruik van een koevoet was geen sprake. [onder bewind gestelde] heeft destijds aangifte gedaan tegen die zoon van nummer [nummer] . [onder bewind gestelde] heeft toen uitdrukkelijk aan [eiseres] gevraagd om actie te ondernemen tegen nummer [nummer] . Meerdere buurtbewoners ervaren geweld gepleegd door [naam 3] sr. en diens zoon en hebben daarvan meldingen gemaakt bij de politie en [eiseres] . [onder bewind gestelde] c.s. betwisten de inhoud van de aangiftes die door [naam 3] sr. en jr. zijn gedaan over het nieuwjaarincident 2021. Er wordt een onjuiste weergave gegeven van de gang van zaken om hun eigen daden te verbloemen. Niet [onder bewind gestelde] en zijn zoon waren de aanstichters van het incident. [onder bewind gestelde] c.s. hebben meerdere verklaringen overgelegd die bij de politie zijn afgelegd. Hieruit volgt dat meerdere mensen verklaren dat [naam 3] sr. als eerste [onder bewind gestelde] van achteren op zijn hoofd heeft geslagen. Ook blijkt dat nadat de zoon van [onder bewind gestelde] tussenbeide kwam, [naam 3] sr. in zijn woning een groot mes heeft gepakt en daarmee heeft staan dreigen. Ook de bewoner van nummer [getal 2] heeft gezien dat [naam 3] sr. met een groot mes rondliep en heeft hiervan zelfs een filmpje (zie proces-verbaal van bevindingen). Uit de verklaringen volgt niet dat [onder bewind gestelde] [naam 3] sr. en/of jr. heeft mishandeld. Nadat hij een klap achter op zijn hoofd kreeg, is [onder bewind gestelde] binnen gebleven en heeft hij niets gezien. Over de overgelegde sfeerrapportage merken [onder bewind gestelde] c.s. op dat het hen bevreemdt dat het gedrag van familie [naam 3] richting diverse bewoners in de straat ontbreekt. Familie [naam 3] belt om het minste of geringste de politie. Niet alleen in verband met [onder bewind gestelde] c.s., maar ook in verband met andere bewoners. De bewoner van nummer [getal 3] ( [naam 4] ) heeft in 2011 aan [eiseres] kenbaar gemaakt dat [naam 3] sr. hem zonder enige aanleiding een harde stoot op de borstkas had gegeven en vraagt expliciet wanneer [eiseres] actie tegen [naam 3] sr. gaat ondernemen. [naam 4] heeft al drie keer een melding van mishandeling door [naam 3] sr. bij de politie ingediend. [naam 4] heeft ook op 11 oktober 2020 aan [eiseres] gevraagd om iets te doen tegen een paal onder de dakgoot die door (familie) [naam 3] is geplaatst omdat [naam 4] dat zelf niet durft te vragen (vanwege een gekregen klap in zijn gezicht in het verleden door [naam 3] sr.). [eiseres] onderneemt geen actie tegen familie [naam 3] . Er zijn meerdere buurtbewoners die verklaren dat zij geen overlast van [onder bewind gestelde] c.s. ervaren en vragen om maatregelen te nemen tegen familie [naam 3] van nummer [nummer] . Uit de feiten kan niet de conclusie worden getrokken dat [onder bewind gestelde] c.s. voor aanhoudende en structurele overlast zorgen of dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan mishandeling van [naam 3] sr. of jr. Buurtbewoners ondervinden geen overlast van [onder bewind gestelde] c.s.; ze willen juist dat er actie wordt ondernomen tegen familie [naam 3] . [onder bewind gestelde] c.s. achten het van groot belang dat in deze kwestie zorgvuldig onderzoek kan plaatsvinden. Dit kan enkel in het kader van een bodemprocedure gebeuren. Een kortgedingprocedure is niet geschikt voor bewijsvoering, getuigenverhoor en nader onderzoek. Indien er al sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, dan is die tekortkoming niet zodanig ernstig dat die een ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen. Bovendien dient een belangenafweging in het voordeel van [onder bewind gestelde] c.s. uit te vallen. Uiterst subsidiair verzoeken [onder bewind gestelde] c.s. de ontruimingstermijn op drie maanden te bepalen. Tot slot doen [onder bewind gestelde] c.s. nog een bewijsaanbod.

3.4

In deze procedure dient te worden beoordeeld of [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en of aannemelijk is dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het – mede gelet op de belangen van partijen over en weer – gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

3.5

[onder bewind gestelde] c.s. betwisten dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft. Nu [eiseres] voldoende heeft toegelicht dat zij bang is voor verdere escalatie en represailles, heeft de ontruimingsvordering naar het oordeel van de kantonrechter een spoedeisend karakter, zodat [eiseres] ontvankelijk is in haar vordering.

3.6

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting constateert de kantonrechter dat partijen wezenlijk van mening verschillen over de feiten die zich in december 2017 en in de nieuwjaarsnacht van 2021 hebben voorgedaan. Het incident uit 2017 is – wat er die dag ook gebeurd is – naar het oordeel van de kantonrechter te lang geleden om op basis daarvan nu in kort geding een vordering tot ontruiming toe te wijzen. Wat betreft het geweldsincident in de nieuwjaarsnacht van 2021 oordeelt de kantonrechter dat met de in deze kortgedingprocedure beschikbare informatie de rol van [onder bewind gestelde] en zijn huisgenoten/bezoekers bij de (vermeende) mishandeling van [naam 3] sr. en jr. onvoldoende duidelijk is geworden. De door partijen overgelegde verklaringen van de respectievelijke familieleden worden immers over en weer betwist. De vooralsnog enige als onpartijdig aan te merken verklaring van de bewoner van huisnummer 6 is vervolgens te summier om vast te stellen welke rol [onder bewind gestelde] en zijn huisgenoten/bezoekers hebben gehad. De kantonrechter is van oordeel dat hiervoor nader onderzoek naar de feiten en bewijslevering nodig is. Dit eens te meer nu gebleken is dat er bij de politie meerdere verklaringen door getuigen zijn afgelegd alsmede dat er camerabeelden van het incident in de nieuwjaarsnacht van 2021 aanwezig zijn. Voor dat nadere onderzoek biedt deze kortgedingprocedure, gegeven haar beperkte karakter, niet de mogelijkheid. Nu niet voorspelbaar is hoe een eventueel te voeren bodemprocedure tussen partijen zal aflopen, is het niet gerechtvaardigd om daarop bij wijze van voorlopige voorziening vooruit te lopen. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] daarom afwijzen.

3.7

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding. Deze worden vastgesteld op een bedrag van € 747,00 aan salaris gemachtigde.

4 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] c.s. tot op heden vastgesteld op € 747,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] ;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Hindriks en in het openbaar uitgesproken op

26 maart 2021.