Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1445

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
02-997505-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden. Hij zwaaide de scepter binnen een criminele organisatie, die zich in de periode van 7 september 2012 t/m 31 januari 2013 bezig heeft gehouden met het omkatten van paardenvlees naar rundvlees, waarvoor vervoersdocumenten en facturen valselijk zijn opgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/997505-13

vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1950 te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres 1]

raadsman mr. R.W.J.H.A. Neijndorff, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is gesloten op 25 maart 2021.

2 De tenlastelegging

[verdachte] staat terecht, ter zake dat:

feit 1:

[naam 1] , althans een rechtspersoon, op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2013, in de gemeente Breda, althans in Nederland, samen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, 10, althans een of meerdere geschrift(en) te weten:

(Zaak 1, AMB-11, pg 150 t/m 157 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livrasion) van 25 januari 2013 (DOC-247, pg 324 proces-verbaal) en/of

  • -

    een paklijst (packing list) van 25 januari 2013 (DOC 248 en 249, pg 325 en 326 proces-verbaal) en/of

(Zaak 2, AMB-12, pg 161 t/m 168 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livrasion) van 21 januari 2013 (DOC-273, pg 343 proces-verbaal) en/of

  • -

    een paklijst (packing list) van 21 januari 2013 (DOC 274 en 275, pg 344 en 345 proces-verbaal) en/of

(Zaak 3, AMB-13, pg 172 t/m 181 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livrasion) van 30 januari 2013 (DOC 295, pg 355 proces-verbaal en/of

  • -

    een paklijst (packing list) van 30 januari 2013 (DOC 296 en 297, pg 356 en 357 proces-verbaal en/of

(Zaak 4, AMB-26, pg 185 t/m 191 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livrasion) van 7 december 2012 (DOC 686, pg 577 proces-verbaal en/of

  • -

    een paklijst (packing list) van 7 december 2012 (DOC 687 en 688, pg 578 en 579 proces-verbaal en/of

(Zaak 5, AMB-27, pg 195 t/m 202 proces-verbaal)

- een leveringsbon (Bon de Livrasion) van 7 september 2012 (DOC 738, pg 610 proces-verbaal en/of

- een paklijst (packing list) van 7 september 2012 (DOC 722 en 723, pg 602 en 603 proces-verbaal

die (telkens) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of heeft/hebben laten opmaken dan wel heeft/hebben vervalst of heeft/hebben laten vervalsen, door (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid:

- op de leveringsbon van 25 januari 2013:

o als omschrijving 'Boneless Forres' te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het geleverde product uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd terwijl in werkelijkheid paardenvlees werd geleverd en/of

  • -

    op de paklijst van 25 januari 2013 als omschrijving 'BF 90/10' met als herkomst Roemenië (Romania) te vermeiden/1aten vermelden, terwijl in werkelijkheid het product uit paardenvlees met als herkomst Canada bestond en/of

  • -

    op de leveringsbon van 21 januari 2013:

o als omschrijving '3M12' te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het product uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd terwijl in werkelijkheid paardenvlees werd geleverd en/of

  • -

    op de paklijst van 21 januari 2013 als omschrijving '3M12' met als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden/laten vermelden, terwijl in werkelijkheid het product uit paardenvlees met als herkomst België respectievelijk Ierland bestond en/of

  • -

    op de leveringsbon van 30 januari 2013:

o als omschrijving ’3M12' te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het product uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd terwijl in werkelijkheid paardenvlees werd geleverd en/of

  • -

    op de paklijst van 30 januari 2013 als omschrijving '3M12' met als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden/laten vermelden, terwijl in werkelijkheid het product uit zowel paardenvlees met als herkomst respectievelijk België, Ierland, Canada en Roemenië als uit rundvlees met als herkomst Roemenië bestond en/of

  • -

    op de leveringsbon van 7 december 2012:

o als omschrijving 'Boneless Forres 90/10 te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het product uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd terwijl in werkelijkheid paardenvlees werd geleverd en/of

- op de paklijst van 7 december 2012 als omschrijving 'BF 90/10' met als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden/laten vermelden, terwijl in werkelijkheid het product uit paardenvlees met als herkomst Canada bestond en/of

- op de leveringsbon van 7 september 2012:

o als omschrijving 'Boneless Forres 90/10' te vermelden/laten vermelden en/of

o niet te vermelden/laten vermelden dat het product uit paardenvlees bestond althans

o de suggestie te wekken dat het bestelde rundvlees werd geleverd terwijl in werkelijkheid paardenvlees werd geleverd en/of

- op de paklijst van 7 september 2012 als omschrijving 'BF 90/10' met als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden/laten vermelden, terwijl in werkelijkheid het product uit paardenvlees bestond,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl [verdachte] samen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen tot het plegen van vorenomschreven feit(en) (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan die verboden gedraging(en) (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2013, in de gemeente Breda, althans in Nederland en/of België en/of Spanje en/of Cyprus, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte met [naam 2] en [naam 1] . en [medeverdachte] . en [naam 3] en [naam 4] welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten:

  • -

    het plegen van valsheid in geschrift bestaande uit het valselijk opmaken/laten opmaken van geschriften waaronder leveringsbonnen en/of paklijsten en/of facturen en/of palletkaarten en/of andere documenten en/of

  • -

    het gebruikmaken van valse/vervalste geschriften waaronder leveringsbonnen en/of paklijsten en/of facturen en/of palletkaarten en/of andere documenten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [naam 1] meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd en dat [verdachte] en [naam 2] daaraan feitelijk leiding hebben gegeven of daartoe opdracht hebben gegeven, zoals onder feit 1 is tenlastegelegd. Tevens is zij van mening dat feit 2, de deelname aan de criminele organisatie, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij baseert zich ten aanzien van beide feiten op een reeks van documenten die de goederenstromen en facturenstromen onder zaak 1 t/m 5 betreffen, op de verklaringen van de verdachten [verdachte] en [naam 2] en de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Voorts heeft zij de eerdere veroordelingen van [verdachte] en [naam 2] in ogenschouw genomen, waarbij zij schuldig zijn bevonden aan het omkatten van (paarden)vlees naar halal rundvlees met een vergelijkbare werkwijze als in deze zaak.

4.2

Het standpunt van de verdediging

In de visie van de raadsman kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten komen. Hij wijst daarbij op de door medeverdachte [naam 2] afgelegde verklaringen, die op belangrijke onderdelen ongeloofwaardig en te onbetrouwbaar zouden zijn, zodat deze volledig van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De beweringen van [naam 2] worden volgens de raadsman ook op geen enkele wijze bevestigd door andere concrete betrouwbare bewijsmiddelen. Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte wist dat er paardenvlees als rundvlees aan [naam 5] werd verkocht en geleverd. De handelingen van [naam 2] kunnen niet aan verdachte toegerekend worden. Daarnaast is het de vraag of uitgesloten kan worden dat koper [naam 5] wist dat zij paardenvlees kocht.

De omstandigheid dat verdachte behulpzaam is geweest als een soort contactpersoon c.q. bemiddelaar voor [naam 1] bij de verkoop aan [naam 5] is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam 2] bij het plegen van valsheid in geschrift en is tevens onvoldoende om te kunnen concluderen tot een duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte, [naam 2] en de in de tenlastelegging genoemde ondernemingen.

Verdachte dient volgens de raadsman daarom integraal te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1:

De modus operandi volgens [verdachte]

Uit de verklaringen van [verdachte] blijkt dat hij binnen de tenlastegelegde periode handelde in verschillende vleessoorten op naam van de firma [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) of [naam 3] (hierna: [naam 3] ).

[verdachte] kocht destijds paardenvlees in bij onder meer de firma’s [naam 6] in België, [naam 7] . in Canada en bij de Roemeense slachthuizen [naam 8] en [naam 9]1.

Aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ) verkocht hij vervolgens paardenvlees. Regelmatig kocht hij partijen paardenvlees daarna weer terug van [naam 1]2.

[verdachte] heeft verder erkend dat hij voor [medeverdachte] alles regelde met betrekking tot de goederenstroom van het paardenvlees richting [naam 1] : vanaf het inkoopadres in het buitenland tot aan het adres van [naam 1] in Breda aan de [adres] , op welk adres eveneens het vrieshuis [naam 11] is gevestigd en waar het bevroren paardenvlees werd opgeslagen. Zo regelde hij de inklaring van het vlees via [naam 12] te Hazeldonk Breda en gaf hij [naam 2] opdrachten wanneer hij goederen moest laden en lossen. Tevens maakte [verdachte] namens [medeverdachte] de facturen op aangaande de invoer van het vlees. [verdachte] heeft verklaard een aansturende rol bij [medeverdachte] en [naam 3] te hebben gehad3.

Daarnaast heeft [verdachte] verklaard dat hij een bemiddelende rol had bij de verkoop van vlees door [naam 1] aan de firma [naam 5] te Manosque in Frankrijk. [verdachte] noemt dit zelf een “postbusfunctie”. Vier maal per jaar werd door [verdachte] in overleg met [naam 2] een prijs overeengekomen waarvoor het vlees aan [naam 5] steeds binnen een periode van 13 weken zou worden geleverd4. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat in het verkoopcontract tussen [naam 1] en [naam 5] van 22 oktober 2012, waarin is vastgelegd dat [naam 1] een hoeveelheid van 286.000 kg “90/10” uit een EU-land aan [naam 5] zal leveren, als contactpersoon de naam [verdachte] is opgenomen5.

[verdachte] heeft opgemerkt dat zijn betrokkenheid bij [naam 1] , aangaande de handel met [naam 5] , niet verder reikte dan de omschreven verkoopbemiddeling.

Hoewel in een overeenkomst tussen [naam 1] en [naam 5] van 31 oktober 2012 expliciet is beschreven dat er rundvlees moet worden geleverd6 en [verdachte] heeft aangegeven dat door [naam 1] aan [naam 5] (mager) rundvlees werd verkocht7, komt in het procesdossier naar voren ̶ zoals in de verklaring van de directeur van [naam 5] [getuige 3]8 ̶ dat door [naam 1] in werkelijkheid paardenvlees in plaats van rundvlees aan [naam 5] werd geleverd. [verdachte] zegt dat hij hier niet van af wist.

De modus operandi volgens [naam 2]

Uit de verklaringen van [naam 2] kan worden afgeleid wat de werkwijze is geweest met betrekking tot de verkoop en leveringen van paardenvlees door [naam 1] aan [naam 5] , op welke leveringen het tenlastegelegde onder feit 1 betrekking heeft. [naam 2] was blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel sinds 8 januari 2009 enig aandeelhouder en algemeen directeur van [naam 1]9.

[naam 2] bevestigt het relaas van [verdachte] , in die zin dat de firma [medeverdachte] – in de persoon van [verdachte]10 ̶ paardenvlees inkocht uit Canada, Roemenië (bij de slachthuizen [naam 8] en [naam 9] ) en België ( [naam 6] ) en dat dit vlees naar zijn bedrijf [naam 1] werd vervoerd. De vrachten paardenvlees werden na instructies van [verdachte] door [naam 2] gelost en opgeslagen bij koelhuis [naam 11] te Breda.

[naam 2] heeft aangegeven dat het paardenvlees vervolgens vanuit Breda naar Frankrijk, naar koper [naam 5] , werd vervoerd.

In afwijking van wat [verdachte] heeft verklaard, stelt [naam 2] dat [verdachte] meer bemoeienis had met het transport van het paardenvlees naar de Franse klant [naam 5] dan enkel een bemiddelende rol tussen [naam 1] en [naam 5] over de verkoopprijs van het vlees.

De verkoop aan en de export van het vlees naar Frankrijk werd namelijk geheel door [verdachte] verzorgd11. [naam 2] voerde daarbij alleen de feitelijke logistieke handelingen uit. [naam 2] vulde de benodigde CMR’s/vrachtbrieven in voor het vervoer12, nadat hij van [verdachte] daarvoor gegevens had ontvangen13. De (kopie-)CMR’s en andere papieren die bij een zending behoorden, werden door [naam 2] in een bakje op zijn kantoor bewaard, die dan later werden opgehaald door [verdachte] . [verdachte] had namelijk een sleutel van het kantoor in Breda1415. In opdracht van [verdachte] maakte hij ook facturen voor [naam 5] op, maar de overige facturering, waaronder ook de credit-facturering, lag bij [verdachte]16.

Daarnaast had [naam 2] van [verdachte] de opdracht gekregen om documenten te “verwisselen”17. Voordat het paardenvlees naar Frankrijk werd vervoerd, haalde [naam 2] de originele palletkaarten van de pallets af en verving hij deze door andere kaarten. Het paardenvlees uit Canada en van [naam 6] zat in kartonnen dozen, die eerst werden verwijderd. Het vlees uit Roemenië kwam al op pallets zonder dozen binnen. [verdachte] had [naam 2] geïnstrueerd en een voorbeeld gegeven hoe de nieuwe palletkaarten er uit moesten zien. Op de originele kaarten stond nog “horsemeat” of “H meat” of “H pet” voor paardenvlees vermeld, maar de nieuwe kaarten moesten slechts worden voorzien van de term “90/10’, “boneless forres” of “minerai”. Op de nieuwe palletkaarten was daardoor niet te zien welke vleessoort het betrof. De oude palletkaarten moesten weggegooid worden. Ook uit andere documenten, bijvoorbeeld een rekening of de CMR, was - op instructie van [verdachte] - niet te zien om welke diersoort het ging1819. De wel genoemde begrippen zien op de samenstelling, hoedanigheid van een bepaalde vleessoort. Onder “boneless forres” wordt letterlijk verstaan voorstukken zonder been, “90/10”heeft te maken met het vetpercentage in vlees (voor de deelstreep wordt het percentage mager vlees, na de deelstreep wordt het percentage vet bedoeld), “minerai” staat voor grote brokken vlees. De term “3M12”, die ook herhaaldelijk in documenten terugkomt, staat voor vliesvlees. Deze termen worden door onder andere [naam 2] en [verdachte] gebruikt20.

Bovendien moest op de documenten een ander land van herkomst – te weten Roemenië – worden vermeld dan het land waar het vlees oorspronkelijk vandaan kwam. [naam 2] heeft immers verklaard dat al het vlees van Canadese, Ierse of Belgische herkomst door [naam 2] op de nieuwe palletkaarten werd voorzien van het EG-nummer ‘80’ of ‘83’, welk nummers staan voor, respectievelijk, de slachthuizen [naam 9] en [naam 8] in Roemenië21.

[naam 2] zegt al vanaf 2009 op deze manier ten aanzien van de palletkaarten te hebben gehandeld22.

Aan [naam 2] zijn tijdens één van de verhoren concreet enkele documenten afkomstig uit de administratie van [naam 5] voorgehouden, te weten de afleveringsbon en de paklijsten met de documentnummers 637 t/m 639 (dit zijn dezelfde documenten met de nummers 247 t/m 249 uit de administratie van [naam 1] ), die zien op zaak 1 onder het tenlastegelegde feit 1. [naam 2] heeft bekend dat hij deze documenten heeft opgemaakt. Aanvullend verklaart hij: “ [naam 5] heeft niet gevraagd om deze documenten vals op te maken.”

Tevens heeft [naam 2] erkend de aan hem getoonde (verkoop)contracten tussen [naam 1] en [naam 5] van 22 oktober 2012 en 18 oktober 2012 (documenten 716 en 706 t/m 711) aangaande de verkoop van rundvlees te hebben ondertekend23.

Op basis van de aangehaalde verklaringen van [naam 2] kan worden geconcludeerd dat hij herhaaldelijk verscheidene documenten die verband houden met de leveringen van paardenvlees door [naam 1] aan [naam 5] - waaronder palletkaarten, paklijsten en leveringsbonnen - vals heeft opgemaakt en dat [verdachte] daarbij een aansturende rol heeft gespeeld.

De geloofwaardigheid van de verklaringen van [naam 2]

Nu de verklaringen van [naam 2] en [verdachte] op belangrijke onderdelen van elkaar afwijken en de geloofwaardigheid en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 2] door de verdediging wordt betwist ‒ met als mogelijk gevolg dat de verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs – is de rechtbank nagegaan of er aanvullend bewijsmateriaal in het procesdossier aanwezig is dat de voor [verdachte] belastende verklaringen van [naam 2] met betrekking tot de werkwijze en rolverdeling bij de vleeshandel tussen [naam 1] en [naam 5] ondersteunt of juist weerlegt.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de verklaringen van [naam 2] niet alleen belastend zijn voor [verdachte] , maar ook in hoge mate belastend zijn voor [naam 2] zelf. Deze omstandigheid komt de geloofwaardigheid van [naam 2] ten goede.

Getuige [getuige 3] , toen directeur en inkoper en verkoper van [naam 5] , heeft verklaard dat [naam 5] in de periode tussen 1 januari 2011 en 1 maart 2013 meermalen van [naam 1] en [medeverdachte] rundvlees heeft gekocht. Als hij had geweten dat het vlees eigenlijk paardenvlees was, had [naam 5] dit nooit gekocht. De bestellingen vlees hadden als productaanduiding “3M12”, “minerai 90/10” en ”boneless forest”. In 2011 kocht hij van [medeverdachte] , vervolgens in 2012 van [naam 1] en in 2013 wederom van [medeverdachte] . Voor beide bedrijven was [verdachte] steeds de contactpersoon die zich bezig hield met zowel de orders als de leveringen van het vlees, dus niet alleen met de prijsbepaling daarvan. [verdachte] was de enige contactpersoon. [getuige 3] zegt de persoon [naam 2] niet te kennen. De rol van [verdachte] was sinds 2011 niet veranderd. [getuige 3] en zijn medewerkers gingen er van uit dat [verdachte] [naam 1] vertegenwoordigde. Daar werd niet aan getwijfeld. De heer [naam 2] had hij nooit ontmoet24.

Getuige [getuige 2] , werkzaam als verkoopassistente bij [naam 5] van oktober 2011 tot juni 2013, onderschrijft de verklaring van [getuige 3] . [naam 1] en [medeverdachte] verklaart zij als leveranciers te kennen met dezelfde contactpersoon, namelijk [verdachte] . [getuige 2] plaatste per mail meerdere bestellingen rundvlees bij [naam 1] en [medeverdachte] . Ook wist zij niet dat er “een meneer [naam 2] ” was25.

Getuige [getuige 1] is mede-eigenaar van de firma’s [naam 13] in Frankrijk en [naam 7] . In Canada. De hoofdtaak van [naam 13] is het distribueren van paardenvlees afkomstig van [naam 7] in Europa. Volgens [getuige 1] is [verdachte] in 2012 begonnen met het afnemen van goederen bij [naam 13] . [verdachte] was de gesprekspartner namens de bedrijven [medeverdachte] en [naam 3] . De verkoop aan [medeverdachte] is gestart in februari 2012 en aan [naam 3] in oktober 2012. [getuige 1] kent [naam 2] niet. De bedrijfsnaam [naam 1] kent hij wel uit enkele facturen voor de 2 containers die niet door [naam 3] zijn betaald en via [naam 1] en [medeverdachte] terugverkocht zijn aan [naam 13] .

[getuige 1] heeft overigens uiteengezet dat het vlees dat hij verkocht verpakt was in dozen, die werden verzegeld met een EU-nummer. Als de dozen worden verwijderd is het volgens hem niet meer mogelijk om de herkomst van het vlees te traceren. Als op de stukken alleen nog “90/10” of “boneless forress” terugkomt, geeft dat niet de diersoort aan. Dan kan het om meerdere soorten vlees gaan26.

In tegenstelling tot de voormelde getuigen heeft [naam 14] van [naam 12] (hierna: [naam 12] ) zowel met [verdachte] als [naam 2] contact gehad. [naam 1] kent hij via [medeverdachte] . [medeverdachte] , in de persoon van [verdachte] , had [naam 12] gecontacteerd voor de invoer in Nederland van paardenvlees. Dat vlees werd gekocht bij [naam 13] in Frankrijk en werd via Antwerpen ingeklaard. [medeverdachte] / [verdachte] was degene die de invoer regelde en daarvoor de benodigde documenten verzorgde. Deze documenten werden door [verdachte] persoonlijk, of op het laatst door de zoon van [verdachte] , verzonden naar [naam 12] . In Hazeldonk werden de inklaringen gedaan naar [naam 1] voor invoer in Nederland. Op verzoek van [medeverdachte] / [verdachte] werd hiervoor het BTW-nummer van [naam 2] gebruikt en niet een BTW-nummer van [medeverdachte] . Omdat [medeverdachte] een Cypriotische onderneming is, kan daarop alleen worden ingeklaard wanneer de goederen naar Cyprus worden vervoerd. [medeverdachte] verstrekte [naam 12] inkoopfacturen die werden gebruikt voor de inklaring. [naam 14] herkent DOC 231, zijnde een factuur van [naam 4] (hierna: [naam 4] later te bespreken) aan [naam 2] , als een factuur die [verdachte] aan hem heeft gestuurd. [verdachte] stuurde bijna altijd de facturen voor de inklaring. [naam 14] heeft aangegeven dat [naam 12] in het voortraject nooit contact had met [naam 2] , alleen met [verdachte] . [naam 1] was daarin geen partij. Dit bedrijf [naam 1] was voor [naam 12] niets anders dan een afleveradres, operationeel gezien. Er was alleen contact met [naam 2] om af te spreken dat er een container zou aankomen. [naam 14] had de indruk dat [naam 2] weinig verstand had van de gehele gang van zaken. Als er problemen of vragen waren, nam [naam 14] in negentig van de honderd gevallen contact op met [verdachte] . In de andere tien gevallen contacteerde hij pas [naam 2]27.

Tevens slaat de rechtbank acht op het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 2 mei 201328 en het vonnis van de rechtbank Breda d.d. 18 januari 201229 betreffende het eerdere strafrechtelijk onderzoek ‘Cyclops’. Uit deze twee uitspraken (waarin door het hof voor de bewezenverklaring wordt verwezen naar het vonnis van de rechtbank) volgt dat [verdachte] is veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschift, meermalen gepleegd in de periode van 1 september 2007 t/m 30 juni 2009. De medeplegers waren onder meer [naam 2] , [verdachte] [naam 10] (hierna: [naam 10] ) en [naam 1] . In di zaak werden feitelijk door met name [naam 2] stukken vals opgemaakt met als doel om partijen goedkoper (paarden)vlees als duurder halal geslacht rundvlees te verkopen aan onder meer Franse afnemers. [naam 2] was destijds belast met het loodswerk en werd als directeur van [naam 1] ingezet als katvanger. [verdachte] werd als de persoon bestempeld die het bij [naam 10] en later bij [naam 1] voor het zeggen had.

In het onderhavige dossier ligt een verklaring uit het Cyclops-onderzoek van [naam 15] , een voormalig administratief medewerker bij [naam 10] en [naam 1] , die tevens relevant is in het onderhavige onderzoek. [naam 15] heeft aangegeven dat hij over het opheffen van [naam 10] en het starten van [naam 1] het volgende kan zeggen. De reden voor het oprichten van [naam 1] in 2009 is geweest, dat [verdachte] daarmee zijn aansprakelijkheid buiten beeld heeft willen plaatsen en [naam 2] daarom naar voren heeft geschoven. [verdachte] wilde wel de grip houden op de vleeshandel en met die handel geld verdienen, maar hij wilde niet langer aansprakelijk zijn. [verdachte] heeft [naam 2] de 18.000 euro voor de oprichting van [naam 1] geleend.

De feitelijke uitvoering van alle handel binnen [naam 1] gebeurde door [verdachte] . Door [verdachte] is in Cyprus, naar [naam 15] denkt om belastingtechnische redenen, het bedrijf [medeverdachte] opgericht. [medeverdachte] kocht vlees in en verkocht dit met marge aan [naam 1] , zodat de winst in Cyprus wordt ontvangen. [naam 15] noemt [medeverdachte] en daarmee ook [verdachte] de grote drijvende kracht achter [naam 1] . Zonder [medeverdachte] had [naam 1] niet kunnen bestaan. “Het is [verdachte] die de teugels in handen heeft” aldus [naam 15] .

De rol van [naam 2] bij [naam 1] en daarvoor bij [naam 10] omschrijft [naam 15] in 2009 als loodsmedewerker. Hij wilde eigenlijk niet op de directeursstoel zitten, maar wilde gewoon lekker werken.

[verdachte] deed bijna alle in- en verkoop en bepaalde de in- en verkoopprijzen. Hij maakte tevens de verkoopfacturen van [medeverdachte] aan [naam 1] op.

Als [verdachte] afnemers in Frankrijk had voor de vrachten vlees die bij [naam 11] waren opgeslagen, stuurde hij de bestellingen per mail naar [naam 15] door. [naam 2] maakte op basis van die mails de vrachten voor de afnemers gereed. Zo regelde [naam 2] de palletkaarten voor de verzending. Toen [naam 15] nog voor [naam 1] werkzaam was, maakte hij aan de hand van voorbeeldfacturen uit de administratie van [naam 10] de facturen voor de vrachten op. Daarop werd een ander land van herkomst vermeld dan het land waaruit het vlees daadwerkelijk afkomstig was30.

In een email van ‘ [mailadres 1] ’, ondertekend door ‘ [verdachte] ’, aan ‘ [mailadres 2] ’, wordt [naam 2] door [verdachte] geïnstrueerd om contracten te tekenen en op te sturen. De tekst van de email luidt als volgt:

“Die twee contracten tekenen en opsturen. Alleen de hoeveelheid van het 3 M12 veranderen in 66 ton. Die 132 ton krijg je niet bij elkaar ben ik bang. En als ze je ze wel hebt dan pakt hij ze toch wel. Stuur het meteen op met die documenten die ik je gestuurd heb. Als je dat nog niet hebt gedaan.”

Zoals hiervoor is overwogen heeft [naam 2] verklaard deze contracten te hebben ondertekend en naar [naam 5] te hebben verzonden. Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat, gelet op de contacten en contracten met [naam 5] , [naam 2] in tegenstelling tot [verdachte] de Franse taal niet beheerst3132.

In het vorenstaande ziet de rechtbank voldoende steunbewijs voor de verklaringen van [naam 2] om deze als betrouwbaar aan te kunnen merken en om deze voor het bewijs te kunnen bezigen. Dit verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Het is duidelijk geworden dat [verdachte] zich namens [medeverdachte] niet alleen bezighield met werkzaamheden gericht op de inkoop van paardenvlees uit Canada, Ierland en België en de verkoop (en eventueel de terugkoop) daarvan aan [naam 1] tot aan het adres van de koelcellen van [naam 11] in Breda, maar ook met de verkoop én de export van het vlees door [naam 1] naar [naam 5] in Frankrijk. Hij was betrokken bij het gehele aan- en verkoopproces, van A tot Z. Dat [verdachte] zich ook bezighield met de leveringen is in het bijzonder op te maken uit de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] van [naam 5] , die zeggen dat [verdachte] van 2011 t/m deels 2013 voor de verkoop en de leveringen van [medeverdachte] en [naam 1] steeds de enige contactpersoon voor hen is geweest, dat zijn rol in die jaren niet is gewijzigd en dat zij geen contact hebben gehad met [naam 2] of deze niet eens kennen. Niet is gebleken uit de stukken dat er andere medewerkers waren die namens [naam 1] of [medeverdachte] hebben opgetreden.

De verklaringen van [naam 14] en [naam 15] sluiten aan bij die van [naam 2] omtrent zijn logistieke rol binnen [naam 1] . [naam 2] zou verder volgens [naam 14] ook weinig kennis van zaken hebben. Het was ook [verdachte] die besliste dat voor de inklaring van het vlees het BTW-nummer van [naam 1] moest worden aangewend door de Douane-Expediteur.

Uit de verklaringen en de mail vloeit voort dat [verdachte] bij zowel de aankoop als de verkoop van vlees namens [medeverdachte] én [naam 1] een prominente en aansturende rol heeft gehad.

De verklaring van [naam 15] in combinatie bezien met de inhoud van de voornoemde uitspraken duidt er op dat er al gedurende langere tijd op dezelfde manier door [naam 2] en [verdachte] gezamenlijk in vlees werd gehandeld. Ondanks het eerdere strafrechtelijke onderzoek en de daarop volgende veroordelingen blijkt dat zij samen verder zijn gegaan in de vleessector en een soortgelijke werkwijze zijn blijven hanteren. Er werd nog altijd vlees uit het buitenland ingekocht en als een ander soort vlees verkocht aan Franse ondernemingen, en ieder had daarbij een aandeel als voorheen. [verdachte] had nog altijd de leiding en onderhield namens zowel [medeverdachte] als [naam 3] en [naam 1] de contacten met leveranciers en afnemers. Dat laatste blijkt ook logischerwijs uit de omstandigheid dat [verdachte] , anders dan [naam 2] , de Franse taal beheerst. [naam 2] had weliswaar [naam 1] formeel op zijn naam staan om [verdachte] klaarblijkelijk meer buiten schot te houden, maar [verdachte] was de grote drijvende kracht achter [naam 1] , zoals [naam 15] heeft verklaard over de situatie in de vorige strafzaak en waarin kennelijk geen wijziging sindsdien is gekomen. [naam 2] stond iets meer op de achtergrond en voerde voornamelijk het laad- en loswerk van de vrachten paardenvlees uit en maakte de documenten die de Franse afnemers in handen kregen vals op, waarbij [verdachte] hem instrueerde.

Het samenwerkingsverband

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast, dat tussen [verdachte] en [naam 2] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het opmaken van valse documenten. Zij hebben tezamen en in vereniging doelbewust, met vol opzet gehandeld. Op diverse documenten, die naar [naam 5] zijn verzonden, is opzettelijk nagelaten te vermelden dat er feitelijk paardenvlees is geleverd in plaats van het contractueel overeengekomen rundvlees en is als land van herkomst van dit vlees Roemenië opgegeven, terwijl dit Canada, Ierland of België behoorde te zijn. Het vlees was met die bedrieglijke methode onidentificeerbaar geworden. Met de valse opmaak van de documenten hebben zij aldus beoogd om de werkelijke vleessoort en de herkomst van het vlees te verdoezelen. Hun samenwerking was daarop gericht. Voor medeplegen geldt dat de verdachten voor elkaars gedragingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden.

[naam 2] was als enig aandeelhouder en directeur van [naam 1] weliswaar bevoegd om namens dit bedrijf de bedoelde documenten op te stellen, maar hij heeft deze geschriften van een onware en onjuiste inhoud voorzien, zodat van intellectuele valsheid sprake is. De documenten zijn telkens als echt en onvervalst gebruikt, teneinde [naam 5] te misleiden. Ze zijn immers in de administratie van zowel [naam 1] als van [naam 5] aangetroffen33.

Nu [verdachte] en [naam 2] beiden hebben gehandeld uit naam van [naam 1] , werpt de vraag zich op of de rechtspersoon [naam 1] als dader kan worden aangemerkt en hoe de verdachten in relatie staan tot die rechtspersoon. Gelet op artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht kunnen strafbare feiten immers niet alleen worden begaan door een natuurlijke persoon, maar ook door een rechtspersoon.

Door de Hoge Raad34 is bepaald dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de verboden gedraging van een natuurlijk persoon redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan volgens de Hoge Raad sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die, hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
- de gedragingen passen in de normale bedrijfsuitvoering van de rechtspersoon;
- de gedragingen zijn de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

In dit geval kan worden vastgesteld dat het opstellen van leveringsbonnen, paklijsten en palletkaarten administratief en logistiek van aard is en past in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon als [naam 1] , zijnde een groothandel en im- en exporteur van vlees. Het vals opmaken van deze documenten hangt daarmee samen en die verboden gedragingen zijn de rechtspersoon [naam 1] dienstig geweest in het uitgeoefende bedrijf. Het opzettelijk achterwege laten van de vleessoort en het foutief vermelden van de herkomstgegevens van het vlees op die documenten heeft ertoe geleid dat er goedkoper paardenvlees als duurder rundvlees is verkocht met als gewenst doel om meer winst te behalen.

Op grond van dat alles wordt de conclusie getrokken dat de verboden, strafbare gedragingen zich binnen de invloedssfeer van [naam 1] hebben voorgedaan en dat die redelijkerwijs aan deze rechtspersoon kunnen worden toegerekend.

De rechtbank oordeelt voorts dat [naam 1] opzet heeft gehad op de verboden gedragingen, nu het opzet van de natuurlijk personen [verdachte] en [naam 2] aan de rechtspersoon [naam 1] kan worden toegerekend.

Dit maakt dat de rechtspersoon [naam 1] als dader is aan te merken van het tenlastegelegde onder feit 1.

Gelet op het vastgestelde daderschap van [naam 1] , komt de rechtbank toe aan de vraag of [verdachte] en [naam 2] in dit kader feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedragingen, zoals bedoeld in artikel 51, tweede lid en aanhef onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad35 heeft bepaald dat er door meerdere personen, al dan niet gezamenlijk, feitelijk leiding kan worden gegeven.

Bij de beantwoording van die vraag is van belang welke feitelijke of juridische positie [verdachte] en [naam 2] hebben ingenomen bij [naam 1] . Het feitelijk leidinggeven bestaat volgens vaste jurisprudentie vaak uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt.

Hierboven is al aan de orde gekomen dat [naam 2] als enig aandeelhouder en algemeen directeur de juridische zeggenschap heeft gehad over [naam 1] . Daarnaast is geconstateerd dat [naam 2] uitvoerende taken heeft gehad binnen dit bedrijf. Hij was belast met lossen en de opslag, het laden en de uitslag van het vlees en maakte feitelijk de valse stukken op. Om die redenen is [naam 2] als feitelijk leidinggever te bestempelen.

Ook is de feitelijke positie van [verdachte] binnen [naam 1] al duidelijk geworden. Hij regelde de aan- en verkoop van het vlees van begin tot het eind, hij stuurde [naam 2] aan en instrueerde hem, ook specifiek voor wat betreft de valselijk op te maken stukken. Er ging niets buiten hem om, mede gelet op het feit dat hij ook nog stukken ophaalde op het kantoor van [naam 1] . Zijn rol is, gezien zijn actieve en effectieve bijdrage, onmiskenbaar te beschouwen als die van een feitelijk leidinggever.

[naam 15] gaf al aan dat [naam 1] niet zonder [medeverdachte] had kunnen bestaan. Andersom geldt dat evenzeer. [verdachte] had zelf geen vennootschap meer in Nederland, zodat hij [naam 1] nodig had om in Nederland zaken te kunnen doen. De een kan niet zonder de ander.

Het vorenstaande betekent dat [verdachte] en [naam 2] beiden zijn aan te merken als feitelijk leidinggevenden van [naam 1] en ook beiden verantwoordelijk zijn te houden voor de verboden gedragingen, het vals opstellen van de leveringsbonnen en paklijsten. Niettemin kan [verdachte] een grotere leidinggevende rol worden toegedicht dan [naam 2] .

De valselijk opgemaakte leveringsbonnen en paklijsten

Niet alleen uit de genoemde verklaringen van [naam 2] , maar ook uit de beschikbare leveringsbonnen en paklijsten ‒ die in de tenlastelegging per zaak (1 t/m 5) onder feit 1 worden genoemd ‒ blijkt dat deze stukken in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. In dit verband zijn de leveringsbonnen en paklijsten ter zake van leveringen paardenvlees die door [naam 1] naar [naam 5] zijn verzonden, vergeleken met andere daaraan gerelateerde documenten die onderdeel uit maken van de goederenstromen. Dit gaat onder andere om in- en uitslagbonnen en inkooporders en worden hieronder opgesomd (volledigheidshalve worden tevens de contracten tussen [naam 1] en [naam 5] opgenomen).

Daaruit is te destilleren dat:

  • -

    door [naam 5] blijkens de inkooporders “beef meat” (rundvlees) dan wel de productaanduiding “minerai 3M12” (dat volgens het contract van 18 oktober 2012 tussen [naam 1] en [naam 5] rundvlees moet bevatten) is besteld;

  • -

    op inslagbonnen van [naam 11] / [naam 1] geen vleessoort, maar “minerai 90/10” is vermeld en het oorspronkelijke land van herkomst van het paardenvlees is vermeld, dus Canada, België of Ierland;

  • -

    op de uitslagbonnen van [naam 11] / [naam 1] geen vleessoort, maar “minerai 90/10” is vermeld of geen enkele andere productaanduiding en dat niet altijd het oorspronkelijke land van herkomst van het paardenvlees is vermeld;

  • -

    op de leveringsbonnen van [naam 1] aan [naam 5] geen vleessoort, maar “boneless forress 90/10” dan wel “3m12” is vermeld, en als land van herkomst “Roemenië” en/of “abattoir RO 083”;

  • -

    op de paklijsten van [naam 1] aan [naam 5] geen vleessoort, maar “BF 90/10” (klaarblijkelijk de afkorting van “boneless forress 90/10”) dan wel “3m12” is vermeld, telkens corresponderende met hetgeen op de daarbij behorende leveringsbon is vermeld, en als land van herkomst “Roemenië, nummer RO 83”.

Door in de stukken die naar [naam 5] zijn gestuurd niet de vleessoort op te nemen, alleen de samenstelling, het vleestype, hoedanigheid van het vlees, en een ander (maar nu Europees, zoals de koper wilde) land van herkomst te registreren, is telkens de suggestie gewekt dat het door [naam 5] bestelde rundvlees werd geleverd, terwijl in werkelijkheid paardenvlees werd geleverd.

De contracten tussen [naam 1] en [naam 5] :

- Document 71636:

Het verkoopcontract tussen [naam 1] en [naam 5] , d.d. 22 oktober 2012, met daarin de afspraak dat [naam 1] een hoeveelheid van 286.000 kg “90/10” aan [naam 5] zal leveren. Dit contract is ondertekend door [naam 2] , gezien de handtekeningen onder zijn verhoren, en voorzien van een stempel van [naam 1] .

Als contactpersoon is in het contract [verdachte] vermeld.

- Document 706 t/m 71137:

Het contract tussen [naam 1] en [naam 5] , ondertekend op 31 oktober 2012.

Bij factuurreferentie worden genoemd: Boneless Forres 90/10, Minerai 90/10 en 3M12.

In dit contract zijn opdrachtspecificaties opgenomen, zoals dat er rundvlees moet worden geleverd afkomstig van runderen waaraan bepaalde voorwaarden worden gesteld, dat het rundvlees oorspronkelijk afkomstig moet zijn uit een land van de Europese Unie en dat op een affiche bij elke pallet onder meer de aard van het product en het EEG- goedkeuring nummer moet worden vermeld.

Deze overeenkomst is ondertekend door [naam 2]38.

Zaak 1:

- Document 74139:

De inkooporder van [naam 5] ter attentie van [naam 1] , betreffende de levering op 28 januari 2013 van 22.000 kg Beef Meat Trimmings 90/10.

- Document 25040:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 21 januari 2013, container [nummer] herkomst Canada, Minerai 90/10, partij 99109.

- Document 23241:

De rekening van inklaring van [naam 12] te Antwerpen, ter attentie van [naam 1] , d.d. 31 januari 2013, 17-01 [nummer] , product: vlees van paarden.

- Document 25342:

De uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 25 januari 2013, container [nummer] bestemming [naam 5] , Minerai 90/10, 23.911, partij 99109, 26 europallets.

- Document 24743:

De leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 25 januari 2013, aangaande de levering van 23.911 kg Boneless Forres, afkomstig uit RO 083, abattoir RO 083.

- Documenten 248 en 24944:

De paklijsten van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 25 januari 2013, aangaande de levering van 23.912 kg (12.405,5 + 11.506,5) BF 90/10, EEG no. RO 083, herkomst Romania,

26 pallets.

Zaak 2:

- Document 74245:

De inkooporder van [naam 5] ter attentie van [naam 1] , betreffende een levering op

23 januari 2013 van 22.000 kg minerai 3M12.

- Document 27646:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 17 januari 2013, herkomst [naam 6] Rekkem-België, Minerai 90/10, partij 99109, 22.076, 22 pallets.

- Document 28347:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 14 januari 2013, herkomst Ierland, Minerai 90/10, partij 99092, 22.000.

- Document 28048:

De uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 21 januari 2013, partij 99101 [naam 6] Minerai 90/10 -22.076, partij 99092 ex-Ierland Minerai 90/10 -1.990 (22.076 + 1.990 = 24.066).

- Document 27349:

De leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 21 januari 2012, aangaande de levering van 24.067 kg “M12, afkomstig van RO 083, abattoir RO 083.

- Documenten 274 en 27550:

De paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 21 januari 2013, aangaande de levering van 24.067 kg (13.994 + 10.073) 3M12, afkomstig uit Roemenië, plant no. RO 083.

Zaak 3:

- Document 68151:

De inkooporder van [naam 5] d.d. 29 januari 2013 ter attentie van [naam 1] , betreffende een levering op 1 februari 2013 van 22.000 kg minerai 3M12.

- Document 28352:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 14 januari 2013, herkomst Ierland, partij 99092 Minerai 90/10, 22.000.

- Document 25053:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 21 januari 2013, container [nummer] herkomst Canada, Minerai 90/10, partij 99109.

- Document 29854:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 25 januari 2013, herkomst [naam 6] Rekkem België, partij 99125, Minerai 90/10, 21.475.

- Document 30455:

De uitslagbon van [naam 1] , d.d. 29 januari 2013, vermeldende bestemming [naam 5] , (partij 99093 Minerai 90/10 -3.460), partij 99092 Ex-Ierland Minerai 90/10 -1.003, partij 99109 [nummer] Minerai 90/10 -1.055, partij 99125 Minerai 90/10 -18.562. Totaal -24.080.

- Document 29556:

De leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 30 januari 2013, betreffende de levering van 24.080 kg 3M12, afkomstig uit RO 083, abattoir RO 083.

- Documenten 296 en 29757:

De paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 30 januari 2013, betreffende de levering van 24.081 kg (11.546,5 + 12.534,5) 3M12, afkomstig uit Roemenië, EEG no. RO 083.

Zaak 4:

- Document 69958:

De inkooporder van [naam 5] ter attentie van [naam 1] , betreffende een levering op

12 december 2012 van 22.000 kg beef meat trimmings 90/10.

- Document 53659:

De aangiftespecificatie, d.d. 20 november 2012, vermeldende aangever [naam 12] , vertegenwoordigde/geadresseerde [naam 1] , land van oorsprong en van verzending Canada, goederenomschrijving: bevroren vlees van paarden, netto 24.863, container [nummer]

- Document 54560:

De uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 7 december 2012, bestemming:

2 vrachten geladen naar [naam 5] , [nummer] , 90/10, -23.947.

- Document 68661:

De leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] d.d. 7 december 2012, betreffende de levering van 23.947 kg boneless forres 90/10, afkomstig uit Roemenië, abattoir RO 083.

- Documenten 687 en 68862:

De paklijst van [naam 1] aan [naam 5] d.d. 7 december 2012, betreffende de levering van 23.947 kg (12.437 + 11.510) BF 90/10, afkomstig uit Roemenië, plant no. RO 083.

Zaak 5:

- Document 71963:

De inkooporder van [naam 5] ter attentie van [naam 1] , betreffende een levering op

10 september 2012 van 22.000 kg beef meat trimmings 90/10.

- Document 26764:

De inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 28 augustus 2012, herkomst Canada, 2 containers vlees, partijnummer 98315.

- Document 26865:

De uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 10 september 2012, bestemming: geladen [naam 5] , partijnummer 98315,

-23.203.

- Document 73866:

De leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] d.d. 7 september 2012, betreffende de levering van 23.203 kg boneless forres 90/10, afkomstig uit Roemenië, abattoir RO 083.

- Documenten 722 en 72367:

De paklijst van [naam 1] aan [naam 5] d.d. 7 september 2012, betreffende de levering van 23.203 kg (10.204,5 + 12.998,5) BF 90/10, afkomstig uit Roemenië, EEG no. RO 083.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [naam 1] meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd en dat [verdachte] tezamen en in vereniging met [naam 2] aan deze strafbare gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

De periode waarin het bewezenverklaarde is begaan zal worden verkort, te weten van

7 september 2012 tot en met 31 januari 2013, omdat de eerste in de telastelegging genoemde documenten dateren van 7 september 2012.

feit 2:

Nu [verdachte] wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die samen met [naam 2] en de firma’s [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] zou zijn gevormd, ziet de rechtbank zich ten eerste voor de vraag gesteld in hoeverre deze (rechtspersonen) in verband staan met elkaar. Daarbij voortbordurend op de bewijsmiddelen, de bewijsoverwegingen en de bewezenverklaring die hierboven ten aanzien van feit 1 zijn opgenomen.

[medeverdachte]

De firma [medeverdachte] is op 11 juni 2008 ingeschreven in de Kamer van Koophandel te Cyprus. Van 9 april 2009 tot 29 april 2013 is aan deze firma het volgende adres gekoppeld: [adres] , Cyprus68.

Er bevindt zich een email d.d. 5 september 2008 van [verdachte] aan medewerkers van [naam 16] in het dossier, waarin [verdachte] het volgende schrijft: “We should like to start the activities in [medeverdachte] . Are you Ready? To make the letterhead and invoices I need the next information: Address in Cyprus, Fax No., Tel. No., Bank account number [medeverdachte] , Swift Number [medeverdachte] , Chamber of commerce number, V. A. T. Number.69” [naam 16] is een trustkantoor, een bedrijf dat zich bezig houdt met het beheer van (buitenlandse) vennootschappen, en is gevestigd op het voornoemde adres in Cyprus. Van 11 juni 2008 tot 29 april 2013 verleende [naam 16] diensten voor [medeverdachte]70.

Tijdens zijn verhoor bij de politie op 30 juni 2009 in het Cyclops-onderzoek heeft verdachte aangegeven dat hij op dat moment in vleeswaren handelde en dat hij dat deed via [medeverdachte] en dat dit zijn bedrijf is.71. In een later verhoor, in het onderhavige onderzoek, heeft hij aangegeven dat hij vanaf 2010 of 2011 actief was voor [medeverdachte] en dat hij vanaf 1 januari 2013 directeur was van deze onderneming72. Dit laatste volgt ook uit de opgevraagde bedrijfsgegevens van [medeverdachte] in Cyprus73.

[verdachte] heeft tevens op naam van [medeverdachte] op 17 juni 2008 een bankrekening geopend bij de [naam 17] , van welke rekening hij persoonlijk en ongelimiteerd bedragen mag opnemen74.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij binnen [medeverdachte] een aansturende rol heeft vervuld75.

[naam 3]

is op 17 november 2009 op de Britse Maagdeneilanden opgericht. Vanaf deze datum tot 29 april 2013 bevond [naam 3] zich onder beheer van [naam 16] , [adres] . [naam 18] , de dochter van verdachte [verdachte] , blijkt formeel de eigenaar van [naam 3] te zijn76. Als belangrijkste zakelijke activiteiten van [naam 3] is op 10 december 2009 opgegeven dat zij aandelen houdt in het Belgische bedrijf [naam 20] .77, welk bedrijf is gevestigd op het adres [adres] (België), zijnde tevens het woonadres van verdachte [verdachte]78. [naam 18] was destijds woonachtig op een ander adres in België, in Brasschaat79.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij naast [medeverdachte] [naam 3] vertegenwoordigde bij de handel in vlees en daarbij een aansturende rol heeft gehad. Hij vertegenwoordigde [naam 3] .80. [getuige 1] heeft ook aangegeven dat [verdachte] zowel voor [medeverdachte] als [naam 3] de gesprekspartner was.81

Uit bankgegevens volgt verder dat [verdachte] was gemachtigd door de Board of Directors van [naam 3] om te telebankieren/internetbankieren82.

[naam 4]

Evenals [naam 3] is [naam 4] opgericht op de Britse Maagdeneilanden, op

22 november 2010. Ook deze onderneming bevond zich onder het beheer van [naam 16] . De enige aandeelhouder was [naam 2]83. Op 14 januari 2013 is op naam van [naam 4] door [naam 2] bij de [naam 17] een bankrekening geopend8485.

[verdachte] heeft bij [naam 4] geïntervenieerd blijkens e-mails die hij op 21 en 23 november 2012 aan [naam 21] , “Corporate Administrator” van [naam 16] heeft verzonden en van haar heeft ontvangen aangaande de ondertekening van een “Letter of Engagement” door de “Beneficial Owner”, [naam 2] en het daartoe aanleveren van gegevens86.

Uit de eerder aangehaalde verklaring van [naam 14] is af te leiden dat [verdachte] facturen van [naam 4] naar [naam 2] / [naam 1] verstuurde.

Tussenconclusie

Uit hetgeen onder feit 1 is overwogen blijkt dat er ten tijde van de tenlastegelegde periode tussen [verdachte] en [naam 2] sprake is geweest van een intensief samenwerkingsverband. Gelet op hetgeen hierboven ten aanzien van [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] is overwogen, kan dit samenwerkingsverband breder worden getrokken. [medeverdachte] en [naam 3] zijn rechtstreeks te koppelen aan [verdachte] . Sterker nog: verklaard wordt dat [verdachte] [medeverdachte] en [naam 3] is en de rechtbank ziet dat feitelijk ook zo. [naam 4] heeft een duidelijke verbinding met [naam 2] . Daarnaast komt de inmenging van [verdachte] ook bij [naam 4] terug en deed [naam 2] (namens [naam 1] ) zaken met [medeverdachte] . De rechtbank kent in dit kader ook veel waarde toe aan de bevindingen van de verbalisanten ter zake van het onderzoek naar de adresgegevens van de firma’s [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] . Deze ondernemingen zijn kennelijk alle drie gevestigd op hetzelfde adres, te weten: [adres]87. Daarom bestaat verwevenheid tussen de natuurlijke personen [verdachte] en [naam 2] en hun bedrijven [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] .

De documenten

Deze verwevenheid is bovendien te herleiden uit de diverse facturen die met betrekking tot [naam 1] , [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] zijn opgemaakt.

De onder feit 1 genoemde goederenstromen komen telkens niet overeen met de daarbij behorende facturenstromen. Het paardenvlees lijkt op basis van de facturen een andere weg te hebben gevolgd dan de daadwerkelijk gevolgde route.

Zo blijkt in zaak 1 (in de tenlastelegging onder feit 1) dat de goederenstroom als volgt is verlopen: Vanuit [getuige 1] in Canada werd circa 23.911 kg vlees via inklaring bij [naam 12] in Antwerpen, België naar [naam 11] / [naam 1] te Breda vervoerd en werd het vlees vervolgens door [naam 5] in Frankrijk in ontvangst genomen. De facturenstroom betreffende dezelfde levering ziet er als volgt uit: Van [getuige 1] in Canada, naar [getuige 1] / [naam 13] in Frankrijk, naar [naam 3] , naar [naam 4] , naar [naam 1] en naar [naam 5] inzake 23.911 kg vlees. Opmerkelijk is dat bij de facturenstroom de bedrijven [naam 3] en [naam 4] zijn tussengevoegd.

In zaak 2 is in de keten van de facturen, anders dan in de goederenstroom, de firma [medeverdachte] tussengevoegd; tussen de leveranciers van het vlees in België en Ierland en [naam 1] .

Zaak 3 betreft partijen paardenvlees uit vier verschillende landen, waarvan drie landen in de facturenstroom de tussenkomst van [medeverdachte] laten zien en één land de tussenkomst van zowel [naam 3] als [naam 4] .

Zaak 4 vertoont in de facturenstroom de tussenkomst van [naam 3] . Tevens ligt er in deze zaak een creditfactuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , waarbij een hoeveelheid van 23.947 kilo “boneless fores 02050080” (de GN-code voor bevroren paardenvlees) wordt gecrediteerd, bijgeschreven voor een prijs per kilo van € 2,10 – welke prijs ook als inkoopprijs in de factuur van [naam 3] aan [naam 1] is opgenomen - en dezelfde hoeveelheid wordt gedebiteerd, in rekening gebracht voor een kiloprijs van € 2,50.

Een zelfde situatie doet zich voor in zaak 5, maar dan met [medeverdachte] als tussenstation. Ook hier is een creditnota van [medeverdachte] aan [naam 1] aanwezig, waarbij 23.203 kg “boneless fores 02050080” wordt gecrediteerd met een kiloprijs van € 2,10 en hetzelfde aantal kg wordt gedebiteerd voor een kiloprijs van € 2,50.

Hetzelfde bekende adres in Limassol, Cyprus van de verschillende bedrijven komt ook in de facturen terug.

[verdachte] heeft ter zitting aangegeven dat deze handelwijze niet ongewoon is en dat er wellicht een belastingtechnische reden aan de constructie met de tussenkomst van voormelde bedrijven in de keten van facturen ten grondslag ligt. Dit is niet geheel ondenkbaar, nu Cyprus een fiscaal gunstiger klimaat kent dan Nederland. Zo heeft dit land een laag tarief voor de vennootschapsbelasting. [naam 15] heeft daarover stelliger verklaard, dat [medeverdachte] op die grond is opgericht. Wat er ook van zij, met behulp van deze facturen kan in elk geval het samenwerkingsverband tussen de verschillende firma’s met [naam 1] , [verdachte] en [naam 2] nader worden aangetoond.

In de verklaringen van [naam 2] – wat eerder is aangegeven ‒ en in de verklaring van [verdachte] zelf komt naar voren dat [verdachte]88 grotendeels het vervaardigen van de (credit)facturen voor zijn rekening nam.

De creditfacturen behelzen enkel een mutatie van de inkoopprijs in het nadeel van [naam 1] . [naam 1] moet uiteindelijk een hogere inkoopprijs van het vlees betalen. Zo kon worden bereikt dat er opbrengsten werden onttrokken aan [naam 1] en deze werden bijgeschreven bij [medeverdachte] . Mogelijk om de behaalde winst van [naam 1] af te romen, om fiscale redenen en/of om [medeverdachte] / [verdachte] een hogere winst toe te kennen.

Voor alle vijf zaken geldt dat in de facturen duidelijk tot uiting komt dat het gaat om paardenvlees, behalve in de verkoopfacturen die ter attentie van [naam 5] zijn opgemaakt. Daarin wordt slechts melding gemaakt van het type vlees “boneless forres” of “3M12” en komt de vleessoort niet meer voor. Hier ziet de rechtbank een verband met de valselijk opgestelde palletkaarten, paklijsten en leveringsbonnen. Ook in die stukken, juist die naar [naam 5] werden verzonden, werd de vleessoort weggelaten (alsmede de daadwerkelijke herkomst van het vlees). Bezien in dit licht acht de rechtbank de verkoopfacturen bestemd voor [naam 5] eveneens valselijk opgemaakt.

Het vorenstaande betreft de volgende documenten:

Zaak 1:

- Document 25789:

De verkoopfactuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 25 januari 2013, 23.911 Boneless Forres.

- Document 23490:

De factuur/invoice van [naam 3] ter attentie van [naam 4] (hierna: [naam 4] ), [adres] , d.d. 16 januari 2013, vermeldende date 15-01-13, weight 24.984, description B/L Fores, container [nummer] under customs C+F Antwerp, origine Canada.

- Document 40991:

De factuur/invoice van [naam 4] , [adres] , ter attentie van [naam 1] , d.d. 18 januari 2013, vermeldende date 18-01-13, kg 24.984, description Boneless Forres, [nummer]

Zaak 2:

- Document 29492:

De verkoopfactuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 21 januari 2013, 24.067 3M12.

- Document 32693:

De factuur van [medeverdachte] ter attentie van [naam 1] , d.d. 9 januari 2013, date 14-01-13, kilo 22.000, description Robed Fore’s 02050080 (02050080 is de GN-code van paardenvlees94).

Zaak 3:

- Document 32295:

De verkoopfactuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 30 januari 2013, 24.080 3M12.

Zaak 4:

- Document 68996:

De verkoopfactuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 december 2012, 23.947 Boneless Forres, prijs 3,00, prijs totaal € 71.733,00.

- Document 70097:

De factuur van [naam 7] ter attentie van [naam 3] (hierna: [naam 3] ), [adres] , d.d. 26 november 2012, vermeldende Frigo [naam 11] , viande de cheval congelee (bevroren paardenvlees), venance Canada, horse meat 90, poids (gewicht) 24.863, conteneur [nummer] , prix unit. 1,94, montant 48.234,22.

- Document 53798:

De factuur/invoice van [naam 3] ter attentie van [naam 1] , d.d. 9 november 2012, date 09-11-12, weight 24.863, description Boneless Forres 90/10, price 2,10, amount/grand total 52.214,30.

- Document 86799:

De creditfactuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , d.d. 7 december 2012, Gel, alsmede:

- kilo -23.947, description Boneless Fores 02050080, prix par kg 2,10, montant EUR 50.288,70.

- kilo 23.947, description Boneless Fores, prix par kg 2,48, montant EUR 59.388,56.

Zaak 5:

- Document 724100:

De verkoopfactuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 september 2012, 23.203 Boneless Forres 80/20, prijs 3,00, prijs totaal € 69.609,00.

- Document 265101:

De factuur van [naam 7] ter attentie van [medeverdachte] , [adres] , d.d. 23 augustus 2012 livraison [medeverdachte] Frigo [naam 11] , viande de cheval congelee, venance Canada, poids 25.005,7, prix unit. 1,98, montant 49.511,29.

- Document 552102:

De factuur van [medeverdachte] ter attentie van [naam 1] , d.d. 20 augustus 2012, date 20-08-12, kilo 25.005,7, description Boneless Fores 02050080, origine Canada, prix par kilo 2,10, montant EUR total 52.511,97.

- Document 854103:

De creditfactuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , d.d. 7 september 2012, Gel, alsmede:

- kilo -23.203, description Boneless Fores 02050080, prix par kg 2,10, montant EUR 48.726,30.

- kilo 23.203, description paarddelen gevliest, prix par kg 2,50, montant EUR 58.007,50.

Conclusie

Gelet op al hetgeen is overwogen oordeelt de rechtbank, dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband, waarin de deelnemers – de natuurlijke personen én de rechtspersonen ‒ in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. [verdachte] stond aan het roer van de organisatie en werd hierin nauw bijgestaan door [naam 2] . De rechtspersonen [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] zijn door [verdachte] en [naam 2] in het leven geroepen om een bijdrage te leveren aan het behalen van grotere financiële, fiscale voordelen.

De organisatie waaraan werd deelgenomen had het plegen van misdrijven tot oogmerk, nu de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het valselijk opmaken van bescheiden om daarmee te verhullen dat er goedkoper paardenvlees als duurder rundvlees werd geleverd. De feitelijke werkzaamheden en het aandeel van een ieder daarbij is hierboven reeds uitvoerig aan bod gekomen. Uit deze bewijsvoering volgt dat [verdachte] aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie zowel aansturende als ondersteunende handelingen heeft verricht, waarin zijn wetenschap ten aanzien van dat oogmerk en daarmee zijn opzet op deelname aan de organisatie ligt besloten. Hetzelfde geldt voor [naam 2] , die na de veroordeling in de vorige strafzaak voornoemd, niet meer slechts als katvanger kan worden gezien.

Feit 2 kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen.

Op grond van de genoemde data in de als bewijsmiddel opgenomen documenten, wordt de tenlastegelegde periode waarin de criminele organisatie operationeel is geweest aangepast, namelijk van 7 september 2012 t/m 31 januari 2013.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

feit 1:

[naam 1] in de periode van 7 september 2012 tot en met 31 januari 2013, in de gemeente Breda, opzettelijk, 10 geschriften te weten:

(Zaak 1, AMB-11, pg 150 t/m 157 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livraison) van 25 januari 2013 (DOC-247, pg 324 proces-verbaal) en

  • -

    een paklijst (packing list) van 25 januari 2013 (DOC 248 en 249, pg 325 en 326 proces-verbaal) en

(Zaak 2, AMB-12, pg 161 t/m 168 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livraison) van 21 januari 2013 (DOC-273, pg 343 proces-verbaal) en

  • -

    een paklijst (packing list) van 21 januari 2013 (DOC 274 en 275, pg 344 en 345 proces-verbaal) en

(Zaak 3, AMB-13, pg 172 t/m 181 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livraison) van 30 januari 2013 (DOC 295, pg 355 proces-verbaal) en

  • -

    een paklijst (packing list) van 30 januari 2013 (DOC 296 en 297, pg 356 en 357 proces-verbaal) en

(Zaak 4, AMB-26, pg 185 t/m 191 proces-verbaal)

  • -

    een leveringsbon (Bon de Livraison) van 7 december 2012 (DOC 686, pg 577 proces-verbaal) en

  • -

    een paklijst (packing list) van 7 december 2012 (DOC 687 en 688, pg 578 en 579 proces-verbaal) en

(Zaak 5, AMB-27, pg 195 t/m 202 proces-verbaal)

- een leveringsbon (Bon de Livraison) van 7 september 2012 (DOC 738, pg 610 proces-verbaal) en

- een paklijst (packing list) van 7 september 2012 (DOC 722 en 723, pg 602 en 603 proces-verbaal)

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft opgemaakt, door telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid:

- op de leveringsbon van 25 januari 2013:

o als omschrijving 'Boneless Forres' te vermelden en

o niet te vermelden dat het geleverde product uit paardenvlees bestond en

  • -

    op de paklijst van 25 januari 2013 als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden, terwijl in werkelijkheid het product als herkomst Canada had en

  • -

    op de leveringsbon van 21 januari 2013:

o als omschrijving '3M12' te vermelden en

o niet te vermelden dat het product uit paardenvlees bestond en

  • -

    op de paklijst van 21 januari 2013 als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden, terwijl in werkelijkheid het product als herkomst België respectievelijk Ierland had en

  • -

    op de leveringsbon van 30 januari 2013:

o als omschrijving ’3M12' te vermelden en

o niet te vermelden dat het product uit paardenvlees bestond en

  • -

    op de paklijst van 30 januari 2013 als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden, terwijl in werkelijkheid het product als herkomst grotendeels België, Ierland en Canada had en

  • -

    op de leveringsbon van 7 december 2012:

o als omschrijving 'Boneless Forres 90/10 te vermelden en

o niet te vermelden dat het product uit paardenvlees bestond en

  • -

    op de paklijst van 7 december 2012 als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden, terwijl in werkelijkheid het product als herkomst Canada had en

  • -

    op de leveringsbon van 7 september 2012:

o als omschrijving 'Boneless Forres 90/10' te vermelden en

o niet te vermelden dat het product uit paardenvlees bestond en

- op de paklijst van 7 september 2012 als herkomst Roemenië (Romania) te vermelden

telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

terwijl verdachte samen en in vereniging met een ander aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

feit 2:

verdachte in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 januari 2013, in de gemeente Breda heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte met [naam 2] en [naam 1] . en [medeverdachte] . en [naam 3] en [naam 4] welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten:

  • -

    het plegen van valsheid in geschrift bestaande uit het valselijk opmaken van geschriften waaronder leveringsbonnen en paklijsten en facturen en palletkaarten

  • -

    het gebruikmaken van valse geschriften waaronder leveringsbonnen en paklijsten en facturen en palletkaarten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, de grootschaligheid van de fraude en de rol van [verdachte] als initiator en bedenker van de frauduleuze handelingen. Verder heeft zij rekening gehouden met de eerdere veroordeling van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht hooguit een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gezien de gevorderde leeftijd en de fragiele gezondheidstoestand van verdachte en het feit dat verdachte in andere strafzaken nog een gevangenisstraf van twee jaar dient te ondergaan en een bedrag van 2,6 miljoen euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet betalen. Daarnaast verzoekt hij het tijdsverloop in deze zaak in het voordeel van verdachte mee te laten wegen. Voorts wordt gesteld dat de voedselveiligheid niet in het geding is geweest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte zwaaide de scepter binnen een criminele organisatie, die zich in de periode van

7 september 2012 t/m 31 januari 2013 bezig heeft gehouden met het omkatten van paardenvlees naar rundvlees, waarvoor vervoersdocumenten en facturen valselijk zijn opgemaakt. Het ging hier telkens om leveringen door het Bredase bedrijf [naam 1] aan het Franse bedrijf [naam 5] . Door [naam 5] werd bij [naam 1] herhaaldelijk Europees rundvlees besteld, maar zij kreeg paardenvlees geleverd. Vanuit [naam 1] , in de personen van verdachte en medeverdachte [naam 2] , werd op de documenten die naar [naam 5] werden verzonden de productaanduiding dat het vlees paardenvlees betrof welbewust weggelaten en werd een ander land van herkomst vermeld dan het land waar het paardenvlees daadwerkelijk vandaan kwam. Een groot deel van het geleverde paardenvlees was afkomstig uit Canada en voldeed om die reden al niet aan de tussen [naam 1] en [naam 5] overeengekomen eisen. [naam 5] bestelde rundvlees uit Europa. Door verdachte en [naam 2] zijn de op Cyprus gevestigde bedrijven [medeverdachte] , [naam 3] en [naam 4] opgericht en ingezet om daarmee binnen de organisatie extra opbrengsten te kunnen genereren.

De rechtbank rekent verdachte het bewezenverklaarde zwaar aan. Hij heeft zich ingelaten met zeer verwerpelijk illegale handelspraktijken binnen de vleessector. [naam 5] mocht erop vertrouwen, gelet op de vastgelegde afspraken in de contracten met [naam 1] en de inkooporders, dat Europees rundvlees zou worden geleverd. Daaropvolgend mochten ook de afnemers van [naam 5] , die het vlees doorgaans verwerkten in kant-en-klaar maaltijden, erop vertrouwen dat zij rundvlees hadden ingekocht. Ditzelfde geldt tot slot voor de consument, die zich aan het einde van deze productie- of voedselketen bevindt. Die mag er van uitgaan dat, als een producent op de verpakking van een artikel als ingrediënt rundvlees vermeldt, dat er dan ook daadwerkelijk rundvlees in zit en dat op het vlees de controles volgens de Europese voedsel- en warenautoriteiten zijn uitgeoefend. Het consumenten- en producentenvertrouwen is dan ook in aanzienlijke mate aangetast door de praktijken van verdachte.

Om de voedselveiligheid te kunnen waarborgen is het van belang dat levensmiddelen in alle fases van de productie, verwerking en distributie traceerbaar zijn. Als blijkt dat een levensmiddel onveilig is en uit de handel moet worden gehaald, omdat bijvoorbeeld parasieten, het norovirus of bacteriën als listeria en salmonella in het voedsel terecht zijn gekomen, dan moeten de besmette partijen voedsel spoedig opgespoord kunnen worden. Anders lopen consumenten het risico om ernstig ziek te worden of om zelfs te overlijden.

Omdat verdachte opzettelijk het daadwerkelijke land van herkomst van het vlees op documenten verborgen heeft, heeft hij – anders dan door de raadsman is betoogd ‒ de veiligheid van voedsel en daaraan gekoppeld de gezondheid van mensen in gevaar gebracht.

[naam 5] zal ongetwijfeld fikse verliezen hebben moeten incasseren, want het bedrijf heeft vanwege het paardenvleesschandaal, dat groots in de media is uitgelicht, een slechte reputatie gekregen. Uit het dossier blijkt dat er ook medewerkers van dit bedrijf gedwongen zijn ontslagen.

De Nederlandse vleeshandel heeft mede door toedoen van verdachte eveneens imagoschade opgelopen, met grote nadelige economische en financiële gevolgen voor de bedrijven die zich wel aan de regels houden en vermelden wat ze leveren.

Verder was sprake van oneerlijke concurrentie, omdat het zogenaamde rundvlees door [naam 1] goedkoper op de afzetmarkt kon worden aangeboden.

Verdachte heeft alleen zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad en heeft niets of niemand ontzien om dat te realiseren.

De persoonlijke omstandigheden

De rechtbank neemt de persoonlijke omstandigheden van verdachte in ogenschouw, zoals die ter zitting door de verdediging naar voren zijn gebracht.

De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met het feit dat hij eerder is veroordeeld ter zake van gelijksoortige strafbare feiten, zoals ook onder de bewijsoverwegingen aan de orde is gesteld. In dit verband wordt het verdachte zwaar aangerekend dat hij in de periode tussen de veroordeling door de rechtbank op 18 januari 2012 en de behandeling van zijn hoger beroep door het hof op 2 mei 2013 zijn handel op de oude, clandestiene manier heeft voortgezet. Hij heeft slechts getracht met constructies zijn rol daarin nog verder te verdoezelen.

Voorts is acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd.

Tussenconclusie

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de feiten, de initiërende en aansturende rol van verdachte en de recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar een passende strafrechtelijke reactie is.

Een voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman is verzocht, zou onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten.

Strafvermindering

De rechtbank heeft van de officier van justitie ter zitting begrepen dat verdachte in 2019 in Frankrijk ter zake van een vergelijkbare vleesfraudezaak is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Nu dit een vergelijkbare vleesfraudezaak betreft ‒ aangaande de handelsstroom van [naam 1] naar een andere Franse afnemer, [bedrijf] , die zich in dezelfde periode als in de onderhavige zaak heeft afgespeeld, zal de rechtbank naar analogie van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht met de in Frankrijk aan verdachte opgelegde straf rekening houden.

Voorts houdt de rechtbank ermee rekening dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden), is overschreden. Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat er in eerste aanleg een eindvonnis wordt uitgesproken binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Die termijn start vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De betekening van de dagvaarding aan verdachte op 13 oktober 2015 kan in deze zaak als een zodanige handeling worden opgevat. Het eindpunt is in dit geval de datum van de uitspraak in eerste aanleg van deze rechtbank: 25 maart 2021. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer 5 jaar en 5 maanden is overschreden. Er zijn aanwijzingen dat de overschrijding onder andere het gevolg is geweest van een beperkte zittingscapaciteit, van het wachten op informatie uit rechtshulpverzoeken in Cyprus in het voorbereidend onderzoek en van omstandigheden die zijn gerelateerd aan het verblijf van verdachte in Spanje, zijn geschorste detentie aldaar, een geldend Europees Arrestatiebevel en zijn wens om toch ter zitting (al dan niet middels een videoconferentie) een verklaring af te leggen. Nu in elk geval niet kan worden gesteld dat de vertraging van de procesgang in overwegende mate is veroorzaakt door verdachte, zal de overschrijding ten gunste van verdachte worden verrekend in de strafmaat.

De rechtbank hanteert hiervoor een strafkorting van twintig procent.

Conclusie

Dit geeft als einduitkomst dat verdachte zal worden veroordeeld tot (afgerond) een gevangenisstraf van 28 maanden.

7 De benadeelde partij
De firma [naam 22] , gevestigd te Manosque in Frankrijk, heeft zich als benadeelde partij gesteld en vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 22.600.000 ter zake van economische schade en € 200.000,00 ter zake van imagoschade.

De rechtbank overweegt hierover het navolgende.

[naam 22] presenteert zich in haar partijstelling als: (voorheen [naam 5] ). Door [naam 22] is niet gesteld en onderbouwd dat haar (huidige) naam behoort tot dezelfde rechtspersoon die ook onder de naam [naam 5] actief was en voorts is niet gesteld of gebleken dat [naam 22] rechtsopvolger onder algemene titel van [naam 5] is.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift, opzettelijk

begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 maanden;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [naam 22] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Broeders en mr. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 93780, onderzoek Minstroom, van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, Ministerie van Economische Zaken, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 934, en als bijlagen een aanvullend proces-verbaal in map AMB-39 en het financieel rapport. Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 13 april 2016, pagina 2, 3 en 8 van 19, in map AMB-39.

2 De verklaring van [verdachte] afgelegd ter zitting op 26 februari 2021.

3 De verklaring van [verdachte] afgelegd ter zitting op 26 februari 2021.

4 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 13 april 2016, pagina 7 van 19 in map AMB-39.

5 Het geschrift, zijnde een verkoopcontract tussen [naam 1] en [naam 5] , d.d. 22 oktober 2012, pagina 599.

6 Het geschrift, zijnde een vertaling van een contract inhoudende productspecificaties tussen [naam 1] en [naam 5] d.d. 31 oktober 2012, pagina 589, 593 en 594.

7 De verklaring van [verdachte] afgelegd ter zitting op 26 februari 2021.

8 Het vertaalde proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 17 september 2013, pagina 529 en 530.

9 Het geschrift, zijnde het uittreksel van de Kamer van Koophandel betreffende [naam 1] . d.d. 05 april 2013, pagina 95 en 96.

10 Het geschrift zijnde het gespreksverslag betreffende het verhoor van [naam 2] , d.d. 21 februari 2013, pagina 54.

11 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 13 maart 2013, pagina 71.

12 Het geschrift, zijnde het gespreksverslag betreffende het verhoor van [naam 2] , d.d. 21 februari 2013, pagina 54 en 55.

13 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 1 maart 2013, pagina 61.

14 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 21 februari 2013, pagina 72.

15 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 1 maart 2013, pagina 61.

16 Het geschrift, zijnde het gespreksverslag betreffende het verhoor van [naam 2] , d.d. 21 februari 2013, pagina 56.

17 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 1 maart 2013, pagina 62.

18 Het geschrift, zijnde het gespreksverslag betreffende het verhoor van [naam 2] , d.d. 21 februari 2013, pagina 55 t/m 57.

19 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 13 maart 2013, pagina 72.

20 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] , d.d. 13 april 2016, pagina 2 van 19 in map AMB-39.

21 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 13 maart 2013, pagina 73.

22 Het geschrift, zijnde het gespreksverslag betreffende het verhoor van [naam 2] , d.d. 21 februari 2013, pagina 57.

23 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] , d.d. 3 april 2013, pagina 75 en 76.

24 Het vertaalde proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 17 september 2013, pagina 528 t/m 531.

25 Het vertaalde proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 534 en 535.

26 Het vertaalde proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 september 2013, pagina 492 t/m 494.

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 14] d.d. 26 juni 2013, pagina 121 en 122.

28 Het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch jegens [verdachte] , parketnummer 20-000388-12.

29 Het vonnis van de rechtbank Breda jegens [verdachte] , parketnummer 02-997507-09.

30 Het proces-verbaal van verhoor K. [naam 15] d.d. 9 juli 2009, pagina 111 t/m 113 in de map financieel rapport.

31 Het proces-verbaal van verhoor [naam 2] d.d. 3 april 2014, pagina 76.

32 Het geschrift, zijnde een email van [verdachte] (namens [mailadres 1] ) in de Franse taal aan [mailadres 3] d.d. 7 mei 2012, pagina 380 en 381.

33 De zaaksprocessen-verbaal, pagina 154, 165, 178, 190, 199.

34 ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest).

35 ECLI:NL:HR:2016:733.

36 Het geschrift, zijnde een verkoopcontract tussen [naam 1] en [naam 5] , d.d. 22 oktober 2012, pagina 599.

37 Het geschrift, zijnde een contract met productspecificaties tussen [naam 1] en [naam 5] d.d. 31 oktober 2012, de Nederlandse vertaling, pagina 589, 593 en 594.

38 Het geschrift, zijnde een contract met productspecificaties tussen [naam 1] en [naam 5] d.d. 31 oktober 2012, pagina 598.

39 Het geschrift, zijnde een inkooporder van [naam 5] aan [naam 1] , d.d. 24 januari 2013, pagina 613.

40 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 21 januari 2013, pagina 327.

41 Het geschrift, zijnde een rekening van inklaring van [naam 12] aan [naam 1] , d.d. 31 januari 2013, pagina 313.

42 Het geschrift, zijnde een uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 25 januari 2013, pagina 328.

43 Het geschrift, zijnde een leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 25 januari 2013, pagina 324.

44 Het geschrift, zijnde een paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 25 januari 2013, pagina 325 en 326.

45 Het geschrift, zijnde een inkooporder van [naam 5] aan [naam 1] , d.d. 18 januari 2013, pagina 614.

46 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 17 januari 2013, pagina 346.

47 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 14 januari 2013, pagina 350.

48 Het geschrift, zijnde een uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 21 januari 2013, pagina 349.

49 Het geschrift, zijnde een leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 21 januari 2012, pagina 343.

50 Het geschrift, zijnde een paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 21 januari 2013, pagina 344 en 345.

51 Het geschrift, zijnde een inkooporder van [naam 5] aan [naam 1] , d.d. 29 januari 2013, pagina 585.

52 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 14 januari 2013, pagina 350.

53 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 21 januari 2013, pagina 327.

54 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 25 januari 2013, pagina 358.

55 Het geschrift, zijnde een uitslagbon van [naam 1] , d.d. 29 januari 2013, pagina 362.

56 Het geschrift, zijnde een leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 30 januari 2013, pagina 355.

57 Het geschrift, zijnde een paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 30 januari 2013, pagina 356 en 357.

58 Het geschrift, zijnde een inkooporder van [naam 5] aan [naam 1] , d.d. 7 december 2012, pagina 585.

59 Het geschrift, zijnde een aangiftespecificatie van [naam 12] . aan [naam 1] , d.d. 20 november 2012, pagina 536.

60 Het geschrift, zijnde een uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 7 december 2012, pagina 461.

61 Het geschrift, zijnde een leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 december 2012, pagina 577.

62 Het geschrift, zijnde een paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 december 2012, pagina 578 en 579.

63 Het geschrift, zijnde een inkooporder van [naam 5] aan [naam 1] , d.d. 31 augustus 2012, pagina 601.

64 Het geschrift, zijnde een inslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 28 augustus 2012, pagina 339.

65 Het geschrift, zijnde een uitslagbon van [naam 11] en [naam 1] , d.d. 10 september 2012, pagina 268.

66 Het geschrift, zijnde een leveringsbon van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 september 2012, pagina 610.

67 Het geschrift, zijnde een paklijst van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 september 2012, pagina 602 en 603.

68 Het geschrift, zijnde de vertaalde informatie van de afdeling van de Kamer van Koophandel en de officiële ontvanger betreffende [medeverdachte] , document 1027 en 1028 in map AMB-39.

69 Het geschrift, zijnde een email van [verdachte] aan medewerkers van [naam 16] d.d. 5 september 2008, pagina 51 in map financieel rapport.

70 Het geschrift, zijnde de vertaalde informatie van de afdeling van de Kamer van Koophandel en de officiële ontvanger betreffende [medeverdachte] , document 1032 in map AMB-39.

71 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 30 juni 2009, pagina 292 in map financieel rapport.

72 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 13 april 2016, pagina 3 van 19 in map AMB-39.

73 Het geschrift, zijnde de vertaalde informatie van de afdeling van de Kamer van Koophandel en de officiële ontvanger betreffende [medeverdachte] , document 1029 in map AMB-39.

74 Het geschrift, zijnde een bank account advice sheet betreffende [medeverdachte] , pagina 55 in map financieel rapport.

75 De verklaring van [verdachte] afgelegd ter zitting op 26 februari 2021.

76 Het geschrift, zijnde een informatiebrief van advocatenkantoor [naam 19] te Limassol Cyprus aan het Ministerie van Justitie en Openbare Orde, d.d. 16 september 2015, inhoudende de opdracht tot het tonen van documenten van de onderneming [naam 3] , document 1060 en 1061 in map AMB-39.

77 Het geschrift, zijnde de declaration/undertaking given by introducer/s, [naam 16] (Cyprus) is being the Introducer of [naam 3] d.d. 10 december 2009, document 1090 t/m 1094 in map AMB-39.

78 Het geschrift, aangaande samenvatting vestigingsadres [medeverdachte] - [naam 3] - [naam 4] , Bijlage 01 Financieel rapport FA/249, document 1119 in map AMB-39.

79 Het geschrift, zijnde de application for customer enrolment -individual inhoudende het adres van [naam 18] , document 1096 in map AMB-39.

80 De verklaring van [verdachte] , afgelegd ter zitting op 26 februari 2021.

81 Het vertaalde proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 september 2013, pagina 493.

82 Het geschrift, aangaande de machtiging van [verdachte] door de Board of Directors van [naam 3] , inzake telebankieren/internetbankieren, document 1078 in map AMB-39.

83 Het geschrift, zijnde een vertaalde informatiebrief van advocatenkantoor [naam 19] te Limassol Cyprus aan het Ministerie van Justitie en Openbare Orde, d.d. 16 september 2015, inhoudende de opdracht tot het tonen van documenten van de onderneming [naam 4] , document 1059 in map AMB-39.

84 Het geschrift, zijnde het bank account data sheet van [naam 16] betreffende [naam 4] , pagina 615.

85 Het geschrift, zijnde bankgegevens van de [naam 17] betreffende [naam 4] / [naam 2] , pagina 616 en 617.

86 Het geschrift, zijnde diverse mails tussen [verdachte] en [naam 16] d.d. 21 en 23 november 2012, pagina 618 en 619.

87 Het geschrift, aangaande samenvatting vestigingsadres [medeverdachte] - [naam 3] - [naam 4] Bijlage 02 Financieel rapport FA/249, document 1134 in map AMB-39.

88 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 13 april 2016, pagina 14 t/m 16 van 19 in map AMB-39.

89 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 25 januari 2013, pagina 330.

90 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 3] aan [naam 4] , d.d. 16 januari 2013, pagina 315.

91 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 4] aan [naam 1] , d.d. 18 januari 2013, pagina 399.

92 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 21 januari 2013, pagina 354

93 Het geschrift, zijnde een factuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , d.d. 9 januari 2013, pagina 376.

94 Het stamproces-verbaal, pagina 167.

95 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 30 januari 2013, pagina 372.

96 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 december 2012, pagina 580.

97 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 13] aan [naam 3] , d.d. 26 november 2012, pagina 586.

98 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 3] aan [naam 1] , d.d. 9 november 2012, pagina 458.

99 Het geschrift, zijnde een creditfactuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , d.d. 7 december 2012, pagina 914.

100 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 1] aan [naam 5] , d.d. 7 september 2012, pagina 604.

101 Het geschrift, zijnde een factuur van [naam 13] aan [medeverdachte] , 23 augustus 2012, pagina 337.

102 Het geschrift, zijnde een factuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , d.d. 20 augustus 2012, pagina 464.

103 Het geschrift, zijnde een creditfactuur van [medeverdachte] aan [naam 1] , d.d. 7 september 2012, pagina 902.