Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1433

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
02/310705-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor onder meer brandstichting, diefstal en aanranding van twee ambulanceverpleegkundigen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/310705-20

vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de P.I. Vught te Vught,

raadsvrouw mr. I.M. d’Hont, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 maart 2021, waarbij de officier van justitie, mr. T.C.M. Hendriks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens zijn de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan verdachte worden vijf feiten tenlastegelegd. De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen is ontstaan subsidiair vernieling, diefstal in een woning waar verdachte zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, huisvredebreuk en aanranding van twee ambulanceverpleegkundigen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen, waarbij hij zich heeft gebaseerd op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank acht feit 1 (primair) tot en met feit 5 wettig en overtuigend bewezen op grond van de in de bewijsmiddelen opgenomen redengevende feiten en omstandigheden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 primair

op 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam opzettelijk brand heeft gesticht door op een balkon van een woning open vuur in aanraking te brengen met een hoofdkussen en een fotolijst en kleding ten gevolge waarvan brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor een houten kozijn en houten deuren van die woning en uiteindelijk de gehele woning, te duchten was;

Feit 2

op 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, in een

woning gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een laptop, die geheel aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 3

in de periode van 2 tot en met 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, in de woning gelegen aan de [adres] bij een ander, bij anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

Feit 4

op 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, door een feitelijkheid, te weten met een onverhoedse beweging [naam 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, te weten het vastpakken en vasthouden van het kruis;

Feit 5

op 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, door een feitelijkheid, te weten met een onverhoedse beweging [naam 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken van en knijpen in de billen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 tot en met feit 5 gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waarbij geen sprake is geweest van een vooropgezet plan van verdachte. Verdachte leefde op straat en vond onderdak in de leegstaande woning. Volgens de raadsvrouw heeft een langere gevangenisstraf dan het al ondergane voorarrest van drie maanden geen toegevoegde waarde. Verdachte wil graag terugkeren naar Hongarije. De raadsvrouw acht een gevangenisstraf van vier maanden meer passend. Wanneer verdachte vrijkomt, zal hij meteen in vreemdelingenbewaring worden geplaatst en aansluitend worden uitgezet: hij zal de Nederlandse samenleving dus geen verdere overlast bezorgen. Eventueel kan daarnaast preventief een voorwaardelijke straf aan verdachte worden opgelegd voor het geval verdachte zou terugkeren naar Nederland, aldus de raadsvrouw.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is op 6 december 2020 in de woning in gebruik bij [naam 3] en zijn broer zonder toestemming binnengedrongen en heeft daar enige tijd verbleven. Op 7 december 2020 heeft verdachte op het balkon van de woning een fotolijst, een kussensloop en kleding in brand gestoken. Hierdoor is een brand ontstaan waarbij volgens de brandweer het risico op een grotere woningbrand aanzienlijk was. Verdachte is vervolgens door de ter plaatse gekomen brandweer naar buiten geleid, waarbij hij de laptop [naam 3] onder zijn trui heeft verstopt en uit de woning heeft meegenomen. Ter plaatse is verdachte door twee ambulanceverpleegkundigen onderzocht vanwege mogelijke inademing van rook. Terwijl ambulanceverpleegkundige [naam 1] hulp verleende aan verdachte, heeft verdachte onverhoeds met zijn hand in haar kruis gegrepen en haar daar vastgehouden. [naam 1] heeft de hand van verdachte weggeslagen, is de de ambulance uitgestapt en heeft verdachte toegeroepen dat hij de ambulance moest verlaten. Verdachte heeft na het uitstappen de billen van de andere ambulanceverpleegkundige, [naam 2] , vastgepakt en hij heeft daarin geknepen.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij twee ambulanceverpleegkundigen tijdens hun werk heeft aangerand. Zij waren ter plaatse om aan verdachte medische hulp te verlenen, nota bene vanwege een brand die verdachte zelf had aangestoken, en verdienden het respect van verdachte in plaats van zijn ongewenste en ongepaste seksuele gedragingen. Nadat [naam 1] verdachte al duidelijk had gemaakt dat zijn grensoverschrijdende gedrag niet werd getolereerd, heeft hij ook nog [naam 2] aangerand. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, maar ook hun gevoel van veiligheid aangetast. Uit het dossier en uit de vorderingen tot schadevergoeding die de slachtoffers hebben ingediend, blijkt dat dit voorval forse gevolgen voor hen heeft gehad. Ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken dat verdachte werkelijk doordrongen is van het kwalijke van zijn gedrag en de gevolgen van zijn handelen.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken. Brandstichting is een zeer ernstig feit en als reactie op dit soort feiten past in beginsel dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank houdt er rekening mee dat in dit geval de brand is gesticht op het balkon van de leegstaande woning en dat daarvan wel gevaar voor de woning is ontstaan, maar niet voor personen.

Een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, acht de rechtbank gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, niet passend. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden. Zij ziet geen aanleiding om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen, mede gelet op de wens van verdachte om terug te keren naar Hongarije, waarmee ook het opleggen van eventuele voorwaarden zoals een reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar zal zijn.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [naam 1] vordert een immateriële schadevergoeding van € 550,00 voor feit 4. De benadeelde partij [naam 2] vordert een immateriële schadevergoeding van € 250,00 voor feit 5.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is hun schade te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van deze bewezenverklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door beide benadeelde partijen voldoende aannemelijk gemaakt.

De rechtbank zal daarom beide vorderingen toewijzen, inclusief de wettelijke rente.

De rechtbank zal ten behoeve van voornoemde benadeelde partijen ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 138, 157, 246 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart de tenlastegelegde feiten 1 (primair) en 2 tot en met 5 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat de bewezenverklaarde feiten de volgende strafbare feiten opleveren:

feit 1 primair: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 2: diefstal in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

feit 3: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

feit 4: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 5: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging ten aanzien van feit 1 (primair) en feit 2 tot en met feit 5

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [naam 1] ten aanzien van feit 4

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] van € 550,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 1] , € 550,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 11 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [naam 2] ten aanzien van feit 5

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] van € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2] , € 250,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. D.L.J. Martens en mr. J. van Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. de Haas en mr. I.J.A.M. Balemans, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 maart 2021.

mr. Van Riet en mr. Balemans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam opzettelijk brand heeft gesticht door (op een balkon van een woning) open vuur in aanraking

te brengen met een hoofdkussen en/of een fotolijst en/of kleding, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan dat hoofdkussen en/of die fotolijst en/of kleding, althans een

of meer brandbare stoffen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een houten kozijn en/of houten deuren (van die

woning) en/of (uiteindelijk) de gehele woning, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

(art. 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam opzettelijk en wederrechtelijk een hoofdkussen en/of een fotolijst en/of kleding en/of een deel/delen van een balkon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(art. 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, in een

woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres] alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een laptop/computer, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art. 310 Wetboek van Strafrecht, art. 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht)

3

hij in of omstreeks de periode van 2 tot en met 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam in de woning, gelegen aan de [adres] bij een ander, te weten bij [naam 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

(art. 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten met een onverhoedse beweging [naam 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het vastpakken en/of vasthouden van het kruis en/of de schaamstreek;

(art. 246 Wetboek van Strafrecht)

5

hij op of omstreeks 7 december 2020 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid, te weten met een onverhoedse beweging [naam 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het vastgrijpen/vastpakken van en/of knijpen in de billen;

(art. 246 Wetboek van Strafrecht).

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en door de verdediging is geen vrijspraak bepleit. Daarom kan op grond van de wet worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een pagina van het eindproces-

verbaal met dossiernummer PL2000-2020323246, van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, district de Baronie, basisteam Markdal, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 63.

Feit 1 (primair)

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 maart 2021, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 7 december 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant] , pagina 7 t/m 9;

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , pagina 40 en 41.

Feit 2

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 maart 2021, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 7 december 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant] , pagina 7 t/m 9;

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] , pagina 40 en 41.

Feit 3

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 maart 2021, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 7 december 2020;

- het proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant] , pagina 7 t/m 9;

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 3] , pagina 40 en 41.

Feit 4

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 maart 2021, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 7 december 2020;

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] , pagina 44 en 45.

Feit 5

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 12 maart 2021, in onderling verband en samenhang bezien met de bij de politie afgelegde verklaring op 7 december 2020;

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] , pagina 46 en 47.