Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1420

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
02-016085-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

diefstal sleutelbos, vrijspraak van geweldshandelingen omdat die niet zien op die diefstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02-016085-20

vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ,

raadsman mr. M.H.H. Meulmeesters, advocaat te Zeist.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 maart 2021, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met toepassing van geweld een fietssleutel heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen met gebruik van een taser en ander geweld de fietssleutel van aangever heeft gestolen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bekend dat hij de fietssleutel heeft gestolen. De verdediging is van mening dat het gebruik van de taser niet kan worden bewezen. Verder was tussen verdachte en de medeverdachten onderling afgesproken dat er geen wapens gebruikt zouden worden. Als er toch een mes is gebruikt dan dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken, want hij had niet ingestemd met het gebruik van een mes.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte en drie medeverdachten een plan hadden gemaakt om aangever te beroven van zijn jas. Het plan hield het volgende in. Eén mededader zou met aangever een afspraak maken om elkaar te ontmoeten op de plek waar de latere diefstal plaatsvond, om de jas van aangever te kopen. Nadat de medeverdachte de jas zou hebben gepast zou hij zeggen dat die niet paste en weggaan. Verdachte en de andere twee medeverdachten zouden dan vervolgens aangever overvallen en de jas van hem stelen.

De afspraak is gemaakt en het plan werd uitgevoerd zoals afgesproken. Verdachte en twee medeverdachten hebben aangever met zijn fiets tot stilstaan gebracht door hem vast te houden. Ook is aangever geslagen. Het is echter niet gelukt om aangever te beroven van zijn jas, omdat hij kans zag te vluchten. Nadat aangever was gevlucht heeft verdachte de fiets van aangever op slot gezet en de sleutelbos meegenomen. De sleutelbos werd later aangetroffen in de auto waarin verdachte en de twee medeverdachten reden.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat het toegepaste geweld niet zag op de diefstal van de sleutelbos, maar dat dit geweld werd toegepast in verband met de (mislukte) diefstal van de jas van aangever. Het geweld had daarmee geen relatie met de diefstal van de sleutelbos, zodat de rechtbank verdachte vrij zal spreken van de tenlastegelegde geweldshandelingen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de sleutelbos met daaraan de fietssleutel heeft gestolen. Nu uit het dossier niet blijkt dat daarbij sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten zal de rechtbank verdachte eveneens vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 18 januari 2020 te Terneuzen op de openbare weg, te weten de Evertsenlaan,

een sleutelbos, die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te

weten aan [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toepassing van het jeugdstrafrecht. Hij heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie die gelijk is aan de duur van het voorarrest en een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft erop gewezen dat in de straforiëntatiepunten voor minderjarigen een taakstraf van 60 uur is genoemd voor een diefstal met geweld. Aangezien verdachte

26 dagen in voorarrest heeft gezeten is daarmee het straforiëntatiepunt al bijna bereikt. Daarbij komt dat het bevel tot voorlopige hechtenis bijna een jaar geschorst is geweest en verdachte zich al die tijd aan de daarbij gestelde bijzondere voorwaarden heeft moeten houden. Hij heeft zich goed aan die voorwaarden gehouden, hij heeft de Cova-training gedaan en enige tijd een enkelband gedragen. Hij heeft zijn opleiding afgemaakt en hij werkt nog steeds. Hij heeft afstand genomen van zijn vrienden. Gelet op al deze omstandigheden heeft de verdediging voorgesteld om een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, eventueel nog aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel met een proeftijd van één jaar.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft aangever met twee anderen ’s nachts in de bosjes opgewacht, hem achterna gezeten, met geweld van zijn fiets afgetrokken en geprobeerd zijn jas te stelen. Het moet voor aangever, die na een worsteling had kunnen ontkomen, een onaangename ontdekking zijn geweest toen hij, eenmaal terug bij zijn fiets, erachter kwam dat hij niet naar huis of de politie kon. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij onder deze omstandigheden de fiets van aangever op slot heeft gezet en de sleutelbos heeft meegenomen.

Uit het strafblad van verdachte van 4 februari 2021 komt naar voren dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen. Gelet op een strafbeschikking van 27 januari 2020 zal de rechtbank rekening houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Reclassering Nederland heeft op 7 februari 2020 en 4 maart 2021 gerapporteerd. Het laatste rapport betreft een voortgangsverslag over het verloop van het toezicht tijdens de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. De reclassering schat het risico op herhaling in het laatste rapport in als laag. Tijdens het schorsingstoezicht kwam naar voren dat impulsiviteit een factor is die heeft meegespeeld bij het plegen van het feit. Hieraan is tijdens de Cova-training aandacht besteed. Tijdens de training heeft verdachte geleerd zijn impulsen beter te beheersen, aldus de reclassering.

De reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Er is geen sprake van

cognitieve beperkingen, maar volgens de reclassering wel van (leeftijdsgebonden) impulsiviteit en beïnvloedbaarheid. Verdachte is schoolgaand en de reclassering acht hem nog niet geheel in staat de risico’s van zijn handelen in te schatten en te overzien.

De reclassering heeft geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering is van mening dat het afronden van de Cova-training voldoende heeft

bijgedragen aan het besef wat de gevolgen kunnen zijn van verkeerde of impulsieve keuzes. De reclassering acht verdachte in staat een werkstraf uit te voeren.

Hoewel verdachte ten tijde van het delict 19 jaar oud was, zal de rechtbank het minderjarigenrecht toepassen. De rechtbank ziet hiertoe met de reclassering, de officier van justitie en de raadsman aanleiding, gelet op de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Gelet op het voorgaande en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd acht de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uur passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 77c, 77g, 77m, 77n en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 (veertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf naar rato van 2 uur per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gillesse, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. A.B. Scheltema Beduin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 maart 2021.

Mr. Gillesse en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

9 Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 januari 2020 te Terneuzen op de openbare weg, te weten de

Evertsenlaan, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een sleutelbos, althans een fietssleutel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die

[aangever] van zijn fiets te trekken en/of vast te houden en/of te slaan/stompen en/of

een mes te tonen en/of te taseren en/of daarbij dreigend de woorden toe te

voegen "jas uit!";

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2

ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2020015689 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 219.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 12-13 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 18 januari 2020, omstreeks 02:12 uur, kregen wij, verbalisanten, een melding van de dienstdoende centralist van de politiemeldkamer. De plaats delict bevond zich op het fietspad aan de Evertsenlaan te Terneuzen.

Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , pagina 26-27 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

V= Hebben ze nog iets van jou afgepakt?

A= Mijn fietssleutel. Die ben ik kwijt. Mijn fiets hadden ze op slot gezet.

V= Door collega's zijn drie sleutelbossen aangetroffen in het voertuig waarin de

verdachten reden. Herken jij een van de sleutelbossen?

A= Ja, deze. Deze opvallende is van mijn fiets en de andere twee van mijn woning.

0= Ik heb een foto gemaakt van de drie sleutelbossen en bij dit proces-verbaal

gevoegd. Ik heb de aangever verzocht om zijn sleutelbos te omcirkelen. De herkende

sleutelbos bleek te passen op de fiets van de aangever.

Een schriftelijk stuk, inhoudende een kleurenfoto, op pagina 34 van voornoemd eind-proces-verbaal:

Een kleurenfoto waarop drie sleutelbossen op een rij te zien zijn, en waarvan de rechter sleutelbos is omcirkeld.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 maart 2021, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de sleutel uit de fiets van [aangever] gepakt.