Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1313

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
02/003894-20
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:1776, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

afpersing, gijzeling, bedreiging, onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/003894-20

vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel, Ter Apelervenen 10, 9561 MC Ter Apel,

raadsman mr. J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 maart 2021, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

1. afpersing van € 500,-, een horloge en kleding van [slachtoffer] door hem een vuurwapen te tonen, te slaan en schoppen, en te zeggen ‘Geef je geld en horloge’ en ‘Trek je kleren uit’, samen met een ander gepleegd;

2. gijzeling van [slachtoffer] door hem een vuurwapen te tonen, te slaan en schoppen, en te zeggen ‘Lopen, lopen’, ‘Rennen, rennen’ en ‘Je gaat met mij mee, naar Terneuzen, in de kofferbak’, samen met een ander gepleegd;

3. bedreiging van [slachtoffer] door hem een vuurwapen te tonen en op hem te richten, hem te dwingen zijn kleding uit te doen en mee naar buiten te gaan, te slaan en schoppen, de kofferbak van de auto te openen en te zeggen dat hij daarin moest plaatsnemen en te zeggen ‘nu lopen, opschieten, lopen nu, fack of, fack of now, now now, go downstairs, kurwa crazy, fack of down mijn vriend, do down!, lopen, lopen, rennen, rennen, Je gaat nu met mij mee naar Terneuzen in de kofferbak’, samen met een ander gepleegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle aan hem tenlastegelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Er is voor wat betreft het eerste feit geen sprake van opzet. Ook is er geen sprake van medeplegen. De verklaringen van [naam] en [slachtoffer] moeten als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Verdachte was niet in de buurt op de momenten dat er in de visie van aangever geweld werd gebruikt en heeft aan het geweld ook geen bijdrage geleverd. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het meenemen van de kleding is aan te merken als een diefstal, dan wordt verzocht partieel vrij te spreken van medeplegen en (dreiging met) geweld.

Ten aanzien van feit 2 merkt de verdediging op dat er geen sprake is van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. Betwist wordt dat er aan de zijde van verdachte (voorwaardelijk) opzet en een nauwe bewuste samenwerking met een bijdrage van voldoende gewicht aan de orde was gericht op vrijheidsberoving.

Voor wat betreft feit 3 merkt de verdediging op dat de aangifte geen steun vindt in ander bewijsmateriaal. Bovendien kunnen de tenlastegelegde bewoordingen niet worden gekwalificeerd als een strafbare bedreiging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met de medeverdachte is binnengedrongen in de woning van [naam] , waar zij zich op dat moment samen met aangever bevond. Verdachte zei tegen aangever dat hij zijn kleren uit moest doen en deze, evenals zijn geld en horloge, moest afgeven. Ondertussen hield de medeverdachte een voorwerp dat eruit zag als een vuurwapen op hem gericht. Aangever heeft zijn kleding, geld en horloge aan verdachte gegeven, waarna de medeverdachte met het wapen in zijn handen zei dat hij de kamer van [naam] uit moest gaan. Aangever is in zijn boxershort naar buiten gelopen, met uiteindelijk beide verdachten achter hem aan. Hij moest naar een auto lopen. De medeverdachte gaf hem een klap op zijn rug, toen ze buiten op straat naar de auto liepen. Ook schopte hij aangever tegen zijn linkerbeen, omdat hij sneller moest lopen. Buiten moest aangever zijn onderbroek uittrekken. De medeverdachte zei tegen aangever dat hij met hem mee ging naar Terneuzen, in de kofferbak.

Het wapen dat de medeverdachte op aangever richtte, is niet teruggevonden. Gelet daarop kan dus ook niet worden vastgesteld dat dit een vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) was. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat de medeverdachte in elk geval aan aangever een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond.

feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van aangever, zoals tenlastegelegd onder feit 1, waarbij aangever is gedwongen tot de afgifte van € 500,-, een horloge en zijn kleding. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van aangever. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aangever vanaf het allereerste moment, op straat aan een verbalisant, consistente verklaringen heeft afgelegd. Deze verklaringen worden op essentiële onderdelen ondersteund door de verklaringen van [naam] , getuige [getuige 1] en de camerabeelden.

Dat de spullen ook daadwerkelijk zijn afgegeven aan verdachte, leidt de rechtbank af uit het feit dat het horloge is teruggevonden op de trap en verdachte blijkens de camerabeelden met een jas de trap afliep, die aangever herkende als de zijne.

feit 2

Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever, zoals tenlastegelegd onder feit 2. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de medeverdachte voortdurend met een op een wapen gelijkend voorwerp in de directe nabijheid van aangever was, zoals ook blijkt uit andere bewijsmiddelen dan de verklaringen van aangever, waardoor voor aangever een dreigende situatie is ontstaan waaraan hij zich niet kon onttrekken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat aangever slechts een korte periode van zijn vrijheid werd beroofd, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en de medeverdachte aangever van zijn vrijheid beroofd hebben gehouden en zal verdachte dan ook vrijspreken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

feit 3

Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangever met openlijk geweld en met gijzeling, zoals tenlastegelegd onder feit 3. Van een bedreiging is sprake wanneer de uitlatingen of gedragingen van de verdachte van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan of verricht dat bij degene tot wie de bedreiging is gericht de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd, ook zou worden gepleegd. De bedreiging moet daarbij van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken. Zoals hiervoor aangegeven, heeft de rechtbank vastgesteld dat aan aangever een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is getoond, dat hij is geslagen en geschopt, dat hij zich volledig moest uitkleden, dat hij met verdachten moest meegaan naar buiten en dat tegen hem is gezegd dat hij, in de kofferbak, mee naar Terneuzen moest. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat van deze handelingen, in samenhang beschouwd, een dreigende werking voor aangever uit is gegaan en dat hij de redelijke vrees kon hebben dat tegen hem nog meer geweld zou worden toegepast of dat hij zou worden gegijzeld. Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze handelingen een bedreiging op in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte of de medeverdachte de kofferbak van de auto heeft geopend en zal verdachte dan ook vrijspreken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

medeplegen

Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten vereist, waarbij de bijdrage van verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en de medeverdachte bij elkaar hoorden en gezamenlijk handelden. Dat niet alle feitelijke delictshandelingen door verdachte zelf zijn begaan, maakt dat niet anders. De bijdrage van verdachte aan de gezamenlijke uitvoering is van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarmee acht de rechtbank het onder de feiten 1, 2 en 3 tenlastegelegde medeplegen bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van €500, een horloge en

kleding, die aan die

[slachtoffer] toebehoorden,

door die [slachtoffer] een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp te tonen en die [slachtoffer] te slaan en schoppen en daarbij dreigend de woorden toe te voegen "geef je geld en

horloge." en "trek je kleren uit.";

2.

op 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk

[slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd,

door die [slachtoffer] een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, te tonen en die [slachtoffer] te slaan en schoppen

en daarbij dreigend de woorden toe te voegen "lopen, lopen" en

"rennen, rennen." en "je gaat met mij mee, naar Terneuzen, in de

kofferbak.";

3.

op 5 januari 2020 in de gemeente Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander,

[slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk geweld met

verenigde krachten tegen personen en met gijzeling, immers

heeft verdachte en/of zijn mededader

opzettelijk dreigend:

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en dat op die [slachtoffer] gericht en

- die [slachtoffer] gedwongen zijn kleding uit te doen en met hen mee naar buiten te gaan en

- een klap op zijn rug gegeven en tegen zijn linkerbeen geschopt en

- gezegd dat die [slachtoffer] in de kofferbak plaats moest nemen en

- meermalen tegen die [slachtoffer] de woorden geschreeuwd: "nu

lopen, opschieten, lopen nu (…), fack of, fack of now, now now, go

downstairs, kurwa crazy, fack of down mijn vriend, do down! (…), lopen,

lopen (…), rennen, rennen (…), Je gaat nu met mij mee naar Terneuzen

in de kofferbak".

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Verzocht wordt in ogenschouw te nemen dat verdachte al 14 maanden gedetineerd zit voor deze kwestie. Binnen de huidige VI-regelingen betekent dat al een straf van 21 maanden.

De verdediging verzoekt een straf conform het voorarrest op te leggen voor wat betreft het onvoorwaardelijk deel, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijk deel. Daarbij wordt expliciet gewezen naar de geweldloze rol die verdachte blijkens de verklaringen zou hebben gehad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is samen met de medeverdachte binnen komen vallen in de woning waar [slachtoffer] op dat moment was en waar hij zich privé waande. Vervolgens hebben zij aan [slachtoffer] een wapen getoond, hem zich uit laten kleden en zijn geld en kleding af laten geven. [slachtoffer] is in zijn boxershort mee naar buiten genomen. Op straat heeft hij op klaarlichte dag ook deze nog uit moeten trekken. Hij is geslagen en geschopt en tegen hem werd gezegd dat verdachten hem mee zouden nemen. Verdachte heeft zich door zo te handelen schuldig gemaakt aan afpersing, gijzeling en bedreiging. Hij heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] en hem gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd. Het handelen van verdachte en de medeverdachte moet buitengewoon vernederend voor [slachtoffer] zijn geweest. Verdachte heeft er kennelijk niet bij stilgestaan dat slachtoffers van dit soort delicten in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van wat hen is aangedaan. Feiten als deze brengen ook bij andere burgers heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vaker is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke delicten.

De rechtbank slaat acht op het reclasseringsrapport van 5 november 2020 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt dat er problemen worden gesignaleerd op diverse gebieden, waaronder zijn verblijfsstatus. Verdachte is ongewenst verklaard en heeft een inreisverbod voor de duur van vijf jaar. Verdachte geeft aan dat hij niet terug kan naar Polen omdat hij daar niets heeft. Mocht hij wel teruggestuurd worden, dan zal hij direct weer terug naar Nederland komen, zo geeft hij aan en dit is ook de inschatting van de reclassering. De inschatting is dat verdachte in beeld bij justitie zal blijven komen, zolang hij geen afstand neemt van het sociaal crimineel netwerk waar hij zich nu in begeeft. De kans dat verdachte, nadat hij het land uitgezet is, weer terug komt is groot en daarmee is de kans op nieuw delictgedrag eveneens aanwezig. Er is sprake van een gemiddeld-hoog algemeen risico en een gemiddeld risico op geweld. Gelet op het ontbreken van een verblijfsvergunning is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige optie, aldus de reclassering.

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen een zodanig samenhangend feitencomplex opleveren dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. De rechtbank houdt hiermee in strafverminderende zin rekening.

Het in de LOVS gestelde oriëntatiepunt voor een woningoverval, waarbij sprake is van ander dan licht geweld, is een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als vertrekpunt. De strafverzwarende en strafverminderende aspecten zoals hiervoor benoemd hierbij in overweging genomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte inmiddels in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

[slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.280,94 aan materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor de feiten 1, 2 en 3.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld naar de benadeelde partij toe en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde geleden schade acht de rechtbank, gelet op de inbreuk die is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde, toewijsbaar tot een bedrag van

€ 500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

5 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, mede gelet op de betwisting daarvan namens verdachte en nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. De vordering roept dan ook vragen op. De benadeelde partij is niet ter zitting verschenen, waar de vordering inhoudelijk is behandeld, zodat deze vragen niet met hem besproken konden worden. Dit zou aanleiding kunnen zijn om de behandeling van de zaak aan te houden maar dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het belang dat de zaak wordt afgedaan, weegt zwaarder. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen voorwerpen (1 stuk XTC en 4 gram hennep) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat de voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten zijn aangetroffen. De voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 47, 55, 57, 282, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: gijzeling, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en met

gijzeling, in vereniging gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 500,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] (feiten 1, 2 en 3), € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1. stuk XTC (G2140890) en 4 gram hennep (G2140889).

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. H. Skalonjic en

mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven -

van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2021.

Mr. Nomes en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van €500, een horloge en

kleding, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan die

[slachtoffer] toebehoorde,

door die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer] te slaan en schoppen

en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen "geef je geld en

horloge." en/of "trek je kleren uit.";

2.

hij op of omstreeks 5 januari 2020 te Middelburg

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

[slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd

gehouden,

door die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer] te slaan en schoppen

en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen "lopen, lopen" en/of

"rennen, rennen." en/of "je gaat met mij mee, naar Terneuzen, in de

kofferbak.";

althans een poging tot voornoemd misdrijf;

3.

hij op of omstreeks 5 januari 2020 in de gemeente Middelburg, althans

in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met openlijk geweld met

verenigde krachten tegen personen en/of met enig misdrijf tegen het

leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met gijzeling, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend:

- een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

getoond en dat op die [slachtoffer] gericht en/of

- die [slachtoffer] gedwongen zijn kleding uit te doen en met hen mee naar

buiten te gaan en/of

- een klap op zijn rug gegeven en tegen zijn linkerbeen geschopt en/of

- de kofferbak van een auto geopend en/of (daarbij) gezegd dat die

[slachtoffer] daarin plaats moe(s)t nemen en/of

- meermalen, althans eenmaal tegen die [slachtoffer] de woorden

geschreeuwd, althans aan die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "nu

lopen, opschieten, lopen nu (…), fack of, fack of now, now now, go

downstairs, kurwa crazy, fack of down mijn vriend, do down! (…), lopen,

lopen (…), rennen, rennen (…), Je gaat nu met mij mee naar Terneuzen

in de kofferbak", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking.

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

feiten 1, 2 en 3

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2020, (opgenomen op pagina 172-173 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik hoorde dat [slachtoffer] vertelde dat hij via 'Tagged' met [naam] had afgesproken bij haar thuis in de [adres 2] in Middelburg. Uit het niets bonkte iemand aan de deur en kwamen er twee mannen naar binnen waarbij er (1) man een 9 millimeter pistool vast had. Vervolgens moest [slachtoffer] alles uittrekken, zijn jas, schoenen en zelfs zijn onderbroek. [slachtoffer] vertelde dat (1) persoon het vuurwapen op hem richtte. Daarbij hebben de mannen zijn telefoon, sleutels, pasjes en ongeveer 500 euro meegenomen. [slachtoffer] had gehoord dat de twee mannen het over Terneuzen hadden en of ze hem mee moesten nemen in de kofferbak.

- het ambtsedig proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] van 5 januari 2020, (opgenomen op pagina 145-156 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik ben beroofd. Ik ben overvallen. Ik heb een vuurwapen op mijn hoofd gehad. Als je voor dat geld komt, oké. Maar laat me mijn kleding houden. Die hebben ze zelf meegenomen.

V: Je was bij iemand op bezoek. Wie was dat?

A: Bij [naam] in Middelburg.

Ik had mijn kleding, mijn schoenen aan en mijn muts op. Opeens werd er op de deur gebonkt. [naam] zei toen tegen mij dat ik in de kast moest gaan zitten. Ik ben toen de kast ingegaan. Ik zag toen door een spleetje dat [naam] de deur open deed. Ik zag dat er toen twee mannen wild de kamer in gerend kwamen. Ze kwamen toen naar de kast gelopen. De ene jongen deed hem open. Ondertussen richtte die andere jongen een pistool op mij. De jongen zonder pistool zei tegen mij dat ik mijn geld en mijn horloge moet geven. Ik heb het horloge gegeven en ook het geld. Seiko, kleur zilver. Een kleine 500 euro.

V: Heb je dat vervolgens afgegeven en aan wie?

A: Ja, aan die jongen zonder pistool. Hij pakte dat aan.

V: Wat deed die jongen met dat pistool ondertussen?

A: Nog steeds op mij richten. Vervolgens werd er gezegd dat ik al mijn kleding uit moest doen.

V: Wie zei dat?

A: Die jongen zonder pistool. Ik heb gewoon mijn kleding uitgedaan.

V: Waar is de kleding gebleven?

A: Die heb ik afgegeven aan die jongen zonder pistool. Die heeft dat aangepakt en later meegenomen.

V: Welke kleding had je uiteindelijk nog aan?

A: Mijn sokken en mijn onderbroek.

Ik moest toen de kamer uitlopen. Dat moest van die jongens. Die jongen met dat pistool zei dat tegen mij. Ik ben toen gaan lopen. Ik liep voorop. Die twee jongens kwamen achter mij aan. Ik ben helemaal naar de voordeur gelopen en heb deze opengedaan. Ik hoorde toen: 'lopen lopen.' Ik moest toen naar links en daarna naar rechts.

V: En dat pistool?

A: Dat was nog steeds op mij gericht. Ik hoorde toen dat die jongen met dat pistool tegen mij zei dat ik mee naar Terneuzen moest. We waren inmiddels bij een auto aangekomen.

Die jongen met dat pistool duwde mij naar achteren. Hij zei toen dat ik mijn onderbroek uit moest doen. Hierna stapten die jongens in en reden ze weg.

V: Heb je je onderbroek inderdaad uit gedaan?

A: Ja. Ik denk dat ze die hebben meegenomen. Net als alle andere kleding. De jongen zonder pistool was ongeveer 1.75 m lang, snorretje, beetje dikke snor, zwart van kleur. Zwart haar naar voren gekamd. Kort model. Volgens mij was dit een jongen uit Polen. Ik hoorde hem namelijk enkele Poolse woorden gebruiken. Hij zei volgens mij 'Kurwa'.

Ik ben geschopt.

V: Wie deed dat?

A: Die jongen met dat pistool. Hij gaf me ook een klap op mijn rug. Hij deed dat toen we al naar de auto liepen. Buiten op straat. Hij sloeg me met zijn platte hand op mijn rug en hij schopte me tegen mijn linkerbeen. Ik moest sneller doorlopen. Daarom deed hij dat. Hij zei 'Rennen. Rennen.' Toen schopte hij me en gaf me een klap.

V: Wat was voor jou het punt dat je besloot het goed af te geven?

A: Vanwege het geval dat ik onder schot werd gehouden en ik het voor mogelijk hield dat hij me wel zou neerschieten. Hij zei tegen mij dat ik met hem mee ging. Hij zei tegen mij: 'Terneuzen. In de kofferbak.'

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris van 28 januari 2021, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik was bij mevrouw [naam] op 5 januari 2020 aan het chillen. Een man liep meteen naar de kast toe waar ik in zat. Hij deed de deur open en zei dat ik eruit moest komen. Ik kwam de kast uit en kreeg het pistool van de andere man op mij gericht. Ik zag dat hij nerveus was. Daarom besloot ik om mee te werken, omdat je nooit weet wat nerveuze mensen gaan doen. Hij zei “get out, get out”. Het was een Nederlands sprekende meneer en een man die in een Oostblokachtige taal sprak. Hij was degene die tegen mij zei dat ik mijn kleren moest uittrekken en al mijn geld moest afgeven. De Nederlandstalige man had het pistool bij zich.

Toen ik uit de kast gehaald werd had ik mijn kleren aan. U vraagt mij wat de Poolse meneer tegen mij zei. Hij zei met een accent in het Nederlands “geef mij je geld”. Ik weet niet meer of de Poolse meneer of de Nederlandse meneer dat zei. De Poolse meneer wees op mijn horloge en zei “afdoen”. Nu dit wordt voorgelezen denk ik dat hij zei “take of”. De Poolse meneer trok de muts van mijn hoofd en wilde dat ik mijn shirt uitdeed. Toen moest ik mijn schoenen uitdoen en uiteindelijk ook mijn broek. Ik stond in mijn onderbroek en sokken.

De Nederlandse meneer zei “meewerken, je gaat mee”. Ze schopten mij de deur uit. In de kamer is er verder geen geweld op mij toegepast. Buiten wel. Ik ging de kamer uit met de Poolse meneer. Ik ben zelf de trap afgelopen. Ik wilde richting de voordeur lopen. Toen kwam de Nederlandse man eraan en hij pakte mij bij mijn nek. Hij gaf me een trap tegen mijn rug en een klap tegen mijn nek. Hij zei “lopen”. Hij zei “je gaat de kofferbak in, je gaat mee naar Terneuzen”. Ik liep voor hem uit. Hij zei “links, rechts”. De Poolse meneer kwam er toen ook weer bij. De Nederlandse man gaf mij een duw en zei dat ik mijn onderbroek uit moest trekken. Ik heb mijn onderbroek uitgetrokken en toen zijn ze met zijn drieën in die auto weggereden, terwijl ze al mijn spullen hadden meegenomen. Ik stond toen naakt op straat. U vraagt mij of ik weg had kunnen lopen. Nee, want hij had me ingehaald in een tijdsbestek van misschien 20 seconden. De Nederlandse meneer zei tegen mij dat ik mee moest gaan naar Terneuzen. U vraagt mij of de Poolse meneer mij heeft geslagen. Nee, ik weet dat de Nederlandste jongen mij heeft geslagen. De Nederlandse meneer zei dat ze zouden schieten als ik niet mee zou werken. U vraagt mij of de Poolse meneer voortdurend Nederlands met mij sprak. Nee, hij heeft meer kreten geuit met een accent en ik hoorde ook Poolse woorden, zoals kurva. Hij sprak in ieder geval niet in hele Nederlandse zinnen. Nu dit wordt voorgelezen denk ik dat hij telkens Engels sprak. U vraagt mij of ik ze weg zag rijden met mijn spullen of dat ik dat alleen denk. Ik zag dat. De Poolse meneer had mijn spullen in zijn handen en die Nederlandse jongen was nog met mij bezig om mijn onderbroek uit te doen.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] van 13 januari 2020, (opgenomen op pagina 108-116 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

[naam 2] (de rechtbank begrijpt: de medeverdachte) liep eigenlijk gelijk naar de kast. Toen zag [naam 2] , [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever) in de kast zitten. Ik zag toen dat [naam 2] een pistool vast had. [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) zei ondertussen tegen [slachtoffer] dat hij zijn geld af moest geven. [verdachte] bleef tegen [slachtoffer] roepen in het Engels 'Give me your jacket, give me your money'. [verdachte] kleedde [slachtoffer] op die manier uit, hij heeft zijn jas en zijn shirt aan [verdachte] gegeven. [slachtoffer] gaf ook zijn geld af. Ondertussen was [naam 2] met het pistool in zijn hand aan het richten op [slachtoffer] . [verdachte] was degene die tegen [slachtoffer] zei dat hij alles moest uittrekken. [slachtoffer] heeft ook zijn broek en schoenen uitgetrokken en aan [verdachte] gegeven. Toen hij in zijn onderbroek stond zei [naam 2] tegen [slachtoffer] dat hij moest lopen. [slachtoffer] liep op dat moment bij [verdachte] . [verdachte] had de kleding van [slachtoffer] op dat moment vast. [naam 2] heeft het pistool weggestopt achter in zijn broeksband.

O: Verbalisant toont afbeelding 1.

V: Wie is de persoon op deze foto?

A: [naam 2] .

O: Verbalisant toont afbeelding 2.

V: Wie is de persoon op deze foto?

A: Dat is Polsky. Hij heet [verdachte] .

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [naam] bij de rechter-commissaris van 28 januari 2021, opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

U vraagt mij wat de heer [verdachte] precies heeft uitgespookt die avond. Hij heeft meneer [slachtoffer] lopen uitkleden. Ze hebben meneer [slachtoffer] mee naar buiten genomen. Ik weet wel dat [verdachte] heeft gevraagd aan [slachtoffer] om zijn kleren uit te trekken. Dat vroeg hij in het Engels. Op dat moment heeft meneer [slachtoffer] zich pas uitgekleed. Dat weet ik 100% zeker. [naam 2] had een vuurwapen bij zich. Hij dreigde naar [slachtoffer] . Hij was gelijk naar de kast toegelopen en trok zijn pistool. Meneer [verdachte] zei dat we geld moesten geven en spullen. Meneer [slachtoffer] moest met hun meegaan. [verdachte] en [slachtoffer] zijn toen naar buiten gevlucht. U vraagt mij of het de waarheid is dat meneer [slachtoffer] zich moest uitkleden. Dat is de waarheid. Het is ook de waarheid dat er een vuurwapen was.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] van 13 januari 2020, (opgenomen op pagina 137-141 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik stond in de auto te wachten en zag [naam 2] aan komen met die man in boxershort. Ik had mijn raam open staan en hoorde [naam 2] roepen: "Hij gaat mee, deze klootzak". Ik heb toen gezegd: "Deze man gaat niet mee, jij gaat mee". Ik zag dat die man in boxershort tussen [naam 2] en [verdachte] in liep. Ik zag dat [naam 2] hem vooruit duwde en vlak bij de auto gaf hij hem zo'n duw dat die man op de grond viel. Direct daarop stapte [naam 2] voor in de auto en die Poolse jongen achterin. Vervolgens ben ik weggereden.

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2020, (opgenomen op pagina 158-160 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Op woensdag 15 januari 2020 had ik telefonisch contact met aangever. Op mijn verzoek bekeek hij, door mij, aan hem toegezonden screenshots van camerabeelden. Dit betroffen camerabeelden van het trappenhuis aan de [adres 2] te Middelburg, waarop dat moment de overval op voornoemde aangever plaatsvond. Op de beelden is te zien dat 1 van de daders met een jas de trap afloopt. Aangever [slachtoffer] herkende de jas welke 1 van de daders bij zich had als de zijne. Hij herkende de jas onder meer aan het reflecterende logo op de jas.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 5 januari 2020, (opgenomen op pagina 163-165 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik zag toen dat er een man, alleen gekleed in een boxer, de kamer uit kwam, gevolgd door twee mannen. Een van de twee mannen was het vriendje van [naam] . Het slachtoffer is door hen naar buiten begeleid. Aan het einde van de hal kreeg hij nog een duw.

V: Heeft het slachtoffer nog wat gezegd?

A: Hij zei iets van dat hij bedreigd was.

Toen ik op de gang boven stond hoorde ik in die kamer van [naam] een man nog iets roepen over schieten.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 7 januari 2020, (opgenomen op pagina 166-167 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik wilde toevoegen dat ik een vuurwapen heb gezien bij één van de verdachten. Ik heb iets in zijn handen gezien wat leek op een vuurwapen. Het was een pistool, geen revolver en het was zwart van kleur. Toen ik dichterbij kwam hoorde ik dat er dreigende woorden tegen de bijna naakte man werden gezegd. Ik hoorde ook dat ze tegen die man zeiden dat hij zijn onderbroek uit moest trekken. Toen ik dus weer terug was gereden, toen zag ik het wapen. Die man die Nederlands sprak, had het wapen in zijn hand.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 6 januari 2020, (opgenomen op pagina 168-197 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

[naam 2] vertelde ons dat hij naar [naam] was geweest en dat toen hij daar binnen was een man uit de kast bij [naam] kwam. Hij vertelde dat hij die man naar buiten heeft gewerkt maar eerst zijn kleren uit had laten doen. Hij vertelde dat hij die man dus in zijn nakie naar buiten heeft gewerkt. Hij vertelde ook nog dat hij de kleren van die man ergens in een afvalbak had gegooid in Middelburg.

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2020, (opgenomen op pagina 178-180 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Op de trap naar de 1e verdieping troffen wij halverwege een zilverkleurig polshorloge aan.

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2020, (opgenomen op pagina 198-214 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer ZB1R020001, onderzoek Pyroxeniet, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende:

Ik zag dat op ‘18.11.52’, twee mannen de trap op kwamen lopen, zie afbeelding 4 en 5. Deze twee mannen werden later herkend als [naam 2] en [verdachte] . Ik zag dat beiden in de richting van de kamer van [naam] liepen, op ‘18.11.55’ en daarmee uit beeld verdwenen. Ik zag dat beiden mannen na ongeveer 2 minuten, op ‘18.13.58’ terug kwamen lopen, zie afbeelding 6. Ik hoorde op de achtergrond geschreeuw van een mannenstem en een vrouwenstem. Ik hoorde: "niet naar mij wijzen, geef' of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat er op '18.27.44' vanuit de richting van de kamer van [naam] , een man aan kwam lopen, slechts gekleed in een boxershort, zie afbeelding 11. Later bleek dit te gaan om aangever en benadeelde [slachtoffer] . Kort daarvoor hoorde ik een mannenstem roepen: "nu lopen, opschieten, lopen nu". Ik zag dat [slachtoffer] gevolgd werd door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een donkerkleurige jas over zijn rechterarm had hangen, zie afbeelding 12. Op de manier waarop [verdachte] achter [slachtoffer] aan liep en waarop [verdachte] tegen [slachtoffer] sprak, kreeg ik het idee dat [slachtoffer] gedwongen werd de trap af te gaan naar beneden, zie afbeelding 13 en 14. Ik hoorde dat [verdachte] op een dwingende toon in het Engels riep: "fack of, fack of now, now now, go downstairs, kurwa crazy, fack of down (niet te verstaan) mijn vriend, do down!” Ik zag dat [slachtoffer] alleen de trap af liep. Ik zag dat [slachtoffer] op '18.28.08' beneden in de hal op de camerabeelden zichtbaar was, zie afbeelding 17. Ik zag dat onderwijl op '18.28.16' [naam 2] en [verdachte] op de overloop richting de trap kwamen lopen. Ik zag dat [verdachte] nog steeds een donkerkleurige jas over zijn rechterarm had hangen, zie afbeelding 18. Ik zag dat [verdachte] een klein wit voorwerp liet vallen en ik zag dat [naam 2] dit opraapte, zie afbeelding 19. Ik zag dat [verdachte] hierop ook iets van de vloer opraapte. Ik zag dat beiden, op '18.28.20', hierna de trap afliepen, zie afbeelding 20. Ik zag dat [slachtoffer] beneden in de hal in de richting van de voordeur van het pand liep. Ik hoorde dat [slachtoffer] vroeg waar de uitgang was en dat hij zei dat hij bedreigd was. Ik zag dat hij enkele seconden hierna gevolgd werd door [naam 2] en [verdachte] . Ik hoorde dat [naam 2] riep: 'lopen jij! Lopen jij! Heb je mij niet begrepen of zo? Lopen!' Ik hoorde dat een mannenstem, kennelijk van [slachtoffer] , 'au' riep.