Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1218

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
C/02/381779 / JE RK 21-165
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen voor de verzochte duur van een jaar. Verzoek verlenging machtiging tot uithuisplaatsing wordt ook toegewezen echter voor een kortere periode en onder aanhouding van het restant van het verzoek. Anders dan de GI heeft aangevoerd is het niet aan gemeenten onderling om te bepalen waar de minderjarige zijn jeugdhulp moet krijgen of waar hij geplaatst moet worden, noch is het aan de gemeenten onderling om te bepalen welke GI bij de zaak betrokken moet blijven. De GI dient de komende periode bij het overplaatsen vanuit het crisispleeggezin in Woerden een passend pleeggezin vinden in de buurt van de woonplaats van de moeder in de provincie Zeeland. Alleen dan kan gewerkt worden aan en onderzocht worden of thuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder haalbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/381779 / JE RK 21-165

Datum uitspraak: 1 maart 2021

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,

locatie Utrecht, hierna te noemen: de GI,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op 31 juli 2015 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.S. Krol, te Rotterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 22 januari 2021, ingekomen bij de griffie op 28 januari 2021;

- de stelbrief van mr. Krol van 18 februari 2021, ingekomen bij de griffie op 18 februari 2021;

- de brief met bijlagen van mr. Krol van 25 februari 2021, ingekomen bij de griffie op 25 februari 2021;

- de brief met aanvullende stukken van de GI van 26 februari 2021, ingekomen bij de griffie op 26 februari 2021.

Op 1 maart 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Krol;

- twee vertegenwoordigers namens de GI.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak betreffende het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 2] (C/02/381827 / JE RK 21-175), de halfzus van [minderjarige 1] , in welke zaak een afzonderlijke beschikking zal worden gegeven.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de moeder.

Bij beschikking van 18 maart 2020 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 18 maart 2021.

Bij beschikking van 26 oktober 2020 is een machtiging spoeduithuisplaatsing verleend in een crisis(netwerk)pleeggezin met ingang van 26 oktober 2020, voor de duur van vier weken. Bij beschikking van 3 november 2020 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige 1] in een crisis(netwerk)pleeggezin, tot uiterlijk 26 januari 2021.

Bij beschikking van 15 januari 2021 is de machtiging uithuisplaatsing in een crisis (netwerk)pleeggezin laatstelijk verlengd tot uiterlijk 17 maart 2021.

Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige 1] bij een pleeggezin in [woonplaats 1] .

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen met een jaar.

Tevens wordt de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling in een voorziening voor pleegzorg.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het standpunt van de belanghebbenden

De GI handhaaft het verzoek. De gronden van de ondertoezichtstelling zijn nog aanwezig. Daarnaast is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk. [minderjarige 1] is op 26 oktober 2020 met spoed uit huis geplaatst en verblijft sindsdien bij het (crisis) pleeggezin in [woonplaats 1] . De moeder is inmiddels in januari 2021 verhuisd naar [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 1] . Naar aanleiding van de lopende kinderbeschermingsmaatregel is er contact geweest tussen de GI, de gemeente [gemeente 1] en de gemeente [woonplaats 2] . Door beide gemeenten is besloten dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij in de provincie Utrecht blijft zodat [minderjarige 1] in de buurt van zijn halfzus blijft wonen. Zij verblijft voor observatie en diagnose bij [woonplaats 3] . Ook hebben de gemeenten besloten dat de huidige GI (SAVE Midden-Nederland) betrokken blijft waarbij de benodigde financiering geregeld wordt door gemeente [gemeente 1] . De gemeente [woonplaats 1] was reeds in het vrijwillig kader betrokken en alle informatie is in die regio aanwezig. Om die reden wordt het niet wenselijk geacht de zaak over te dragen aan een andere GI. De moeder is in het verleden meermaals verhuisd, zowel binnen als buiten de provincie Utrecht. De moeder heeft zelf de keuze gemaakt verder van de minderjarigen af te gaan wonen. [minderjarige 1] verblijft nu nog in het crisis-pleeggezin in [woonplaats 1] . Hij kan daar niet blijven. Er is voor bewust gekozen [minderjarige 1] nog niet van school te laten wisselen omdat het niet wenselijk is dat hij, wanneer hij naar een ander pleeggezin gaat, mogelijk opnieuw van school moet wisselen. Door De Rading is inmiddels een perspectief biedend pleeggezin gevonden in de provincie Utrecht. [minderjarige 1] en de moeder hebben nog geen kennis gemaakt met dit pleeggezin. Overplaatsing naar een perspectief biedend gezin is van belang om [minderjarige 1] niet nogmaals over te hoeven plaatsten wanneer blijkt dat hij niet meer thuis bij de moeder kan gaan wonen. Om zijn perspectief te bepalen zal een traject worden ingezet. Inzet van het 2thepoint-traject van De Rading is nog niet van de grond gekomen omdat de moeder op het punt stond te gaan verhuizen, waardoor besloten is te wachten met het starten van het traject tot na de mondelinge behandeling van onderhavig verzoek. Dit traject zal alsnog gestart gaan worden waarbij intensief meegekeken zal worden in de interactie tussen [minderjarige 1] en de moeder en er ook huisbezoeken zullen plaatsvinden. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit traject wordt een opvoedbesluit genomen. Dit traject neemt ongeveer 9 maanden in beslag. Van de moeder wordt verwacht dat zij hiervoor afreist naar [woonplaats 1] , aangezien zij ook naar Utrecht zal komen voor omgang met de halfzus van [minderjarige 1]. Op het moment dat het traject start zal de huidige bezoekregeling van eenmaal in de drie weken uitgebreid worden ten behoeve van de observaties.

Door en namens de moeder wordt verzocht de verzoeken van de GI voor kortere duur toe te wijzen en het overige deel aan te houden. Er gebeurt eigenlijk tot op heden niks en een duidelijk plan van aanpak ontbreekt. Het plan die de GI heeft ingediend dateert van 27 oktober 2020. Er is geen plan van aanpak in het kader van de uithuisplaatsing en voor de moeder is het niet duidelijk waar zij aan moet werken. De moeder heeft inmiddels hulp voor zichzelf gezocht bij de praktijkondersteuner bij de huisarts en heeft maatschappelijke ondersteuning gezocht voor alle regelzaken. De moeder wil ook handvatten om beter te leren communiceren en is bereid te werken aan de samenwerking met de GI. Er is sprake van ruis is in het contact tussen de moeder en de GI. Zo was de moeder naar aanleiding van de beschikking van de kinderrechter van 15 januari 2021 in de veronderstelling dat de GI [minderjarige 1] bij een andere school zou inschrijven waarvan nu blijkt dat dit niet gebeurd is. Er dient aan terugplaatsing bij de moeder gewerkt te worden. Er is een spoedverzoek gedaan voor [minderjarige 1] omdat gesteld werd dat sprake was van een onveilige situatie voor [minderjarige 1] . Er is sprake van veel tegenstrijdige informatie maar de moeder heef geen bewijsmiddelen die een en ander kunnen weerleggen. Aan de moeder is door de GI medegedeeld dat ze een andere woning moest zoeken. Daar werden verder geen voorwaarden aan verbonden anders dan dat deze veilig moest zijn en dat de moeder zich aan de afspraken moest houden De moeder heeft de keus gemaakt om terug naar Zeeland te verhuizen omdat zij in Zeeland een groter netwerk heeft dan in [woonplaats 1] . Tijdens de vorige mondelinge behandeling is gesproken over een terugplaatsingstraject en het starten van het 2thepoint-traject van De Rading. Ook is toen gesproken over het zoeken van een pleeggezin in de buurt van de moeder. Nu wordt vastgehouden aan een perspectiefbiedend pleeggezin in de provincie Utrecht vanwege financiële belangen of contractuele bevoegdheden van de gemeente. De vraag is of het 2thepoint-traject wel haalbaar is, gezien de afstand tussen [minderjarige 1] en de moeder. Moeder heeft beperkte middelen en leeft van de bijstand. De GI bekostigt de extra kosten voor de moeder niet waardoor nu al voorzienbaar is dat het traject zal stagneren. De moeder zal als zij niet steeds naar De Rading kan komen het verwijt krijgen dat zij zich niet aan de afspraken houdt. waardoor de negatieve uitkomst van een dergelijk traject eigenlijk al vast ligt. De moeder hoopt dat de GI alsnog in het belang van de moeder en [minderjarige 1] kijkt naar plaatsing van [minderjarige 1] in de buurt van de moeder en overdracht van de zaak naar een Zeeuwse GI of anders een landelijke opererende GI zodat gekeken kan worden naar de hulpverleningstrajecten in Zeeland en de mogelijkheid van terug-thuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat voldaan wordt aan het wettelijk criterium voor de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] . Er is nog altijd sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling en deze kan niet binnen het vrijwillig kader opgelost worden. De kinderrechter zal daarom het onweersproken verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengen voor de duur van een jaar.

Ook de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter benadrukt echter dat [minderjarige 1] één gezaghebbende ouder heeft en dat is de moeder. Zij is de wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige 1] en woont in de gemeente [gemeente 1] . Uitgangspunt van de wet is dat de woonplaats van de gezagdragende ouder leidend is. Binnen iedere uithuisplaatsing moet onderzocht worden of de ouder in de toekomst weer in staat zou kunnen zijn om, eventueel met de inzet van hulpverlening, het kind weer zelf te verzorgen en op te voeden. Daartoe moet een plan van aanpak worden opgesteld waardoor het voor de ouder duidelijk is aan welke voorwaarden hij/zij moet voldoen om weer zelf voor het kind te kunnen zorgen. De ouder en het kind moeten een reële kans krijgen om herenigd te worden. Dat is in dit geval niet anders, ook al heeft de moeder de keuze gemaakt om in Zeeland te gaan wonen. Het is niet aan de gemeenten om onderling te besluiten dat [minderjarige 1] in een pleeggezin in [woonplaats 1] geplaatst moet worden. In het kader van de uithuisplaatsing dient immers gewerkt te worden aan thuisplaatsing bij moeder. De GI heeft bepaald dat zij om de haalbaarheid van thuisplaatsing te onderzoeken, het 2thepoint-traject van De Rading, gevestigd in Midden-Nederland, in gaat zetten. De kinderrechter zet echter gelet op de afstand tussen de woonplaats van moeder en de beoogde woonplaats van [minderjarige 1] ( [woonplaats 1] ) haar vraagtekens bij de haalbaarheid van dit traject. De moeder, die van een bijstandsuitkering leeft, zal met het OV moeten reizen. Zij zal dan meer dan drie uren onderweg zijn van haar woonplaats naar [woonplaats 1] en dit zal haar meer € 50 kosten. De kinderrechter voorziet dat dit traject door deze omstandigheden op een mislukking uit gaat draaien. In een dergelijk traject zal van de moeder immers verwacht worden dat zij om gesprekken te voeren geregeld afreist naar [woonplaats 1] of Utrecht en zal bij opbouw van het contact de interactie tussen moeder en [minderjarige 1] in de thuissituatie van de moeder geobserveerd moeten worden. Dat is met deze afstand niet haalbaar. De GI dient daarom, nu [minderjarige 1] niet in het huidige pleeggezin kan blijven en toch nog overgeplaatst moet worden, uitdrukkelijk te kijken naar de mogelijkheid van overplaatsing naar een pleeggezin in de omgeving van de moeder. Vervolgens kan een hulpverleningstraject ingezet worden waarbij de moeder daadwerkelijk de kans krijgt om weer de opvoeder van [minderjarige 1] te worden en [minderjarige 1] de kans krijgt om bij zijn eigen moeder op te groeien. Dit is in het belang van [minderjarige 1] . Het door de GI ingebrachte plan van aanpak is niet voor de huidige situatie geschreven en voldoet dus niet. De moeder woont nu eenmaal in de gemeente [gemeente 1] en van die situatie dient te worden uitgegaan. Het plan van aanpak moet daaraan worden aangepast. De kinderrechter vraagt zich daarbij af of de ondertoezichtstelling, immers gericht op de gezagdragende ouder, op dit moment gezien de afstand goed kan worden uitgevoerd.

Ten overvloede wijst de kinderrechter er op dat het niet aan een gemeente is om te bepalen dat de huidige GI, gevestigd in Midden-Nederland, betrokken blijft vanwege organisatorische of financiële redenen. Indien een verzoek tot wijziging van de GI aan de kinderrechter wordt voorgelegd, zal de kinderrechter daarover een beslissing nemen die het meest tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige 1] .

De kinderrechter zal gezien het voorgaande de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verlengen, maar deze verlenging beperken tot een duur van 3 maanden, te weten met ingang van 17 maart 2021 en tot 17 juni 2021. Het resterende deel van het verzoek zal, indien nodig, worden besproken tijdens de mondelinge behandeling op donderdag 20 mei 2021, om 13:35.

De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk een week voor die zitting een aangepast plan van aanpak indient, de kinderrechter dan schriftelijk informeert over de huidige stand van zaken en daarbij een standpunt inneemt ten aanzien van het resterend verzoek.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot uiterlijk 18 maart 2022;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 maart 2021 en tot uiterlijk 18 juni 2021 en houdt het verzoek tot uithuisplaatsing voor het overige aan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling op donderdag 20 mei 2021, 13:35, welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, in afwachting van het voornoemde verslag van de GI;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, de moeder en haar advocaat.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2021 door mr. A.R. van Triest, kinderrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, als griffier.

(SK)

Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 12 maart 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.