Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:116

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
02/057525-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het bewerken van cocaïne in een cocaïnewasserij, het voorbereiden van het bewerken van cocaïne en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne. Overweging met betrekking tot de start van het onderzoek. Oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-057525-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 januari 2021

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg,

raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 en 10 december 2020 en 13 januari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bewerken van cocaïne (feit 1), het voorbereiden van het bewerken van cocaïne (feit 2) en het aanwezig hebben van cocaïne (feit 3).

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank heeft ambtshalve, en mede gelet op het verweer dat in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] in dit kader is gevoerd, te weten dat zonder inzage in dan wel toevoeging van alle stukken die in het kader van het Spaanse onderzoek werden gegenereerd er geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de ontvankelijkheid van de officier van justitie beoordeeld.

De rechtbank stelt voorop dat zij, in navolging van de rechter-commissaris, de verzoeken van de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 2] die in voormeld verband zijn gedaan ter zitting van 26 november 2020 gemotiveerd heeft afgewezen.

De rechtbank stelt nogmaals vast dat uit het dossier en de mededelingen van de officier van justitie volgt dat onderzoek Bollato is gestart naar aanleiding van een TCI-proces-verbaal van 24 februari 2020 met daarin de informatie dat er aan de [adres] in Halsteren een drugslab gevestigd zou zijn. Op 3 maart 2020 is vervolgens een observatieteam ingezet. De officier van justitie heeft meerdere malen aangegeven dat de start van het onderzoek is gelegen in dit TCI-proces-verbaal, dat er niet meer is en dat zij geen wetenschap heeft van een internationale samenwerking dat betrekking heeft op onderzoek Bollato. De rechtbank constateert dat er geen andere documenten voorhanden zijn waaruit zou blijken dat dit onderzoek is gestart op basis van andere informatie dan het TCI-proces-verbaal van 24 februari 2020 en ziet dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat onderzoek Bollato eerder is gestart dan het moment van verstrekking van de TCI-informatie dan wel dat er voorafgaande aan de start van het onderzoek Bollato informatie op onrechtmatige wijze vergaard zou zijn. Er is dan ook geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging.

3.4

De schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1, 2 en 3. Vastgesteld kan worden dat in de loods van verdachte [medeverdachte 1] vanaf half februari 2020 door verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een drugslaboratorium is ingericht. Dat blijkt uit hetgeen in de loods is aangetroffen, de verhuurdatum van de loods, de data waarop de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben aangestraald in Lepelstraat, de verklaring van [medeverdachte 3] dat het lab in opbouw was terwijl zij daar waren en de verklaring van [verdachte] dat er een paar dagen voor zijn aanhouding al een lab was. De officier van justitie stelt dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] daarbij opzet hebben gehad op de bewuste en nauwe samenwerking. Zij waren in het lab aanwezig toen het werd aangetroffen en uit niets blijkt dat er constant sprake is geweest van een andere samenstelling van mensen in het lab. Zij hebben ieder voor zich en samen een onmiskenbare schakel gevormd bij het opzetten van het lab, het aanwezig hebben van de grondstoffen en onderdelen van de productieopstelling alsook bij de productie van de cocaïne, waardoor sprake is van opzet op de voorbereidingshandelingen, de productie en het aanwezig hebben van de cocaïne.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat op 3 en/of 4 maart 2020 geen productie van cocaïne heeft plaatsgevonden. Het enkele geluid van een afzuiginstallatie en meerdere machines/apparaten waarvan er één een soort stampend geluid maakte en het geluid van stromend water is onvoldoende, er is niet vastgesteld dat er cocaïnebase dan wel blokken cocaïne zijn aangetroffen en de in het dragermateriaal circa 44 kilogram aangetroffen cocaïne HCI is nog niet verwerkt. Daarnaast betekent het feit dat er DNA is aangetroffen op handschoenen niet dat verdachte op 3 maart 2020 betrokken is geweest bij het verwerken van cocaïne. Er is geen sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte, omdat uit de kartonnen dozen op het eerste gezicht niet valt af te leiden dat daar cocaïne in zit. Tevens wordt door de verdediging betwist dat de geschatte opbrengt aan verwerkte cocaïne circa 21 kilogram (24 kilo cocaïne HCI) betreft, omdat het dragermateriaal – de platte kartonnen dozen – niet is bemonsterd, terwijl dit wel in het NFI-rapport van 5 oktober 2020 is opgenomen. Uit het LFO-rapport blijkt immers dat SIN-nummer AAJD4834NL een ‘vuilniszak met stukken karton’ betreft.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Verdachte was niet bekend met het productieproces, er zijn geen DNA-sporen dan wel dacty van verdachte aangetroffen op de ten laste gelegde voorwerpen en stoffen en ook ten aanzien van dit feit geldt dat uit de kartonnen dozen op het eerste gezicht niet valt af te leiden dat daar cocaïne in geïmpregneerd zit. Er is geen sprake van een wezenlijke bijdrage aan de voorbereidingshandelingen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat voor voorbereidingshandelingen een lagere straf dient te volgen dan voor het produceren/verwerken van cocaïne.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor het aanwezig hebben van 44 kilogram cocaïne HCI, omdat er geen kartonnen dozen zijn bemonsterd. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel een doos is bemonsterd, dan is één doos onvoldoende representatief voor de resultaten van het NFI-onderzoek. Feit 3 kan slechts gedeeltelijk worden bewezen, namelijk voor wat betreft de pulp, het afval en de vuilniszak die is onderzocht.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 4 maart 2020 is in een loods aan de [adres] in Lepelstraat, (deels) in een partytent, een in werking zijnde cocaïnewasserij aangetroffen. In de loods en/of partytent bevonden zich onder meer jerrycans, vaten en speciekuipen met daarin stukken karton, caustic soda, methylethylketon, benzine en ammoniak en een roermotor, een perscilinder, zeven en filtreerdoeken. De pers was vervuild met resten kartonpulp. Voor de pers stond een uitgeperst blok kartonpulp. Er werden meerdere van zulke blokken aangetroffen. Er lagen eveneens stapels met kunststof band gebonden kartonnen dozen en delen karton in vuilniszakken. In onder meer karton, vloeistoffen en bruine pulp is de aanwezigheid van cocaïne aangetoond. In totaal werd 1296 kilogram aan stukken karton en kartonnen dozen en 2475 kilogram uitgeperst karton aangetroffen.

Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat er cocaïne werd teruggewonnen uit karton, dat als dragermateriaal fungeerde. Er was ongeveer 44 kilogram cocaïne HCI in het dragermateriaal, zijnde het nog niet verwerkte karton, aanwezig. Op basis van de aangetroffen hoeveelheid uitgeperst karton is de geschatte opbrengst aan al verwerkte cocaïnebase ongeveer 21 kilogram (circa 24 kilogram cocaïne HCI).

De verdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn in de loods aangehouden. [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij de andere twee jongens moest helpen met werken, zij er vanaf het begin bij waren en niet meer weg zijn geweest, hij ervan op de hoogte is dat de goederen die werden gebracht cocaïne bevatten, alles wat er gebeurde op basis van water was en de andere jongens wisten waar ze mee bezig waren. Uit de verklaring van [verdachte] blijkt dat hij al enkele dagen met de andere twee personen in de loods was en dat zij, net als hij, daar hebben gewerkt. Op de telefoon van [medeverdachte 3] stonden foto’s van de koeienstal aan de [adres] in Lepelstraat. Deze foto’s werden op 23 februari 2020 gemaakt.

Ten aanzien van verdachte is bovendien van belang dat op een handschoen, die achter de tent van de loods lag, waar de cocaïnewasserij is aangetroffen, DNA van verdachte bleek te zitten. De achterzijde van de tent is alleen via de tent te bereiken.

Feiten 1 en 2

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er in de loods in ieder geval vanaf 23 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 een cocaïnewasserij aanwezig was. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] cocaïne bewerkt en voorwerpen en stoffen voorhanden gehad met als doel het bewerken van cocaïne. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte in die periode samen met hen in de loods heeft verbleven, heeft gewerkt en dat zij wisten waar zij mee bezig waren.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

In het NFI-rapport van 5 oktober 2020 wordt het productieproces beschreven: het karton wordt verscheurd/fijn gemaakt en wordt gemengd met water, zodat de cocaïne wordt afgescheiden van het karton. Het achtergebleven materiaal, de kartonpulp, wordt tot blokken geperst. Aan de waterige vloeistof wordt een oplosmiddel toegevoegd, waarna het oplosmiddel met daarin de cocaïne van de waterige vloeistof wordt afgescheiden. De waterige vloeistof met resten kartonpulp is afval. Vervolgens kan er door middel van het toevoegen van verdund zwavelzuur en ammonia, cocaïnebase uit de waterige laag worden gefiltreerd.

Uit het LFO-rapport van 3 april 2020 blijkt dat er in de loods stapels, door middel van een kunststof band gebonden, kartonnen dozen en delen karton in zwarte kunststofzakken zijn aangetroffen. Een vuilniszak met stukken karton heeft in dit rapport SIN-nummer AAJD4843NL en LFO-code T4-A. Uit het NFI-rapport van 21 juli 2020 blijkt dat dit onderzoeksmateriaal bestaat uit twee platgemaakte kartonnen dozen en stukjes van een kartonnen doos, waarvan vervolgens twee stukjes van één platgemaakte kartonnen doos zijn onderzocht. In beide stukjes karton is cocaïne aangetoond. Uit het NFI-rapport van 5 oktober 2020 blijkt dat voor de berekening van de hoeveelheid cocaïne die uit het aangetroffen karton had kunnen worden gehaald en de hoeveelheid cocaïne die is verwerkt, een gehaltebepaling werd uitgevoerd op tien stukjes karton van een kartonnen doos (AAJD4843NL) en het gedroogde materiaal van het uitgeperste karton. Uit de beschrijving en de foto in het NFI-rapport blijkt duidelijk dat een doos is bemonsterd door er op verschillende plekken tien stukken uit te knippen.

Dat er één kartonnen doos is gebruikt voor het onderzoek door het NFI, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit onderzoek niet representatief is. Dat het karton in verschillende vormen en substanties in de loods aanwezig was, is immers inherent aan het productieproces. In het uitgeperste karton is cocaïne aangetroffen, zodat het niet aannemelijk is dat het begin van de keten van het productieproces – de aangetroffen kartonnen dozen en het fijn gescheurd karton – geen cocaïne zou bevatten. Ook is niet gebleken van verschillende soorten kartonnen dozen, bijvoorbeeld in verschillende maten en kleuren en met afwijkende kenmerken. Bovendien acht de rechtbank, vanwege het feit dat de loods is ingericht voor dit productieproces en de verdachten in de loods waren om de cocaïne uit de dozen te wassen, het onwaarschijnlijk dat een aantal van de geleverde dozen geen of aanzienlijk minder cocaïne zou bevatten. Bij dergelijke risicovolle illegale activiteiten, waarbij met name de financiële belangen zo groot zijn, wordt niets aan het toeval overgelaten en moet van een nagenoeg zekere hoeveelheid per doos uitgegaan kunnen worden. Daarbij komt dat het NFI niet heeft gerapporteerd dat zij het onderzoek onvolledig acht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen, te weten het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid materialen bevattende cocaïne, waarbij de rechtbank uitgaat van de bevindingen van het NFI ten aanzien van de hoeveelheid.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

in de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;

feit 2

in de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en verwerken van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden, hebbende verdachte en verdachtes mededaders voorwerpen en stoffen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het delict, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een grote hoeveelheid jerrycans en vaten en (specie)kuipen en andere soorten verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen voorhanden gehad, waaronder caustic soda en Methyl Ethyl Keton en benzine en ammoniak en

- meerdere onderdelen van een productieopstelling voorhanden gehad, waaronder een roermotor en pers en perscilinder en zeven en filtreerdoeken en intermediate bulk containers en (specie)kuipen en pannen;

feit 3

in de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad grote hoeveelheden van materialen bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij daarbij rekening heeft gehouden met de ernst van de feiten – waaronder de omvang en de duur van de productie en de mate van gevaarzetting van het lab, de aanwezige goederen en het productieproces – en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie die uitgaan van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting verzocht, indien een bewezenverklaring volgt, een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd en in de LOVS-oriëntatiepunten is opgenomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte first offender is, vanwege geweld uit Colombia is gevlucht en een zogenoemde ‘onderknuppel’ is. Voorts is sprake van eendaadse samenloop.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het bewerken van cocaïne in een cocaïnewasserij, het voorbereiden van de bewerking van nog meer cocaïne en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne.

Het bewerken (wassen) van cocaïne vormt een belangrijke en onmisbare schakel bij de handel en verkoop van cocaïne. Daarnaast gaat het wassen van cocaïne vaak gepaard met milieuschade, veroorzaakt door het dumpen van afvalstoffen, en explosiegevaar van de chemisch instabiele stoffen die bij het wassen van de cocaïne worden gebruikt. De productie en handel van drugs vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten, omdat gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen. Verdachte heeft bijgedragen aan een georganiseerde vorm van drugscriminaliteit die de laatste jaren in ons land grote vormen heeft aangenomen, en die gepaard gaat met zware, vaak gewelddadige criminaliteit en zwarte geldstromen waardoor de Nederlandse economie wordt ondermijnd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft deelgenomen aan dit proces. Verdachte was een schakel in een groter geheel, maar heeft hierin wel een belangrijke rol vervuld. Hij heeft immers met zijn mededaders daadwerkelijk de cocaïne uit het karton teruggewonnen. Dat dit is gebeurd onder betrekkelijk slechte leefomstandigheden in de loods waarin verdachte de betreffende periode onafgebroken heeft verbleven, betrekt de rechtbank ook in de bepaling van de straf.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van de feiten, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de LOVS-oriëntatiepunten, waaruit blijkt dat voor het bewerken en aanwezig hebben van grote hoeveelheden cocaïne, zoals in dit geval, het uitgangspunt een gevangenisstraf van meerdere jaren is.

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest. Bij de bepaling van deze straf is de rechtbank ervan uitgegaan dat de drie bewezen verklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn gepleegd.

7 Het beslag

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen voorwerp, te weten een bedrag van € 74,05, aan verdachte mag worden teruggegeven.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het beslag geen verweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, te weten het bedrag van € 74,05, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

terwijl bij de feiten 1, 2 en 3 van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht sprake is;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: € 74,05 (goednummer: 591886).

Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens, voorzitter, mr. Dekker en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 januari 2021.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende één of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en), immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een grote hoeveelheid jerrycans en/of vaten en/of (specie)kuipen en/of (andere soorten) verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder caustic soda en/of Methyl Ethyl Keton en/of benzine en/of ammoniak, en/of

- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad, waaronder een roermotor en/of pers en/of perscilinder en/of één of meerdere zeef/zeven en/of filtreerdoek(en) en/of intermediate bulk container(s) en/of (specie)kuip(en) en/of pan(nen);

feit 3

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2020 tot en met 4 maart 2020 te Lepelstraat, gemeente Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad één of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) van cocaïne, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met onderzoeksnummer ZB2R020025 van de regionale politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1264.

1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 3 april 2020, pagina 947 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Hierbij verklaren wij, beiden inspecteur van politie en werkzaam als LFO-expert bij de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking, Landelijk Forensisch Service Centrum, Landelijk Faciliteit Ontmantelen (LFO) het volgende. Op 4 maart 2020 hebben wij onderzoek verricht op de locatie [adres] . In de zuidelijkst gelegen loods werd de productielocatie aangetroffen. Deze loods was aan de oostelijke zijde voorzien van een loopdeur en aan de noordelijke zijde voorzien van enkele schuifdeuren. In het westelijk gelegen deel van de schuur werd een natuurlijke muur/afscheiding aangetroffen van gepositioneerde en gestapelde in kunststof verpakte hooibalen en strobalen. Voor deze natuurlijke muur/afscheiding stond op de vloer een in gebruik zijnde en opengevouwen vouwwagen opgesteld. Voor en naast de vouwwagen stonden stapels door middel van een kunststof band gebonden kartonnen dozen en delen karton in zwarte kunststofzakken opgeslagen. Achter de natuurlijke muur/afscheiding stond in de breedte richting van de loods een partytent met een lengte van circa 12 meter en een breedte van circa 5,20 meter. Voor deze partytent stonden drie IBC’s (Intermediate Bulk Containers) met daarin vermoedelijk afval. In de partytent stonden na de ingang links twee IBC’s en rechts drie IBC’s. In deze IBC’s

bevond zich een vloeistof. Links in de partytent stonden voor de wand vijf speciekuipen met een inhoud van circa 500 liter. In één speciekuip bevond zich een pulp van karton en in de andere vier speciekuipen bevond zich een restant vloeistof.

Voor de wand recht tegenover de ingang stonden vier speciekuipen van respectievelijk twee keer circa 500 liter en twee keer circa 700 liter. In de speciekuipen van circa 500 liter bevond zich respectievelijk een roermotor en een zeef. Beide speciekuipen van circa 700 liter waren gevuld met een twee laags vloeistof. In de rechterhoek van de wand tegen over de ingang van de partytent stond een pers. Deze pers was vervuild met restanten kartonpulp. Voor de pers stond een perscilinder met daarin een uitgeperst blok kartonpulp. Soortgelijke blokken werden zowel links als rechts verspreid aangetroffen. Voor de rechterwand van de partytent werden jerrycans met chemicaliën en diverse kunststof bakken aangetroffen met vloeistoffen of met restanten vloeistoffen.

In de onderstaande tabel zijn alle goederen die relevant zijn voor het proces omschreven. Tent (T).

Sin-sticker / LFO-code Omschrijving

AAJD4840NL / T1-A Metalen 24L pan met restanten wit poeder, deze bemonsterd.

AAJD4841NL / T2-A Zwarte 700L speciekuip, voor 3/4 gevuld met basische vloeistof. Onderlaag betreft een bruine substantie, deze bemonsterd.

AAJD4842NL / T3-A Zwarte 500L speciekuip, voor 4/5 gevuld met bruine substantie, deze bemonsterd.

AAJD4843NL / T4-A Vuilniszak met stukken karton.

T5 5x 1.000L IBC’s waarvan:

AAJD4845NL / T5-B - 3 volledig gevuld met vloeistof met daarop een schuimlaag van ongeveer 4 cm (één keer pH7 en twee keer pH14), degene met pH7 bemonsterd;

AAJD4844NL / T5-A - 1 voor circa 920L gevuld waarvan 880L vloeistof met daarbovenop 40L schuimlaag (pH14);

- 1 voor circa 855L gevuld met 680L vloeistof met daarbovenop 175L schuimlaag. Deze schuimlaag had pH14.

T6 Diverse gerelateerde goederen:

- Zwart zeil;

- Zwarte bak met zeil, haspel en groene filtreerdoeken;

- Emmer met gereedschap, handschoenen en tape;

- 1x slakkenhuis;

- 2x motoren t.b.v. betonmixer;

- Filtreerdoeken en een zogenaamd ‘hondje’;

- 2 roerwerken waarvan één aangesloten op motor.

T7 2 blauwe 200L klemdekselvaten, beiden leeg, met een benzinegeur.

AAJD4846NL / T8-A 4 witte 30L jerrycans, waarvan 3x volledig gevuld en 1x voor 3/4 gevuld met lijvige, kleurloze en heldere vloeistof, een willekeurige bemonsterd, totaal 112,5L.

T9 Hakselaar met daarin snippers karton.

AAJD4847NL / T10-A 3x 1.000L IBC’s, allen gevuld met heldere, kleurloze vloeistof, een willekeurige bemonsterd, totaal 3.000L.

AAJD4848NL / T11-A Witte 30L jerrycan, volledig gevuld met heldere, kleurloze vloeistof, deze bemonsterd, totaal 30L.

AAJD4849NL / T12-A Witte 1.000L IBC, gevuld met circa 75L bruine pulp met geur benzine, deze bemonsterd.

AAJD4850NL / T13-A 16 witte 25L jerrycans met zwarte dop, allen gevuld met heldere, kleurloze vloeistof, een willekeurige bemonsterd, totaal 400L.

T14 Diverse gerelateerde goederen:

- 2x zwarte 20L emmer met restant vloeistof, licht basisch;

- 1x pan;

- 1x blauwe emmer;

- Groen, grof filtreerdoek;

- 11x gripzak, restant wit poeder en geur van benzine;

- 35x gripzakken, leeg en nieuw;

- 1x balans.

AAJD4851NL / T15-A - 4 witte 25L jerrycans, waarvan 1 was voorzien van etiket ‘ammoniakoplossing <25%, Bleko Chemie’, allen gevuld met heldere, kleurloze, sterk basische vloeistof, pH14, een willekeurige bemonsterd.

- 36 witte 5L jerrycans, voorzien van etiket ‘Ammoniakoplossing <25%, JBC Solutions’, waarvan 3x leeg, 29x volledig gevuld, 2x ½ gevuld en 2x met 4,5L gevuld met heldere, kleurloze vloeistof. In totaal 259L.

T16 5x zak van 25 kg met caustic soda, in totaal 125 kg.

T17 18 witte 30L jerrycans. Allen leeg, maar met geur van benzine.

AAJD4854NL / T18-A Zwarte 700L kuip, volledig gevuld met alkalische onderlaag van 60 cm hoogte en daarbovenop een 6 cm laag van vermoedelijk benzine, deze bemonsterd.

AAJD4853NL / T19-A Blauw 200L dopvat met uitgesneden deksel, voor 1/3 gevuld met heldere, gele en organische vloeistof, vermoedelijk benzine, deze bemonsterd.

T20 Zwarte 500L kuip, geheel gevuld met waterig, licht basisch afval

T21 Witte 125L kuip waarvan hoogte van de kuip is 54 cm. Kuip voor 39 cm gevuld met gele, neutrale vloeistof.

T22 - Speciekuip 500L, restant aanwezig van licht basische vloeistof en pulp;

- Zwarte speciekuip 500L, voor 280L gevuld met kleurloze, licht basisch tot neutrale vloeistof;

- Zwarte speciekuip 500L, voor 300L gevuld met kleurloze, licht basische vloeistof.

- Zwarte speciekuip 500L, voor 170L gevuld met kleurloze, licht basische vloeistof;

- Zwarte speciekuip 700L, voorzien van roermechanisme, restant aanwezig van licht basische vloeistof en pulp.

T23 Zwarte bak 41x73x30 cm, voor ½ gevuld met waterige vloeistof met daarop een laagje benzine. Tevens een zwarte emmer 10L in deze bak aanwezig.

AAJD4857NL / T24-A Zwarte 500L speciekuip, geheel gevuld met licht basische vloeistof, deze bemonsterd.

AAJD4852NL / T25-A Witte 125L kuip, gevuld met circa 100L heldere, gele, lichtzure bovenlaag, hierin een rozige, zure onderlaag van circa 10L, deze bemonsterd.

T26 - Pers met elektromotor op wieltjes;

- Zeef t.b.v. pers op een kar;

- Restanten pulp en karton.

T27 - Witte 125L kuip, geheel gevuld met lichtgele vloeistof, pH7-8

- 1 lege, witte emmer.

T28 2x 30L jerrycans, geheel gevuld met gele vloeistof, vermoedelijk benzine.

T29 - 2x zwarte speciekuip;

- witte speciekuip en filtreerdoeken, pH>10.

T30 - 2x zwarte speciekuip 500L;

- 1x zwarte speciekuip 500L, voor ¼ gevuld met neutrale vloeistof en groene zeef.

2. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 juli 2020, pagina 971 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vraagstelling 1

Bevat het onderzoeksmateriaal Opiumwetsubstanties of stoffen vermeld op de bijlage behorende bij de in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc) genoemde verordeningen?

Kernmerk Resultaat

AAJD4840NL bevat vnl. cocaïnebase

AAJD4841NL bevat water met lage concentraties cocaïne gerelateerde stoffen

AAJD4842NL bevat cocaïne en cellulose (kartonpulp)

AAJD4843NL in beide stukjes karton is cocaïne aangetoond (omschrijving: twee platgemaakte kartonnen dozen en stukjes van een kartonnen doos, hiervan zijn twee stukjes van één platgemaakte kartonnen doos onderzocht)

AAJD4845NL bevat water met lage concentraties cocaïne en cocaïne gerelateerde stoffen

AAJD4844NL bevat een alkalische waterige vloeistof met lage concentraties cocaïne gerelateerde stoffen

AAJD4846NL bevat vnl. zwavelzuur

AAJD4847NL bevat vnl. water

AAJD4848NL bevat vnl. mierenzuur

AAJD4849NL bevat water met lage concentraties cocaïne gerelateerde stoffen

AAJD4850NL bevat vnl. MEK (methylethylketon)

AAJD4851NL bevat vnl. ammonia (conform etiket)

AAJD4854NL de bovenlaag bevat cocaïne in benzine, de onderlaag is water met een lage concentratie cocaïne

AAJD4853NL bevat cocaïne in benzine

AAJD4857NL bevat water met lage concentraties cocaïne en cocaïne gerelateerde verontreinigingen stoffen

AAJD4852NL de bovenlaag bevat voornamelijk benzine, de onderlaag is een zure waterige oplossing van cocaïne

Conclusie:

In het onderzoeksmateriaal is cocaïne aangetoond. Cocaïne is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Het onderzoeksmateriaal AAJD4846NL bestaat voornamelijk uit zwavelzuur. Het onderzoeksmateriaal AAJD4850NL bestaat voornamelijk uit MEK (methylethylketon, 2-butanon). Materialen die voornamelijk uit zwavelzuur of MEK bestaan, voldoen aan de omschrijving van geregistreerde stoffen zoals vermeld op bijlage I van de Verordening (EG) nummer 273/2004 inzake drugsprecursoren en de bijlage behorende bij Verordening (EG) nummer 111/2005 betreffende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren. Naar beide verordeningen wordt verwezen in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

3. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 oktober 2020, ongenummerd, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vraagstelling 2

Is het onderzoeksmateriaal gerelateerd aan de vervaardiging en/of bewerking van (synthetische) drugs?

Vraagstelling 3

Is er op basis van de aangetroffen materialen een schatting te geven van de hoeveelheid cocaïne die in het op de locatie aangetroffen karton is verwerkt?

Vraagstelling 4

Is op basis van het aangetroffen afval een inschatting te geven van de hoeveelheid verwerkte cocaïne?

Onderzoek:

Ter beantwoording van vraagstelling 1 en 2:

Bij het laboratoriumonderzoek werd, naast het beschouwen van de uiterlijke kenmerken, het uitvoeren van pH-metingen en van enkele chemische reacties, gebruik gemaakt van infraroodspectroscopie, gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), statische headspace GC-MS en vloeistofchromatografie-massaspectrometrie. Van één van de twee kartonnen dozen van [AAJD4843NL] werden twee stukjes karton uitgesneden en separaat geëxtraheerd met methanol. Na opwerking werden de verkregen oplossingen onderzocht met GC-MS.

Ter beantwoording van vraagstelling 3 en 4:

Voor het beantwoorden van vraagstelling 3 en 4 werd een gehaltebepaling cocaïne

uitgevoerd op één van de twee kartonnen dozen van [AADJ4843NL] en het

uitgeperste karton van [AAJD4855NL en AAJH4856NL]. Van de kartonnen doos van

[AAJD4843NL] werd op tien verschillende plekken (zie figuur 1) een stukje karton uitgesneden [AAJD4843NL_01 t/m AAJD4843NL_10] en onderzocht. Voor de bepaling van het drooggewicht werd van een deel van het geperste karton van [AAJD4855NL en AAJH4856NL] het gewicht bepaald voor en na drogen. Vervolgens werd een gehaltebepaling cocaïne uitgevoerd op het gedroogde materiaal. De gehaltebepaling op de tien stukjes karton en de gedroogde geperste karton werd uitgevoerd met vloeistofchromatografie-massaspectrometrie.

Resultaten:

Ter beantwoording van vraagstelling 1 en 2:

De resultaten van het laboratoriumonderzoek en de op de locatie aangetroffen materialen zijn vermeld in tabel 6 in bijlage 1.

Ter beantwoording van vraagstelling 3 en 4:

Het resultaat van de gehaltebepaling op een kartonnen doos van [AAJD4843NL] en de uitgeperste kartonpulp [AAJD4855NL en AAJH4856NL] is vermeld in tabel 2 en 3. Het gemeten gehalte cocaïne is het minimale gehalte, omdat de extractie van de cocaïne uit het onderzoeksmateriaal niet volledig is geweest en er naast cocaïne ook afbraakproducten van cocaïne zijn aangetoond. Het gemeten gehalte cocaïne is uitgedrukt als cocaïnebase en cocaïne HCI. Cocaïnebase kan met zoutzuur worden omgezet in cocaïne HCI, het zoutzure zout van cocaïne.

Tabel 1 Resultaten gehaltebepaling cocaïne kartonnen doos

Kenmerk

Locatie bemonstering

Gemeten gehalte cocaïne (%)

Cocaïne base

Cocaïne HCI

AAJD4843NL_01

hoekstuk rechts

circa 1,5%

circa 1,7%

AAJD4843NL_02

hoekstuk links

circa 2,9%

circa 3,2%

AAJD4843NL_03

zijkant links

circa 4,8%

circa 5,4%

AAJD4843NL_04

zijkant boven

circa 4,4%

circa 5,0%

AAJD4843NL_05

zijkant rechts

circa 2,7%

circa 3,0%

AAJD4843NL_06

zijkant onder

circa 2,4%

circa 2,1%

AAJD4843NL_07

bodem midden

circa 3,1%

circa 3,5%

AAJD4843NL_08

bodem linksboven

circa 4,0%

circa 4,4%

AAJD4843NL_09

bodem midden onder

circa 2,8%

circa 3,2%

AAJD4843NL_10

bodem rechts boven

circa 1,8%

circa 2,0%

Gemiddeld gehalte cocaïne in de bemonsteringen

circa 3,0%

circa 3,4%

Schatting hoeveelheid cocaïne in doos (872 gram)

circa 29 gram cocaïne HCI; dit komt overeen met circa 26 gram cocaïnebase

Tabel 3 Resultaten gehaltebepaling cocaïne uitgeperst kartonpulp

Kenmerk

% droog karton

Gemeten gehalte cocaïne (%) na drogen

Cocaïne base

Cocaïne HCI

AAJD4855NL

38%

circa 1,0%

circa 1,1%

AAJH4856NL

42%

circa 0,7%

circa 0,8%

Gemiddeld gehalte cocaïne in de bemonsteringen

circa 0,9%

circa 1,0%

Interpretatie:

Uit de resultaten van het laboratoriumonderzoek volgt dat een groot deel van het onderzoeksmateriaal is terug te voeren op de bewerking van cocaïne, namelijk het terugwinnen van cocaïne uit dragermateriaal. Een globale omschrijving van het proces zoals is aangetroffen op de locatie [adres] is als volgt:

Stap 1. Extractie van cocaïne uit dragermateriaal

Het dragermateriaal wordt verscheurd/fijn gemaakt en gemengd met water. Het extractiemengsel wordt enige tijd geweekt en/of geroerd. De waterige vloeistof met daarin de cocaïne wordt afgescheiden van het dragermateriaal, bijvoorbeeld door het te filteren met een filtreerdoek en/of een zeef. Op de locatie werd het achtergebleven materiaal, de kartonpulp, tot blokken geperst. Aan de waterige vloeistof wordt een niet met water mengbaar organisch oplosmiddel zoals benzine toegevoegd en het geheel wordt gedurende enige tijd gemengd. Het oplosmiddel met daarin de cocaïne wordt afgescheiden van de waterige vloeistof en eventueel gefiltreerd; de waterige vloeistof met resten kartonpulp is afval.

Stap 2. Isoleren van de ruwe cocaïnebase

Aan het oplosmiddel met daarin de cocaïne wordt verdund zwavelzuur toegevoegd. De

twee niet-mengende vloeistoffen, namelijk het oplosmiddel en het met water verdunde zwavelzuur, worden geroerd waarbij de cocaïne als sulfaatzout in de zure waterige vloeistof zal oplossen. Het organische oplosmiddel en het verdunde zwavelzuur met daarin de cocaïne worden van elkaar gescheiden. De zure waterige vloeistof wordt alkalisch gemaakt met ammonia waarbij cocaïne als cocaïnebase neerslaat; de cocaïnebase wordt van de waterige laag gescheiden door filtratie. De (zwak) alkalische waterige vloeistof is afval. Na isoleren kan de ruwe cocaïnebase met zoutzuur en geschikte oplosmiddelen worden omgezet in het zoutzure zout cocaïne HCI. Dit is een wateroplosbare vorm van cocaïne. Fr zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze stap op de locatie [adres] werd uitgevoerd.

Tabel 4 Classificatie terugwinning cocaïne uit dragermateriaal

Classificatie

Labcode LFO/kenmerk

Stap 1. Extractie van cocaïne uit dragermateriaal

Dragermateriaal (kartonnen dozen en fijn gescheurd karton)

[T4-A], volgens opgave in totaal circa 374 kg (bundels karton) en circa 922 kg (fijn gescheurd karton)

Hakselaar voor fijn maken karton

[T9]

Water

[T10-A], volgens opgave 3.000 liter in 3x 1.000L IBC’s

Organisch oplosmiddel benzine

[T7], volgens opgave 2 lege blauwe klemdekselvaten van 200 liter

[T17], volgens opgave 18 lege witte 30L jerrycans

[T28], volgens opgave 60 liter

Extractiemengsel water en kartonpulp

[T3-A], volgens opgave een voor 4/5 gevulde speciekuip

Extractiemengsel na filtreren

[T24-A], volgens opgave circa 500 liter

Extractiemengsel na toevoegen benzine

[T18-A], volgens opgave circa 700 liter

Benzine met cocaïne, na afscheiden

[T19-A], volgens opgave een voor 1/3 gevuld 200L vat

Waterig afval na afscheiden benzine

[T2-A], volgens opgave uit een voor ¾ gevulde speciekuip

Pers en zeef voor het uitpersen van vloeistof en/of het tot blokken persen van de kartonpulp

[T26]

Stap 2. Isoleren van de ruwe cocaïne

Zwavelzuur

[T8-A], volgens opgave in totaal 112,5 liter

Ammonia

[T15-A], volgens opgave in totaal 259 liter

Benzine op verdund zwavelzuur met daarin de cocaïne

[T25-A], volgens opgave circa 100 liter (waarvan circa 10 liter cocaïne bevattende onderlaag)

Eindproduct cocaïnebase

[T1-A / AAJD4840NL], restanten uit metalen 24L pan [T1]

Afval van het bewerkingsproces

Uitgeperst karton

[AAJD4855NL en AAJH4856NL], volgens opgave circa 2475 kg

Waterig afval

[T5], volgens opgave in totaal 4805 liter

[T12-A], volgens opgave 75 liter

[T20], volgens opgave 500 liter

Diverse materialen voor het bewerken van cocaïne

[T6], o.a. filtreerdoeken en roerwerken

[T14], o.a. een filtreerdoek, een balans en gripzakken

Beantwoording vraagstelling 3

Voor de schatting van de hoeveelheid cocaïne in het aangetroffen dragermateriaal is gebruik gemaakt van het gemiddelde gehalte cocaïne in de onderzochte kartonnen doos van [AAJD4843NL] (zie tabel 1) en de opgegeven hoeveelheid dragermateriaal van het LFO.

Tabel 5 Schatting hoeveelheid cocaïne in dragermateriaal

Beschrijving LFO

Gewicht (volgens opgave LFO)

Hoeveelheid cocaïne

Dragermateriaal

Cocaïnebase

Cocaïne HCI

Bundels karton

circa 374 kg

circa 11 kg

circa 13 kg

Fijn gescheurd karton

circa 922 kg

circa 28 kg

circa 31 kg

in totaal circa 1296 kg

Schatting totale hoeveelheid cocaïne in het aangetroffen dragermateriaal

circa 39 kg

circa 44 kg

Totale hoeveelheid cocaïne dat niet uit de circa 1296 kg dragermateriaal wordt gehaald

circa 11 kg

circa 13 kg

Schatting totale hoeveelheid cocaïne die uit het dragermateriaal gehaald had kunnen worden

circa 28 kg

circa 31 kg

Op de locatie [adres] werd water gebruikt om de cocaïne uit het karton te halen; dit betekent dat de cocaïne in het karton aanwezig was in de wateroplosbare vorm van cocaïne, namelijk cocaïne HCI. Uit de berekeningen in tabel 5 volgt de schatting dat er circa 44 kg cocaïne HCI (equivalent aan circa 39 kg cocaïnebase) aanwezig is in de op de locatie aangetroffen hoeveelheid dragermateriaal.

Tijdens het bewerkingsproces werd niet alle cocaïne uit het karton gehaald; een klein deel was nog aanwezig in het uitgeperste karton/afval. Uit de gehaltebepaling van het gedroogde materiaal van [AAJD4855NL en AAJH4856NL] blijkt dat dit circa 1% cocaïne HCI (equivalent aan circa 0,9% cocaïnebase) is (zie tabel 3). Om te berekenen hoeveel cocaïne uit het op de locatie aangetroffen dragermateriaal gehaald had kunnen worden met het bewerkingsproces dat daar is uitgevoerd, werd de hoeveelheid cocaïne die achterblijft in het geperste karton/afval afgetrokken van de totale hoeveelheid cocaïne in het dragermateriaal. Er is voor gekozen om dit uit te drukken als cocaïnebase, omdat uit het chemisch onderzoek van [T1-A / AAJD4840NL] is gebleken dat dit het eindproduct van het bewerkingsproces was. Uit de berekeningen in tabel 5 volgt de schatting dat er circa 28 kg cocaïnebase (equivalent aan circa 31 kg cocaïne HCI) uit de op de locatie aangetroffen dragermateriaal (bundels karton en fijn gescheurd karton) gehaald had kunnen worden met het op de locatie uitgevoerde bewerkingsproces.

Beantwoording vraagstelling 4

Volgens opgave van het LFO was er op de locatie [adres] circa 2475 kg uitgeperst karton als afval aanwezig. Het uitgeperste karton was nog vochtig. Uit de resultaten in tabel 3 volgt dat het drooggewicht van het karton circa 40% was. Dit betekent dat de circa 2475 kg uitgeperste karton circa 990 kg gedroogd karton bevatte. Dit is een schatting van de op de locatie verwerkte hoeveelheid dragermateriaal.

Uit de resultaten in tabel 2 en 3 volgt dat er gemiddeld circa 3,0% cocaïnebase in het dragermateriaal is verwerkt en dat hiervan circa 0,9% achterblijft in het gedroogde geperste karton. Hieruit volgt dat de opbrengst van het bewerkingsproces circa 2,1 cocaïnebase is. Voor een hoeveelheid van circa 990 kg gedroogd karton is de schatting dat hier circa 21 kg cocaïne base (equivalent aan circa 24 kg cocaïne HCI) uit is gehaald.

Conclusie:

Vraagstelling 2

Een groot deel van het onderzoeksmateriaal is gerelateerd aan het bewerken van cocaïne, namelijk het extraheren van cocaïne uit karton.

Vraagstelling 3

Uit de resultaten van het onderzoek volgt de schatting dat er circa 44 kg cocaïne HCI aanwezig was in de op de locatie aangetroffen hoeveelheid dragermateriaal. De schatting is dat met het op de locatie uitgevoerde bewerkingsproces er circa 28 kg cocaïnebase (equivalent aan circa 31 kg cocaïne HCI) uit het karton gehaald had kunnen worden.

Vraagstelling 4

Op basis van op de locatie [adres] aangetroffen hoeveelheid uitgeperst karton is de geschatte opbrengst aan verwerkte cocaïnebase circa 21 kg (equivalent aan circa 24 kg cocaïne HCI).

4. Het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] d.d. 4 maart 2020, pagina 507 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 maart 2020 te 01:49 uur hebben wij aangehouden: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag] 1973. Verdachte [medeverdachte 2] bevond zich tezamen met twee medeverdachten in een in een loods gelegen aan de [adres] te Lepelstraat. Na enige tijd zoeken in de loods zag ik, verbalisant [verbalisant 3] , verdachte [medeverdachte 2] boven op de tankauto liggen.

5. Het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 4 maart 2020, pagina 552 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 maart 2020 te 02:08 uur hebben wij aangehouden: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994, in een loods gelegen aan [adres] . Verdachte bevond zich tussen opgestapelde hooibalen. Verdachte had zich verstopt tussen deze hooibalen. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , prikte met een stok tussen genoemde hooibalen waarop ik iemand "auw” hoorde roepen. Kort hierop kwam verdachte tussen de hooibalen tevoorschijn waarna hij werd aangehouden.

6. Het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] d.d. 4 maart 2020, pagina 600 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 4 maart 2020 te 01:32 uur hebben wij aangehouden: [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag] 1969, in een loods gelegen aan [adres] Verdachte

werd aangetroffen bij een voederbak die zich bevond nabij een caravan die

in de loods stond. Ik, verbalisant [verbalisant 7] , zag een knie van de verdachte [medeverdachte 3] achter een voederbak uitsteken waarna ik de verdachte heb aangehouden.

7. Het proces-verhaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 5 maart 2020, pagina 609 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Toen je op je werk aankwam, wie waren er toen binnen?

A: Twee jongens.

V: Wat waren ze aan het doen?
A: Die waren daar aan het werk. Ik moest hun helpen.

V: Je bent in de nacht aangehouden met twee andere mannen. Waren dat ook de mannen die er vanaf het begin bij waren?

A: Ja.

V: Zijn die andere personen nog weg geweest?

A: Nee.

V: Ben je ervan op de hoogte dat de goederen die werden gebracht cocaïne bevatten?

A: Ja.

V: Heeft u de andere jongens gesproken?

A: Jazeker.

V: Wisten die waar ze mee bezig waren?

A: Zeker.

V: Heeft u zich gerealiseerd dat u met een strafbaar feit bezig was?

A: Ja.

A: Alles wat gebeurde was op basis van water.

8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 5 maart 2020, pagina 565 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

O: Jij bent aangehouden op de locatie waar tevens een cocaïnewasserij is.

V: Wat kan je daarover vertellen?

A: Net als ik. Het zijn werkers.

V: Hoe lang was jij er al?

A: Enkele dagen.

V: Hoeveel mensen waren er in de loods tijdens de inval?

A: Drie mensen.

V: Dat is inclusief jou?

A: Verdachte knikt.

V: Zijn de andere mensen gelijk met jou in de loods gekomen?

A: Ja.

V: Toen je bij de loods aankwam heb je toen instructies gehad wat je moest doen?

A: Ja uiteraard.

V: Is hem verteld wat hij moest doen?

A: Ja.

V: Wat moest hij doen, werkzaamheden?

A: Het was heel makkelijk.

9. Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] d.d. 10 maart 2020, pagina 1166 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij kwamen voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres] , Lepelstraat, binnen de gemeente Bergen op Zoom. In de tent troffen wij de volgende goederen aan welke wij hebben veiliggesteld:

  • -

    AAKV3635NL, zaklamp halverwege de tent op een ton;

  • -

    AAMJ2044NL, linker zwarte handschoen achter de tent, alleen te bereiken via de tent.

Verder hebben wij in de tent een drinkflesje mineraalwater bemonsterd en deze bemonstering veilig gesteld onder SIN AAKV3636NL. Achter de tent werd door ons een GSM bemonsterd en deze bemonstering is veiliggesteld onder SIN AAKV3632NL.

In en voor de vouwwagen troffen wij de volgende goederen aan welke wij hebben veilig gesteld:

  • -

    AAMJ2047NL, linker gele handschoen in de vouwwagen;

  • -

    AALJ2750NL, handschoen voor de vouwwagen;

Biologische sporen

Spoornummer: PL2000-2020056634-127991

SIN: AAKV3636NL

Spooromschrijving: Speeksel

Plaats veiligstellen: Flesje bemonsterd

Bijzonderheden: Flesje lag in tent wasserij

Spoornummer: PL2000-2020056634-127992

SIN: AAKV3632NL

Spooromschrijving: Speeksel

Plaats veiligstellen: Bemonstering GSM

Sporendragers

Goednummer: PL2000-2020056634-2167549

SIN: AAKV3635NL

Object: Zaklantaarn

Bijzonderheden: Zaklamp in tent wasserij

Goednummer: PL2000-2020056634-2167566

SIN: AAMJ2044NL

Object: Handschoen

Kleur: Zwart

Bijzonderheden: Zwarte handschoen achter de tent wasserij

Goednummer: PL2000-2020056634-2167575

SIN: AAMJ2047NL

Object: Handschoen

Merk/type: Links

Kleur: Geel

Bijzonderheden: In vouwwagen in loods, naast wasserij

Goednummer: PL2000-2020056634-2167583

SIN: AALJ2750NL

Object: Handschoen

Merk/type: Rechts

Kleur: Zwart

Bijzonderheden: Voor de vouwwagen in de loods, naast wasserij

10. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 20 augustus 2020, pagina 993 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

SIN

DNA kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

AAKV3632NL#01 (gsm)

[verdachte] en minimaal één andere persoon (zie toelichting)

zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’

AAKV3636NL#01 (flesje)

[medeverdachte 2]

zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’

AANS6002NL#01 (buitenzijde zaklamp - AAKV3635NL)

[medeverdachte 3] en minimaal twee onbekende personen

zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’

AANS6020NL#01 (binnenzijde handschoen – AALJ2750NL)

[verdachte] en minimaal één andere persoon

zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’

AANT0722NL#01 (binnenzijde handschoen – AAMJ2044NL

[verdachte]

kleiner dan 1 op 1 miljard

AANT0724NL#01 (binnenzijde handschoen – AAMJ2047NL)

[medeverdachte 3]

kleiner dan 1 op 1 miljard

NNT0725NL#01 (binnenzijde handschoen - AALJ2751NL)

[verdachte]

zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek :

Voor onderstaande bemonsteringen is de bewijskracht berekend.

Bemonsteringen AAKV3632NL#01 (gsm) en AANS6020NL#01 (binnenzijde handschoen - AALJ2750NL)

Voor deze berekeningen is aangenomen dat de bemonsteringen elk DNA bevatten van twee niet-verwante personen. DNA-mengprofielen AAKV3632NL#01 en AANS6020NL#01 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

Bemonstering AAKV3636NL#01 (flesje)

DNA-profiel AAKV3636NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [medeverdachte 2] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.

Bemonstering AANS6002NL#01 (buitenzijde zaklamp - AAKV3635NL)

Voor deze berekening is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie niet-

verwante personen. DNA-mengprofiel AANS6002NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [medeverdachte 3] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen.

Bemonstering AANT0725NL#01 (binnenzijde handschoen - AALJ2751NL)

DNA-profiel AANT0725NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.

11. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 18 november 2020, ongenummerd, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Spoor AAMJ2044NL: de achtzijde van de tent is alleen via de tent te bereiken. Men moet dus door de tent om de achterzijde te kunnen bereiken.

12. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 10] d.d. 26 maart 2020, pagina 808 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij verdachte [medeverdachte 3] werd een telefoon in beslag genomen van het merk Apple, type iPhone. Ik zag dat het “call log” 43 bestanden bevatte waarvan het eerste was gedateerd 17 februari 2020 en het laatste 23 februari 2020. Ik zag dat er bij de afbeeldingen en foto’s een tweetal foto’s voorkwamen welke een gedeelte van het interieur van een koeienstal toonden. De foto’s waren volgens de metadata gemaakt op 23 februari 2020.

13. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 3 april 2020, pagina 812 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij verdachte [medeverdachte 3] werd een iPhone in beslag genomen. Op een tweetal foto’s bevinden zich afbeeldingen waarbij een gedeelte van het interieur van een koeienstal zichtbaar was. Daar ik op de locatie [adres] aanwezig was had ik een duidelijk beeld gekregen van de diverse opstallen, woonhuis met garage en aanwezige loodsen. Op deze locatie bevond zich een grote loods met daarin een inrichting voor jonge dieren, kalveren en de oudere koeien die in deze stal waren gehuisvest. In de loods waren nog enkele compartimenten waaronder een kantoortje annex kantine waar men wat computer gestuurd werk kon doen en drink- en etenswaren konden nuttigen. Vanaf de voorzijde van dit kantoor de loods in kijkend herkende ik de afbeeldingen op de onderstaande foto’s als zijnde het beeld dat vervaardigd is, vanaf deze zijde in de loods kijkend.