Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1139

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20_10393 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10393 GEMWT VV

uitspraak van 11 maart 2021 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster,

gemachtigde: mr. D. van de Weerdt,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Als derde partij hebben aan het geding deelgenomen:

[naam A derde partij] ,

[naam B derde partij] ,

[naam C derde partij] ,

[naam D derde partij] ,

allen te [woonplaats] .

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college, verzonden op

8 december 2020 (bestreden besluit), waarbij het college verzoekster heeft gelast om de overtreding, bestaande uit het vestigen van een autobedrijf en de verkoop van auto’s en de opslag van materialen op het achterterrein op het perceel aan [adres] te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een dwangsom. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 2 februari 2021 heeft het college het bestreden besluit ingetrokken.

Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Uit het besluit van 2 februari 2021 volgt dat het intrekken van het bestreden besluit het gevolg is van het feit dat verzoekster, nadat aan haar de last onder dwangsom is opgelegd, een aanvraag heeft gedaan voor een omgevingsvergunning om de situatie te legaliseren. Het college heeft deze omgevingsvergunning vervolgens op 2 februari 2021 verleend. Daarnaast ligt aan de intrekking van de last onder dwangsom ten grondslag dat bij een nieuwe controle niet langer van overtredingen is gebleken.

Gelet hierop is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een situatie waarin het college geheel of gedeeltelijk is tegemoetkomen aan verzoeksters bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor vergoeding van gemaakte proceskosten. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

3. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 11 maart 2021 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.