Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1138

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
AWB- 21_184 VV + 21_186
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond verklaard en vernietiging bestreden besluit inzake omgevingsvergunning realiseren doorsteek Oudenbosch

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 21/184 WABOA VV en BRE 21/186 WABOA

uitspraak van 11 maart 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Halderberge.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 december 2020 van verweerder (bestreden besluit), waarbij het college aan de gemeente Halderberge een omgevingsvergunning heeft verleend om een doorsteek te realiseren tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te Oudenbosch.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 maart 2021. Verzoeker en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] en [verkeerskundige] , verkeerskundige. Derde partij is niet verschenen.

Overwegingen

Feiten

De gemeente Halderberge is voornemens een verbindingsweg aan te leggen tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te Oudenbosch en heeft in verband daarmee op

16 oktober 2018 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten

  • -

    gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan,

  • -

    het vellen van houtopstanden en

  • -

    het uitvoeren van een werk of werkzaamheden.

Het college heeft op 28 november 2018 kenbaar gemaakt voornemens te zijn de omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan en het kappen van 25 bomen. De ontwerpbeschikking strekkende tot verlening van de omgevingsvergunning en is met ingang van 29 november 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegd.

Verzoeker heeft in reactie op dit voornemen bij brief van 9 januari 2019 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

De zienswijze heeft niet geleid tot een wijziging van het eerdere voornemen. Bij besluit van 25 april 2019 is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de verbindingsweg tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] te Oudenbosch.

Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht.

Bij uitspraak van 10 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2019 vernietigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit heeft het college (wederom) op de aanvraag beslist en een omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en het vellen of doen vellen van een houtopstand.

Standpunt verzoeker

Verzoeker stelt, samengevat, dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen omdat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ontbreekt en het aanwijzingsbesluit van 19 december 2019 (waarin de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijst waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist) niet in werking is getreden omdat het aanwijzingsbesluit niet op juiste wijze is bekendgemaakt.

Hij voert verder aan dat in het bestreden besluit niet (expliciet) is beslist op de aanvraag voor de activiteit ‘uitvoeren van een werk of werkzaamheden’.

Ten aanzien van de activiteit ‘gebruik van gronden in strijd met bestemmingsplan’ betwist verzoeker de noodzaak van het project. Er is in de ruimtelijke onderbouwing niet afdoende onderbouwd dat de situatie zodanig verkeersonveilig is dat een ingrijpende herinrichting van de verkeerssituatie noodzakelijk is. Ter zitting heeft verzoeker hier aan toegevoegd dat hij, na raadpleging van een akoestisch deskundige, geen opmerkingen meer heeft over de geluidsoverlast. Verzoeker vindt wel dat in de belangenafweging te veel nadruk is gelegd op de verkeersbelangen en te weinig rekening is gehouden met zijn belangen.

Ter zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat een prima alternatief denkbaar is door het bestaande fietspad tussen [straatnaam 3] en [straatnaam 2] te verbreden.

Verzoeker heeft ook bezwaar tegen het kappen van 25 bomen.

Standpunt college

Het college stelt, samengevat, dat het aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad op 15 januari 2020 is gepubliceerd. De aanvraag voldoet aan categorie 5 van dit aanwijzingsbesluit, zodat het college bevoegd was de omgevingsvergunning te verlenen zonder verklaring van geen bedenkingen.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat de spoorwegovergang aan de [straatnaam 4] te Oudenbosch en de aansluiting van [straatnaam 2] op de [straatnaam 4] niet veilig was. Daarom is de spoorwegovergang in 2019 anders ingericht: Prorail heeft de slagbomen verplaatst en het hekwerk aangepast en de gemeente Halderberge heeft de fietspaden aangepast en de middenberm verhoogd. Het is verboden om vanaf [straatnaam 2] linksaf richting [straatnaam 5] te rijden. Er ontstaan nu nog gevaarlijke situaties volgens het college omdat automobilisten stil gaan staan op de spoorwegovergang, wanneer zij, komend vanaf de [straatnaam 5] , rechtsaf [straatnaam 2] in willen slaan en de fietsers die rechtdoor fietsen voor moeten laten gaan. Om die situaties te voorkomen, is het huidige plan ontstaan om een doorsteek te maken tussen [straatnaam 1] en [straatnaam 2] en het voorste stukje van [straatnaam 2] eenrichtingsverkeer te maken.

Verder merkt het college op dat in het verleden verschillende alternatieven zijn bekeken en besproken met de buurtbewoners, voordat de gemeente de keuze heeft gemaakt voor dit plan. Het door verzoeker ter zitting genoemde alternatief heeft als nadeel dat het verder omrijden is en het verkeer door andere woonwijken leidt.

Ten slotte heeft het college er op gewezen dat de grond naast de woning en tuin van verzoeker, waar de nieuwe weg is gepland, sowieso al de bestemming ‘verkeer’ heeft.

Voorlopige voorziening

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Er is voldoende spoedeisend belang omdat de gemeente in maart 2021 voor het vogelbroedseizoen de bomen wil kappen. Het is de bedoeling om daarna meteen ook de weg aan te leggen.

Wettelijk kader

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor zover hier van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Het derde lid bepaalt dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

Een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor is een algemeen verbindend voorschrift (zie AbRS 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1987).

Artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad. Op grond van het tweede lid geschiedt de uitgifte van het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze.

In artikel 1 van het Besluit bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden (Besluit) is vastgelegd dat het gemeenteblad wordt uitgegeven op een door het college te bepalen internetadres, waarbij het college er voor zorg draagt dat het gemeenteblad na de uitgifte elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar blijft.

Op grond van artikel 6 van het Besluit zijn de teksten van besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, in geconsolideerde vorm voor een ieder beschikbaar door plaatsing op internet.

De bevoegdheid van het college om een omgevingsvergunning te verlenen

Vaststaat dat de gemeenteraad op 19 december 2019 een aanwijzingsbesluit heeft genomen waarbij een zestal categorieën van gevallen zijn aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.

Ter zitting is namens het college verklaard dat op 15 januari 2020 in de Halderbergse Bode de mededeling is gepubliceerd dat de gemeenteraad op 19 december 2019 een aanwijzingsbesluit heeft genomen. De digitale versie van de Halderbergse Bode van

15 januari 2020 is terug te vinden op de website internetbode.nl. Op de website van de gemeente Halderberge zijn vervolgens de teksten van de raadsbesluiten terug te vinden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het aanwijzingsbesluit niet op de in artikel 139 van de Gemeentewet en het Besluit voorgeschreven wijze is gepubliceerd.

De bekendmaking dient te gebeuren door het plaatsen van de volledige tekst van het aanwijzingsbesluit in het digitale gemeenteblad. Alle gemeenten in Nederland gebruiken daarvoor de Decentrale Regelgeving en Officiële Overheidspublicaties (DROP) van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat zorgt ervoor dat de gemeentebladen elektronisch worden uitgegeven op officielebekendmakingen.nl.

De melding in een plaatselijke krant, dat een aanwijzingsbesluit is genomen, is dus onvoldoende.

Verzoeker heeft er overigens terecht op gewezen dat de voorzieningenrechter al eerder

- ruim voor de datum waarop het bestreden besluit is genomen - heeft geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit van 19 december 2019 niet op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd, in de uitspraak van 16 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3112.

Dit betekent dat er geen aanwijzingsbesluit van kracht is geworden, zodat er geen categorieën van gevallen zijn aangewezen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor geldt dus nog steeds dat een verklaring van geen bedenkingen is vereist. Nu deze niet is verleend, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2;12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wabo de omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van de grond in strijd met het bestemmingsplan.

Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de voorzieningenrechter zal het bestreden

besluit vernietigen. Nu het beroep gegrond wordt verklaard en de zaak finaal wordt afgedaan, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het college zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van de gemeente voor een omgevingsvergunning.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de voorzieningenrechter dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 181,- voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 181,- voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt het college bovendien in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 362,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.602,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 11 maart 2021 en wordt bekend gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.