Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1133

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
AWB- 21_716 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitkering op grond van de Participatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 21/716 VV

uitspraak van 11 maart 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. J.W. van de Wege,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 december 2020 (bestreden besluit) van het college inzake zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Participatiewet. Hij heeft de voorzieningenrechter op 10 februari 2021 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 maart 2021. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt sinds 15 oktober 2009 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

Het college heeft aanleiding gezien onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de uitkering.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat verzoeker op 25 oktober 2012 in Guinee getrouwd is. Zijn vrouw woont nog in Guinee.

Met het bestreden besluit is aan verzoeker meegedeeld dat hij vanaf 1 januari 2021 een uitkering ontvangt naar de norm van een gehuwde met een niet-rechthebbende partner.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat het college geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het religieuze huwelijk wel een rechtsgeldig huwelijk is. Wijziging van de norm kan pas plaatsvinden na een deugdelijk onderzoek.

Verder heeft verzoeker nog gesteld dat geoordeeld moet worden dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Verzoeker heeft nog opgemerkt dat bij de vraag of afstemming moet plaatsvinden niet alle uitgaven zijn meegenomen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. In artikel 21 van de Participatiewet is bepaald wat de norm per kalendermaand voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is. Voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder zonder kostendelende medebewoners is dat € 1.075,44. Voor gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd, zonder kostendelende medebewoners is dat € 1.536,34.

In artikel 24 van de Participatiewet is, kort gezegd, bepaald dat voor gehuwden waarvan een echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft, de norm voor de rechthebbende echtgenoot gelijk is aan 50% van de norm die voor hem zou gelden als hij gehuwd zou zijn met een rechthebbende echtgenoot.

5. Ter zitting heeft is namens verzoeker toegelicht dat verzoeker met de uitkering die hij nu ontvangt niet al zijn kosten voor levensonderhoud en de aflossing van zijn schulden kan betalen.

Anders dan het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een spoedeisend belang bij een voorlopige oordeel over het bestreden besluit. De omstandigheid dat de uitkering van verzoeker ruim onder de norm voor een alleenstaande is vastgesteld, betekent dat verzoeker niet dan wel heel moeilijk zal kunnen rondkomen. Dit klemt te meer nu verzoeker schulden heeft en hij de aflossing van de schulden niet zal kunnen voldoen met de vastgestelde norm. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.

6. Niet in geschil is dat verzoeker in Guinee is getrouwd. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het huwelijk in Nederland kan worden erkend. Daarvoor is van belang dat het voltrokken huwelijk rechtsgeldig is in het land van de huwelijksvoltrekking of daarna rechtsgeldig is geworden1.

Partijen zijn het er over eens dat in een huwelijk in Guinee uitsluitend kan worden gesloten ten overstaan van een ambtenaar2. Een huwelijk dat niet op deze manier is gesloten, is nietig. Als alleen een religieus huwelijk is gesloten wordt dat huwelijk dus niet erkend.

7. Verzoeker heeft een ‘certificat de mariage religieux’ (certificat) overgelegd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er alleen sprake is van een religieus huwelijk. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ook getrouwd is naar burgerlijk recht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft het college verwezen naar het door verzoeker overgelegde certificat waarbij achter het kopje ‘N’ du Mariage Civil’ het nummer 315 staat vermeld.

8. Het bestreden besluit is een belastend besluit. Dit betekent dat op het college de bewijslast rust dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college er niet in geslaagd is te bewijzen dat er ook sprake is van een huwelijk naar burgerlijk recht. De enkele verwijzing naar een nummer op het certificat is daarvoor onvoldoende. Uit het certificat blijkt immers niet wat de betekenis van dit nummer is. Niet uitgesloten is dat het hier om een codering gaat waarmee wordt aangegeven of iemand al dan niet ook een burgerlijk huwelijk heeft gesloten. In ieder geval is zonder nadere toelichting (door bijvoorbeeld de ambassade) niet met zekerheid te stellen dat er ook sprake is geweest van een burgerlijk huwelijk.

Nu niet vaststaat dat er ook sprake is geweest van een burgerlijk huwelijk staat ook niet vast dat er sprake is van huwelijk dat door Nederland kan worden erkend. Omdat aan de wijziging van de bijstandsnorm ten grondslag ligt dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk kan dit besluit naar verwachting, zonder nader onderzoek, niet in stand blijven. De overige gronden behoeven daarom nu niet nader besproken te worden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden toegewezen met ingang van de datum van het verzoek. Het bestreden besluit zal worden geschorst. Dit betekent dat verzoeker weer recht heeft op de eerder vastgestelde norm voor een alleenstaande. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er wel op dat als na nader onderzoek zou blijken dat er sprake is van een burgerlijk huwelijk er mogelijk te veel uitkering zal zijn verstrekt. In dat geval zal verzoeker er rekening mee moeten houden dat de teveel betaalde uitkering zal worden teruggevorderd.

9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit met ingang van 10 februari 2021 tot 2 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 49,-- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier op 11 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Artikel 10:31, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek

2 Artikel 201 van het Burgerlijk Wetboek van Guinee, zie ook ECLI:NL:RBZWB:2019:4440