Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1118

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
C/02/372287 FA RK 20-2529
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie – samenwonen als waren zij gehuwd ex 1:160 BW – afwijzing verzoek.

Onvoldoende aangetoond dat is voldaan aan de door de Hoge Raad gestelde criteria

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/372287 FA RK 20-2529

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,

en

[verweerder]

wonende te [woonplaats2] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.B. de Bree.

1. Het verloop van het geding

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 18 mei 2020 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het op 22 juli 2020 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- de brieven van mr. Hendrikx-Heeren van 25 januari 2021 en 2 februari 2021 met bijlagen, de laatstgenoemde brief tevens houdende een aanvullend verzoek;

- de brieven van mr. De Bree van 26 januari 2021 en 8 februari 2021 met bijlagen, de laatstgenoemde brief tevens houdende een zelfstandig verzoek;

- de beschikking van de rechtbank van 20 april 2018, met aangehecht het door partijen op 12 april 2018 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan.

1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 8 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2 De verzoeken

2.1.

De man verzoekt thans:

- te verklaren voor recht dat met ingang van 1 januari 2020 de alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW;

- de vrouw te veroordelen tot (terug)betaling aan de man van een bedrag van

€ [x 2] bruto per maand over de periode januari 2020 tot en met februari 2021 en vanaf maart 2021 op p.m. te bepalen;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van het [bedrijf] van

€ [xx] .

2.2.

De vrouw verzoekt, samengevat, de man te veroordelen in de kosten van dit geding van € [xxx] .

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 1 juli 2005 tot 30 april 2018.

3.2.

Ingevolge het aan voormelde beschikking gehechte convenant dient de man met ingang van 15 oktober 2020, de datum van de notariële overdracht van de echtelijke woning, een bedrag van € [xxxx] bruto per maand te betalen voor het levensonderhoud van de vrouw en thans -inclusief de wettelijke indexering- € [xxxxx] bruto per maand.

3.3.

De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat de vrouw vanaf 1 januari 2020 samenwoont met de heer [de heer] als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW. Volgens de man is van rechtswege een einde gekomen aan zijn alimentatieverplichting.

3.4.

De vrouw betwist dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.

3.5.

Op grond van vaste jurisprudentie is voor een bevestigend antwoord op de vraag of de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, vereist dat tussen hen een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindigding van de verplichting levensonderhoud te verschaffen.

Duurzame affectieve relatie

3.6.

In dit verband staat vast dat de vrouw een duurzame affectieve relatie heeft met de heer [de heer] .

Samenwonen

3.7.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de man zichtbaar veel moeite heeft gedaan, getuige de hoeveelheid stukken, foto’s en gegevens, om te onderbouwen dat in het onderhavige geval sprake is van samenwonen, de samenwoning onvoldoende is komen vast te staan. De logboeken van de man tonen weliswaar aan dat partijen bijna dagelijks bij elkaar zijn, welke stelling immers niet door de vrouw is weersproken, echter niet is aangetoond dat de heer [de heer] buiten aanwezigheid van de vrouw toegang heeft tot haar woning of (structureel) gebruik maakt van de voorzieningen van de woning van de vrouw. De onderhavige situatie is dan ook anders dan in de door de man aangehaalde beschikking van het Hof Den Bosch ( (ECLI:NL:GHSHE:2017:245).

Ook de door de man overgelegde bevindingen van het [bedrijf1] leiden niet tot de conclusie dat sprake is van samenwonen. Het [bedrijf1] heeft in een e-mailbericht van 6 februari 2021 aan de heer [de heer] nota bene laten weten dat aan de man in maart 2020 is bericht dat ‘er geen noemenswaardige constateringen zijn waargenomen’. Bovendien blijkt uit het verweer van de vrouw, onderbouwd met camerabeelden van de woning van de heer [de heer] en de verklaringen van de voormalige buren van de vrouw, dat de heer [de heer] s’avonds bij de vrouw aankomt en diezelfde avond laat (vrijwel steeds rond 00.00 uur) weer thuiskomt in zijn eigen woning. Slechts sporadisch arriveert de heer [de heer] later dan 00.00 uur thuis. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de heer [de heer] en de vrouw voornamelijk verblijven in hun eigen woning en dat van samenwonen geen sprake is.

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

3.8.

De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak geldt dat van de hier bedoelde huishouding en verzorging onder meer sprake is als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Niet vereist is dat van een financiële verstrengeling van beide inkomens moet zijn gebleken. Een “in elkaars verzorging voorzien” kan ook worden aangenomen als sprake is van een taakverdeling tussen samenwonenden.

3.9.

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat sprake is van financiële verstrengeling. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd betwist, onder andere door middel van het overleggen van een aantal bankafschriften van haar en de heer [de heer] , dat de heer [de heer] zou bijdragen in de kosten van een gezamenlijke huishouding. Uit de bankafschriften blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ieder van partijen voor hun eigen huishouding boodschappen doet en betaalt. Het verschil in uitgaven is ook door de vrouw voldoende beargumenteerd nu haar gezin structureel uit een volwassene en twee kinderen bestaat en het gezin van de heer [de heer] slechts 1 keer per 14 dagen een weekend uit meer dan één volwassene bestaat als zijn kinderen bij hem verblijven. Verder heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onbetwist gesteld dat zij en de heer [de heer] ieder apart voor de gezamenlijke vakantie betalen. Dat de heer [de heer] de tuin een keer zou hebben gesnoeid en wellicht zou hebben geholpen met de verhuizing van de vrouw naar haar nieuwe woning kan niet als het voeren van een gezamenlijk huishouding worden gekwalificeerd. Dat de vrouw en de heer [de heer] elkaar op de momenten dat zij samenzijn van eten en drinken voorzien maakt niet dat sprake is van wederzijdse verzorging zo dat al zou zijn bedoeld door de man. De man heeft, gelet op het voorgaande niet aangetoond dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, dan wel voorzien in elkaars verzorging. Dat de vrouw en de heer [de heer] samen op vakantie zijn geweest, samen op uitjes gaan en de vrouw de heer [de heer] heeft betrokken bij bepaalde familieaangelegenheden maakt het voorgaande niet anders.

3.10.

Gelet op de bovenstaande conclusies van de rechtbank, faalt het beroep van de man op artikel 1:160 BW en zal zijn verzoek worden afgewezen. De rechtbank ziet in hetgeen door de man is aangevoerd, mede gelet op de (onderbouwde) betwisting door de vrouw, zoals hiervoor is weergegeven en geoordeeld geen aanleiding voor omkering van de bewijslast.

Veroordeling in de kosten van het recherchebureau

3.11.

De man heeft voorts verzocht om de vrouw te veroordelen tot vergoeding aan hem van de kosten, gemaakt door de inschakeling van het recherchebureau. De man heeft die kosten gesteld op € [xxxxxx] . en dat bedrag onderbouwd door overlegging van de aan hem door het recherchebureau opgemaakte (voorschot-)facturen van in totaal genoemd bedrag.

3.12.

De vrouw heeft verweer gevoerd, stellende dat de kosten niet noodzakelijk waren, nu immers tussen haar en de heer [de heer] geen sprake is en was van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.

3.13.

De rechtbank oordeelt als volgt. Toekenning van een vergoeding van deze kosten zal slechts mogelijk zijn wanneer deze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, dat wil zeggen dat inzet van het recherchebureau redelijk was en voorts de daarvoor gemaakte kosten redelijk zijn. Nu het onderzoek door het [bedrijf1] niet tot de door de man gewenste conclusie heeft geleid dienen de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening en risico te komen. De rechtbank zal het verzoek van de man tot vergoeding van deze kosten daarom afwijzen.

Proceskostenveroordeling

3.14.

Partijen hebben over en weer verzocht elkaar te veroordelen in de gemaakte proceskosten van de onderhavige procedure. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige procedure ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke regel inhoudende dat de proceskosten worden gecompenseerd en iedere partij de eigen kosten draagt. Ook is de rechtbank van oordeel dat het de man vrijstond een procedure te starten om een oordeel van de rechtbank omtrent het al dan niet bestaan van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW tussen de vrouw en de heer [de heer] te verkrijgen. De man heeft daarmee geen misbruik van recht gemaakt op grond waarvan de man aan de vrouw proceskosten zou moeten vergoeden.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst de verzoeken af;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van

mr. Deckers, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.