Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1114

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5285
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / eigenwoningregeling.

Artikel 3.111, zesde lid, en achtste lid, van de Wet IB 2001. Belanghebbende is voor de duur van vier jaar door het Ministerie van Economische Zaken uitgezonden naar Zuid-Afrika. De in Nederland gelegen woning van belanghebbende en diens echtgenote kwalificeert, in de periode waarin belanghebbendes echtgenote achterbleef in de woning, als eigen woning op grond van artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001. De rechtbank komt voor die periode daarom niet toe aan toepassing van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 (de ‘uitzendregeling’). Voor de periode waarin belanghebbendes echtgenote uit de gezamenlijke woning is vertrokken komt de rechtbank wel toe aan toepassing van de ‘uitzendregeling’. Naar het oordeel van de rechtbank is de ‘uitzendregeling’ voor die periode in overeenstemming met het besluit van 24 november 2009 van toepassing, zodat de woning ook in die periode kan worden aangemerkt als eigen woning.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/1114
FutD 2021-1515 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1786 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
V-N 2021/25.2.3
NLF 2021/1031 met annotatie van
Vp-bulletin 2021/35 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/5285

uitspraak van 10 maart 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 30 januari 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 86.197 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.76.01).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, en namens de inspecteur, [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.735;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). Zij kwalificeren gedurende het gehele jaar 2017 als partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Belanghebbende en zijn echtgenote hebben gezamenlijk drie kinderen: [kind 1] (de oudste dochter) geboren op [geboorte datum 1] , [kind 2] (de jongste dochter) geboren op [geboorte datum 2] en [kind 3] (de zoon) geboren op [geboorte datum 3] .

2.2.

Belanghebbende is met ingang van 15 augustus 2016 voor de duur van vier jaar door het Ministerie van Economische Zaken als ‘Landbouwraad’ geplaatst in [plaats] (Zuid-Afrika).

2.3.

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn gezamenlijk eigenaar van een woning op het adres [adres] , te [plaats 1] (hierna: de woning). Zij stonden vanaf 15 december 2003 in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven op dat adres. Belanghebbende stond volgens de BRP van 15 augustus 2016 tot 17 april 2020 ingeschreven op een adres in Zuid-Afrika. De echtgenote stond volgens de BRP van 20 augustus 2017 tot en met 17 april 2020 op hetzelfde adres in Zuid-Afrika ingeschreven.

2.4.

De oudste dochter stond van 26 maart 2013 tot 1 maart 2019 in de BRP niet ingeschreven op het adres van de woning. De jongste dochter stond van 12 januari 2016 tot 31 juli 2017 in de BRP ingeschreven op een ander adres. Vanaf 1 augustus 2017 staat de jongste dochter in de BRP weer ingeschreven op het adres van de woning. De zoon stond vanaf 24 augustus 2017 tot 12 september 2018 in de BRP ingeschreven op een adres in [plaats 2] .

2.5.

Belanghebbende wordt gedurende zijn uitzending naar Zuid-Afrika aangemerkt als binnenlands belastingplichtige op grond van artikel 2.2, tweede lid, onderdeel a van de Wet IB 2001.

2.6.

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 heeft belanghebbende ter zake van de woning een eigenwoningforfait in aanmerking genomen van € 1.718 berekend over de periode 1 januari 2017 tot en met 19 augustus 2017. Tevens heeft belanghebbende een bedrag van € 18.307 aan aftrekposten eigen woning in aanmerking genomen. Het saldo van negatief € 16.589 is volledig toegerekend aan belanghebbende.

2.7.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 heeft de inspecteur de aftrek ter zake van de eigen woning gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 86.197. Volgens de inspecteur kan de woning in 2017 niet worden aangemerkt als eigen woning van belanghebbende omdat deze niet als hoofdverblijf van belanghebbende fungeerde. Daarnaast is de uitzendregeling van artikel 3.111, zesde lid van de Wet IB 2001 volgens de inspecteur niet van toepassing op de woning, omdat belanghebbende de woning, in strijd met artikel 3.111, zesde lid, onderdeel a van de Wet IB 2001, ter beschikking heeft gesteld aan een derde, te weten de echtgenote. De inspecteur heeft het saldo eigen woning berekend op negatief € 7.467, bestaande uit:

Eigenwoningforfait 1/1 – 19/8: € 362.000 x 0,75% x 229/360 x 50% = € 863

Eigenwoningforfait 20/8 – 31/12: € 362.000 x 1,25% x 131/360 x 50% = € 823

Totaal forfait: € 1.686

Aftrek rente: € 9.153 (€ 18.307 x 50%)

Saldo: € 7.467

Bij de bepaling van dit saldo dient volgens de inspecteur slechts rekening te worden gehouden met het aandeel in de eigen woning dat aan de echtgenote van belanghebbende kan worden toegerekend, zijnde 50%.

Voor het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft de inspecteur de helft van de WOZ-waarde (€ 362.000) en de helft van de waarde van de schulden (€ 261.500) in aanmerking genomen, resulterend in een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil.

Geschil

2.8.

In geschil is of de inspecteur het saldo eigen woning van belanghebbende terecht heeft gecorrigeerd met een bedrag van € 9.122 (zijnde het verschil tussen het volgens de aangifte in aftrek gebrachte bedrag van € 16.589 en het door de inspecteur berekende bedrag van € 7.467).

Eigenwoningregeling - algemeen

2.9.

Onder een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 wordt – voor zover hier relevant – verstaan: een gebouw, voor zover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner grotendeels aangaat.

2.10.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 volgt dat de eigen woning regeling slechts kan worden toegepast op één hoofdverblijf per belastingplichtige1. Artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt bovendien dat bij een belastingplichtige en zijn partner tezamen niet meer dan één hoofdverblijf in aanmerking wordt genomen. Indien partners meer dan één woning hebben die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, kunnen zij bij de aangifte kiezen welke van de woningen als zodanig wordt aangemerkt en daarmee als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 kwalificeert.

2.11.

Een woning die de belastingplichtige tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat kan, grond van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 (hierna: de uitzendregeling) kan toch als eigen woning van een belastingplichtige worden aangemerkt als aan de in dat artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan. In de wetsgeschiedenis2 bij de totstandkoming van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 is het volgende opgenomen:

(…) Voorts moet de woning de belastingplichtige ter beschikking staan, dat wil zeggen dat de woning gedurende die periode niet mag worden verhuurd of dat wordt gedoogd dat derden de woning gebruiken.(…)” (onderstreping Rb)

Tot deze derden worden gerekend ‘al diegenen die niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoren’. Hiertoe kunnen ook kinderen van de belastingplichtige behoren3. De rechtbank merkt verder op dat de uitzendregeling niet langer kan worden toegepast vanaf het moment dat de betreffende woning (door tijdelijke verhuur) aan een derde ter beschikking is gesteld4.

2.12.

Belastingplichtigen die partners zijn in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB in combinatie met artikel 5a AWR, kunnen beiden voor de eigenwoningregeling kwalificeren. Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar dezelfde partner heeft behoren de belastbare inkomsten uit eigen woning tot de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 2.17, derde tot en met het vijfde lid, van de Wet IB 2001. Dit betekent dat partners het saldo van de voordelen uit de eigen woning minus de daarop drukkende kosten kunnen verdelen over beide partners.

2.13.

Bij de beoordeling van het geschil maakt de rechtbank een onderscheid tussen de periode van 1 januari tot en met 19 augustus 2017 enerzijds en de periode van 20 augustus tot en met 31 december 2017 anderzijds.

Periode van 1 januari tot en met 19 augustus 2017

2.14.

De inspecteur heeft gesteld dat de woning niet als eigen woning in de zin van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 kan worden aangemerkt omdat belanghebbende de woning ter beschikking heeft gesteld aan een derde, te weten zijn echtgenote. In dit standpunt ligt besloten dat de inspecteur van mening is dat de woning voor belanghebbende niet kan worden aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de inspecteur hierbij ten onrechte voorbij aan het gegeven dat partners beiden kunnen kwalificeren voor de eigenwoningregeling en het bepaalde in artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001. Immers, uit het onder 2.10. overwogene volgt dat, in het geval een belastingplichtige en zijn partner meer dan één woning als hoofdverblijf ter beschikking staat, zij gezamenlijk kunnen kiezen welke woning als zodanig wordt aangemerkt voor de toepassing van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001.

2.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hoofdverblijf van belanghebbende vanaf 16 augustus 2016 in Zuid-Afrika is gelegen en dat het hoofdverblijf van de echtgenote tot en met 19 augustus 2017 in de woning is gelegen. Vanaf 20 augustus 2017 is ook het hoofdverblijf van de echtgenote in Zuid-Afrika gelegen. Nu belanghebbende en zijn echtgenote gedurende de periode 1 januari 2017 tot en met 19 augustus 2017, meer dan één woning hebben die als hoofdverblijf kan worden aangemerkt, konden zij op grond van artikel 3.111, achtste lid van de Wet IB 2001 gezamenlijk bij de aangifte kiezen welke van de woningen wordt aangemerkt als hoofdverblijf.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 het eigenwoningforfait ter zake van de woning in aanmerking genomen bij het bepalen van de belastbare inkomsten uit eigen woning. De rechtbank leidt hieruit af dat belanghebbende en zijn echtgenote voor de toepassing van artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001 er gezamenlijk voor hebben gekozen om de woning aan te merken als hoofdverblijf voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 19 augustus 2017. Nu niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt voldaan, kwalificeert de woning gedurende die periode voor belanghebbende en zijn partner als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001.

2.16.

Het antwoord op de vraag of de echtgenote voor de toepassing van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 moet worden aangemerkt als een derde, is voor de kwalificatie van de woning als eigen woning gedurende deze periode derhalve niet relevant.

Periode van 20 augustus tot en met 31 december 2017

2.17.

Vanaf 20 augustus 2017 staan niet langer twee woningen aan belanghebbende en zijn partner als hoofdverblijf ter beschikking, zodat de regeling van artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001 niet langer van toepassing is. De woning kwalificeert met ingang van die datum voor belanghebbende en zijn partner niet langer als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001.

2.18.

Belanghebbendes jongste dochter stond vanaf 1 augustus 2017 weer ingeschreven op het adres van de woning en belanghebbendes zoon stond tot en met 23 augustus 2017 ingeschreven op het adres van de woning (zie overweging 2.4). Naar het oordeel van de rechtbank behoorden beide kinderen vanaf het moment dat de echtgenote de woning heeft verlaten niet langer tot het huishouden van de echtgenote omdat zij vanaf dat moment zelfstandig een eigen huishouden vormden in de woning. Gelet op de onder 2.11. genoemde jurisprudentie volgt hieruit dat de woning vanaf dat moment ter beschikking stond van ‘derden’, zodat de uitzendregeling in beginsel niet kan worden toegepast op de woning.

2.19.

Belanghebbende heeft (mede) een beroep gedaan op het besluit van de Staatssecretaris van Financiën5 waarin, op basis van de hardheidsclausule, is goedgekeurd dat de uitzendregeling toch kan worden toegepast als kinderen in de woning blijven wonen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • -

    Vanaf het moment van de uitzending wonen uitsluitend de kinderen van de belastingplichtige of zijn partner in de woning.

  • -

    De kinderen zijn jonger dan 27 jaar. Als een kind 27 jaar wordt, vervalt vanaf dat moment de goedkeuring.

  • -

    De kinderen behoorden direct voorafgaand aan de uitzending tot het huishouden van de belastingplichtige.

  • -

    De kinderen blijven de woning om niet bewonen. Er wordt dus geen huur betaald.

De hiervoor bedoelde kinderen worden in dit kader niet gezien als derden. Als die kinderen verhuizen, kan de uitzendregeling van toepassing blijven.

2.20.

Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de echtgenote niet als derde in de zin van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 moet worden aangemerkt, heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de uitzendregeling vanaf 1 augustus 2017 (datum terugkeer van de jongste dochter naar de woning) niet meer van toepassing is. De inspecteur heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de jongste dochter op het moment van vertrek van belanghebbende naar Zuid-Afrika (15 augustus 2016) niet tot het huishouden van belanghebbende behoorde zodat niet aan de derde voorwaarde van het besluit wordt voldaan. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden van het besluit wordt voldaan.

2.21.

De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de echtgenote samen met de jongste dochter en de zoon één huishouden vormde tot het moment direct voorafgaande aan het vertrek van de echtgenote naar Zuid-Afrika. Uit het onder 2.14. overwogene volgt verder dat de woning tot en met 19 augustus 2017 werd aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 van belanghebbende en zijn echtgenote. Eerst vanaf het vertrek van de echtgenote zou de uitzendregeling van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 toepassing kunnen vinden op de woning. Hoewel uit het genoemde arrest van de Hoge Raad uit 20126 volgt dat de goedkeuring van de staatssecretaris in het besluit restrictief moet worden uitgelegd, ziet de rechtbank voor het onderhavige geval toch aanleiding om belanghebbendes beroep daarop te honoreren. Anders dan waar de inspecteur van is uitgegaan, acht de rechtbank daartoe beslissend dat de jongste dochter (weer) tot het huishouden van belanghebbendes echtgenote behoorde direct voorafgaand aan het moment dat de echtgenote naar Zuid-Afrika vertrok en de uitzendregeling voor het eerst toepassing zou kunnen vinden op de woning. Dat in het besluit als voorwaarde is gesteld dat de kinderen direct voorafgaand aan de uitzending tot het huishouden van de belastingplichtige behoorden, doet hier niet aan af. Gelet op het karakter van de eigen woning als gezamenlijk inkomensbestanddeel – in samenhang bezien met het bepaalde in artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001, is belanghebbendes partner namelijk ook een ‘belastingplichtige’ als bedoeld in het besluit. De rechtbank acht het onder die omstandigheden in overeenstemming met het besluit dat de woning vanaf 20 augustus 2017 wordt aangemerkt als eigen woning op grond van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001.

Vaststelling van de belastbare inkomsten uit eigen woning

2.22.

Uit het voorgaande volgt dat de woning gedurende het gehele jaar 2017 voor belanghebbende en zijn partner kan worden aangemerkt als eigen woning zodat ter zake daarvan voor het gehele jaar het eigenwoningforfait in aanmerking dient te worden genomen waarop de door belanghebbende en zijn partner betaalde rente van € 18.307 in aftrek kan worden gebracht. Voor de periode 1 januari 2017 tot en met 19 augustus 2017 wordt het eigenwoningforfait daarbij gesteld op 0,75% van de WOZ-waarde (€ 362.000). Voor de periode van 20 augustus 2017 tot en met 31 december 2017 bedraagt het eigenwoningforfait 1% van die WOZ-waarde7.

2.23.

De belastbare inkomsten uit eigen woning bedragen aldus € 14.929, bestaande uit:

Eigenwoningforfait 1/1 – 19/8: € 362.000 x 0,75% x 228/360 = € 1.719

Eigenwoningforfait 20/8 – 31/12: € 362.000 x 1,25% x 132/360 = € 1.659

Totaal forfait: € 3.378

Aftrek rente: € 18.307

Saldo € 14.929

Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt in 2017 derhalve € 78.735.

Conclusie

2.24.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.25.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is op 10 maart 2021 gedaan door mr. T.H.J. Verhagen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 144–145 (MvT).

2 (Eerste) NvW, Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 7, p. 10–11.

3 Zie Hoge Raad 21 december 2012, 11/04685, ECLI:NL:HR:2012:BX9090 en meer recentelijk Hoge Raad 23 oktober 2020, nr. 19/05223, ECLI:NL:HR:2020:1667.

4 Zie Hoge Raad 20 februari 2015, nr. 13/05641, ECLI:NL:HR:2015:355.

5 Zie onderdeel 6.2 van het besluit van 2 november 2009, nr. CPP2009/998M, BNB 2010/27, dat inhoudelijk ongewijzigd is overgenomen in het besluit van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M.

6 Zie voetnoot 3.

7 Zie artikel 3.112, vijfde lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2017).