Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1103

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4522
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Misbruik van recht. Belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/604
Viditax (FutD), 11-03-2021
FutD 2021-0819 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1081 met annotatie van
Belastingblad 2021/147 met annotatie van R.A. Eskes
NLF 2021/0609 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht


Zaaknummers: 19/6772, 19/6773, 19/5651, 19/5652, 19/6774, 19/6775, 20/36, 20/4814, 19/4522, 19/4523, 19/5698, 19/5699, 19/5822, 19/4892, 19/4893, 19/4894, 19/5610, 19/5614, 19/5616, 20/5121, 20/6002, 20/6003, 19/6652, 19/4661, 19/6739, 20/5122, 20/5288 en 20/5632.

Uitspraak van 9 maart 2021 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

gemachtigde: [gemachtigde belanghebbende] ,

en

de heffingsambtenaren van Belastingsamenwerking West-Brabant en van de gemeenten Tilburg, Oisterwijk, Vlissingen, Goes en Sluis, de heffingsambtenaren,

en

de invorderingsambtenaren van de gemeenten Breda, Tilburg, Oisterwijk, Goes, Roosendaal en Bergen op Zoom, de invorderingsambtenaren.


Procesverloop

De heffingsambtenaren hebben aan belanghebbende de hierna genoemde naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.

Daarnaast hebben de directeur van P1 Holding B.V. namens de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg en Cannock Chase Public namens de overige invorderingsambtenaren de hieronder genoemde aanmaningen en dwangbevelen uitgevaardigd richting belanghebbende.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen alle naheffingsaanslagen parkeerbelasting en tegen de invorderingskosten die verband houden met de aanmaningen en dwangbevelen.

De heffingsambtenaren en invorderingsambtenaren hebben alle bezwaarschriften van belanghebbende bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Aanslag

Gemeente

Datum besluit

Datum bezwaar

Datum UOB

19/6772

Naheffingsaanslag

Breda

25 juni 2019

27 juni 2019

18 december 2019

19/6773

Naheffingsaanslag

Breda

26 juni 2019

24 juli 2019

18 december 2019

19/5651

Aanmaning

Breda

29 juli 2019

3 augustus 2019

1 november 2019

19/5652

Aanmaning

Breda

29 juli 2019

3 augustus 2019

1 november 2019

19/6774

Dwangbevel

Breda

8 november 2019

9 november 2019

19 december 2019

19/6775

Dwangbevel

Breda

8 november 2019

9 november 2019

19 december 2019

20/36

Naheffingsaanslag

Tilburg

1 juli 2019

1 augustus 2019

18 december 2019

20/4814

Dwangbevel

Tilburg

20 januari 2020

21 januari 2020

19 februari 2020

19/4522

Naheffingsaanslag

Oisterwijk

9 juli 2019

26 juli 2019

28 augustus 2019

19/4523

Naheffingsaanslag

Oisterwijk

9 juli 2019

26 juli 2019

28 augustus 2019

19/5698

Aanmaning

Oisterwijk

12 augustus 2019

20 augustus 2019

29 oktober 2019

19/5699

Aanmaning

Oisterwijk

12 augustus 2019

20 augustus 2019

29 oktober 2019

19/5822

Naheffingsaanslag

Vlissingen

22 juli 2019

23 juli 2019

11 november 2019

19/4892

Naheffingsaanslag

Goes

23 juli 2019

26 juli 2019

23 september 2019

19/4893

Naheffingsaanslag

Goes

24 juli 2019

26 juli 2019

23 september 2019

19/4894

Naheffingsaanslag

Goes

25 juli 2019

26 juli 2019

23 september 2019

19/5610

Aanmaning

Goes

26 augustus 2019

31 augustus 2019

1 november 2019

19/5614

Aanmaning

Goes

26 augustus 2019

31 augustus 2019

1 november 2019

19/5616

Aanmaning

Goes

26 augustus 2019

31 augustus 2019

1 november 2019

20/5121

Dwangbevel

Goes

8 november 2019

9 november 2019

13 maart 2020

20/6002

Dwangbevel

Goes

8 november 2019

9 november 2019

13 maart 2020

20/6003

Dwangbevel

Goes

8 november 2019

9 november 2019

13 maart 2020

19/6652

Naheffingsaanslag

Sluis

27 juli 2019

29 juli 2019

13 december 2019

19/4661

Naheffingsaanslag

Roosendaal

2 augustus 2019

4 augustus 2019

4 september 2019

19/6739

Aanmaning

Roosendaal

2 september 2019

6 september 2019

4 december 2019

20/5122

Dwangbevel

Roosendaal

8 november 2019

9 november 2019

16 maart 2020

20/5288

Naheffingsaanslag

Bergen op Zoom

20 november 2019

29 januari 2020

20 maart 2020

20/5632

Aanmaning

Bergen op Zoom

9 december 2019

12 december 2019

6 mei 2020

De rechtbank heeft de zaken - gelijktijdig en ambtshalve gevoegd - behandeld op de zitting in Breda op 26 januari 2021. Belanghebbende was daar samen met zijn gemachtigde bij aanwezig. Namens de invorderingsambtenaren van de gemeenten Breda, Oisterwijk, Goes, Roosendaal en Bergen op Zoom was [gemachtigde verweerder 1] aanwezig. De heffingsambtenaar en de invorderingsambtenaar van de gemeente Tilburg hebben zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde verweerder 2] . Namens de heffingsambtenaar van de gemeente Sluis waren [gemachtigde verweerder 3] en [gemachtigde verweerder 4] aanwezig. De heffingsambtenaar van de gemeente Goes heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde verweerder 5] , de heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen door [gemachtigde verweerder 6] en de Belastingsamenwerking West-Brabant door [gemachtigde verweerder 7] .

De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting per brief geïnformeerd over de ambtshalve voeging en heeft partijen medegedeeld dat ter zitting in ieder geval de volgende onderwerpen besproken zouden worden: de ontvankelijkheid van het beroep en de vraag of er sprake is van misbruik van recht, de vraag of sprake is van een belastbaar feit als een auto deels op het trottoir geparkeerd stond en welke betekenis een verzoek tot uitstel van betaling heeft voor de invordering van de naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Overwegingen


1. Feiten


Belanghebbende is eigenaar van het voertuig met kenteken [kenteken] .

Gemeente Breda (19/6772, 19/6773, 19/5651, 19/5652, 19/6774, 19/6775)

Op 25 juni 2019 en 26 juni 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Breda geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Speelhuislaan te Breda. De auto stond beide keren met twee rechterwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,10), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft die bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

De invorderingsambtenaar heeft op 29 juli 2019 aanmaningen gestuurd naar belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. Op 8 november 2019 heeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Tilburg (20/36 en 20/4814)

Op 27 juni 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Tilburg geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Burgemeester Brokxlaan te Tilburg. De auto stond met twee rechterwielen op het trottoir dan wel in de openbare beplantingen. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 63,00), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Op 20 januari 2020 heeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. In een uitspraak op bezwaar heeft de invorderingsambtenaar het tegen die kosten gerichte bezwaar ongegrond verklaard, maar heeft de invorderingsambtenaar de betekeningskosten ingetrokken.

Gemeente Oisterwijk (19/4522, 19/4523, 19/5698 en 19/5699)

Op 8 juli 2019 en 9 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Oisterwijk geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Spoorlaan te Oisterwijk. De auto stond op beide dagen met twee linkerwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 62,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft die bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

De invorderingsambtenaar heeft op 12 augustus 2019 aanmaningen gestuurd naar belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Vlissingen (19/5822)

Op 22 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Vlissingen geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Koningsweg te Vlissingen. De auto stond gedeeltelijk op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,70), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


Gemeente Goes (19/4892, 19/4893, 19/4894, 19/5610, 19/5614, 19/5616, 20/5121, 20/6002 en 20/6003)

Op 23 juli 2019, 24 juli 2019 en 25 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Goes geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Dam te Goes. De auto stond met één rechterwiel op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 55,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft die bezwaren bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

De invorderingsambtenaar heeft op 26 augustus 2019 drie aanmaningen gestuurd naar belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 7,00 aanmaningskosten. Op 8 november 2019 heeft de invorderingsambtenaar drie dwangbevelen uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij de verschuldigde bedragen zijn vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Sluis (19/6652)

Op 27 juli 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Sluis geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Groote Markt te Sluis. De auto stond met twee linkerwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 62,70), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Gemeente Roosendaal (19/4661, 19/6739 en 20/5122)

Op 2 augustus 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Roosendaal geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Parklaan – Hoogstraat te Roosendaal. De auto stond met twee rechterwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 64,20), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

De invorderingsambtenaar heeft op 2 september 2019 een aanmaning gestuurd naar belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 7,00 aanmanings-kosten. Op 8 november 2019 heeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd aan belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 42,00 betekeningskosten. De tegen die invorderingskosten gerichte bezwaren heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.


Gemeente Bergen op Zoom (20/5288 en 20/5632)

Op 12 november 2019 heeft een parkeercontroleur van de gemeente Bergen op Zoom geconstateerd dat het voertuig met kenteken [kenteken] geparkeerd stond aan de Iepstraat te Bergen op Zoom. De auto stond met twee rechterwielen op het trottoir. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende (€ 60,40), omdat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Belanghebbende heeft daar bezwaar tegen gemaakt en de heffingsambtenaar heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

De invorderingsambtenaar heeft op 9 december 2019 een aanmaning gestuurd naar belanghebbende, waarbij het verschuldigde bedrag is vermeerderd met € 7,00 aanmanings-kosten. Het tegen die invorderingskosten gerichte bezwaar heeft de invorderingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.


2. Gronden

Gronden tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting


Belanghebbende heeft, kort samengevat, tegen alle naheffingsaanslagen aangevoerd dat de heffingsambtenaren de naheffingsaanslagen parkeerbelasting niet hadden mogen opleggen, omdat geen sprake was van ‘parkeren’. In de beroepsprocedure met zaaknummer 19/4661 heeft belanghebbende daarnaast aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden en in de beroepsprocedure met zaaknummer 20/5288 heeft belanghebbende verzocht om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaar.

Gronden tegen invorderingskosten


Belanghebbende heeft in een groot deel van de invorderingszaken aangevoerd dat de invorderingsambtenaren geen aanmanings- of betekeniskosten in rekening had mogen brengen, omdat belanghebbende een verzoek had gedaan tot uitstel van betaling waarop nog niet was beslist op het moment van de aanmaning of het dwangbevel.1 Ook heeft belanghebbende in een groot deel van de invorderingszaken2 aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden. In een aantal invorderingszaken3 heeft belanghebbende daarnaast aangevoerd dat de aanmaningen en dwangbevelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn uitgevaardigd. In het beroep met zaaknummer 20/4814 heeft belanghebbende aangevoerd dat zijn bezwaar ten onrechte ongegrond is verklaard en dat aan hem ten onrechte geen proceskostenvergoeding in bezwaar is toegekend. In dat beroep heeft belanghebbende ook aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is gedaan. In de beroepen met procedurenummer 20/6002 en 20/6003 heeft belanghebbende kritiek geuit op het bedrijf dat de invordering in mandaat uitvoert voor de invorderingsambtenaren van de gemeenten Breda, Oisterwijk, Goes, Roosendaal en Bergen op Zoom: Cannock Chase Public. In een aantal beroepen4 heeft belanghebbende de rechtbank verzocht om een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

3. Wettelijk kader

De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
4. Ontvankelijkheid van de beroepen

4.1

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of belanghebbende en zijn gemachtigde misbruik hebben gemaakt van de aan hen toegekende bevoegdheid om beroep in te stellen bij de belastingrechter.

4.2

Uit de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de bevoegdheid om bij de belastingrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen, wanneer die bevoegdheid wordt misbruikt. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij de belastingrechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig wanneer rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.5 Een ‘andere omstandigheid’ kan zijn gelegen in het gedrag van de belanghebbende voorafgaand en tijdens de besluitvormingsfase.6

De rechtbank acht de navolgende omstandigheden relevant.

4.3

Belanghebbende heeft zijn auto op 25, 26, 27 juni 2019, op 8, 9, 22, 23, 24, 25 en 27 juli 2019, op 2 augustus 2019 en op 12 november 2019 geplaatst op een parkeervak met één of twee wielen op het trottoir of de trottoirband.

Uit de bijgevoegde foto’s blijkt dat dit niet nodig was, omdat de verschillende parkeervakken voldoende ruim waren om daar een auto te kunnen parkeren.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij zijn auto steeds zo wegzette, omdat hij geen parkeergeld wilde betalen. Door de heffingsambtenaar van de gemeente Vlissingen is ter zitting aangegeven dat het voertuig van belanghebbende op bovengenoemde wijze werd neergezet op een grote parkeerplaats waar de eerste drie uur gratis geparkeerd mocht worden, zolang een daartoe strekkend parkeerkaartje uit de automaat werd gehaald. Als het belanghebbende daadwerkelijk alleen maar te doen was geweest om het niet betalen van parkeerbelasting, had het voor de hand gelegen om zo’n kaartje uit de automaat te halen.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij zijn auto in 2019 in heel Nederland op deze manier heeft geparkeerd. Zijn gemachtigde heeft verklaard dat hij voor belanghebbende de naheffingsaanslagen parkeerbelasting heeft aangevochten en dat de aanslagen in veel gevallen zijn vernietigd. Daarnaast heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat er inmiddels in ongeveer 30 beroepszaken uitspraak is gedaan door verschillende rechtbanken. Er lopen daarnaast nog andere procedures. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende zijn auto in 2019 minstens 40 keer op deze wijze heeft geparkeerd door heel Nederland.

In alle namens hem door zijn gemachtigde gevoerde procedures voert belanghebbende aan dat hij, door zijn auto deels op het trottoir te plaatsen, niet ‘geparkeerd’ heeft in de zin van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en de verschillende Parkeerbelasting-verordeningen, omdat hij een overtreding van artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft begaan.

De rechtbank komt tot de conclusie dat belanghebbende bewust zijn auto deels op het trottoir heeft geparkeerd en een administratieve sanctie (verkeersboete) van € 95,- heeft geriskeerd, om dit argument te kunnen aanvoeren zodra aan hem een naheffingsaanslag parkeerbelasting werd opgelegd. Belanghebbende heeft zijn auto vele malen door heel Nederland op deze manier neergezet om zo in verschillende gemeenten naheffingsaanslagen parkeerbelasting uit te lokken.

4.4

De rechtbank stelt vast dat na ontvangst van een naheffingsaanslag door belanghebbende en zijn gemachtigde een format wordt uitgerold waarbij alle besluiten van de heffingsambtenaren en de invorderingsambtenaren worden aangevochten. Belanghebbende en zijn gemachtigde maken daarbij gebruik van grotendeels gelijkluidende beroepsgronden, bezwaar- en beroepschriften en starten een veelheid aan procedures. Standaard wordt in elk bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag gevraagd om uitstel van betaling. Geen enkele naheffingsaanslag wordt betaald. Iedere overschrijding van de beslistermijn leidt onmiddellijk tot een ingebrekestelling en vervolgens een verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Invorderingshandelingen worden zowel civielrechtelijk als bestuursrechtelijk aangevochten. En ondanks alle ongegrondverklaringen van de inhoudelijke beroepsgronden door de verschillende rechtbanken en hoven, worden de procedures onverkort doorgezet.

4.5

Uit de verschillende procedures blijkt verder dat dit gebeurt op basis van een vaste samenwerking tussen belanghebbende en zijn gemachtigde. Binnen die samenwerking wordt gebruik gemaakt van een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging. In die machtiging staat dat belanghebbende zijn gemachtigde machtigt om namens hem als vertegenwoordiger op te treden inzake (in de toekomst) opgelegde bestuurlijke boetes, (belasting)aanslagen en overige bestuursrechtelijke zaken. De rechtbank ziet hierin een aanwijzing voor misbruik van de bevoegdheid tot het instellen van beroep.7

4.6

Een andere aanwijzing voor misbruik van recht is het voeren van procedures door een gemachtigde op no cure no pay basis.8 In dat geval komen proceskostenvergoedingen en dwangsommen als honorarium aan de gemachtigde toe. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende bevestigd dat hij normaliter op no cure no pay basis werkt. Voor deze procedures heeft hij echter met belanghebbende een uurloon afgesproken.

De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk, omdat de gemachtigde ter zitting heeft toegegeven dat hij nog geen enkele factuur naar belanghebbende heeft verzonden, terwijl al de procedures al lopen sinds 2019.

4.7

Resumerend stelt de rechtbank vast dat de 28 beroepsprocedures die nu aanhangig zijn bij deze rechtbank, zijn terug te voeren op 12 naheffingsaanslagen parkeerbelasting in 2019. Elke naheffingsaanslag is opgelegd omdat belanghebbende zijn auto deels op een fiscaal parkeervak en deels op het trottoir had geparkeerd zonder parkeerbelasting te betalen. Belanghebbende heeft geen enkele naheffingsaanslag betaald. In de beroepszaken zijn gelijkluidende beroepsgronden ingediend, de machtigingen om beroep in te stellen zijn algemeen geformuleerd en de financiële afspraken tussen belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet inzichtelijk gemaakt. Daarnaast is duidelijk dat belanghebbende en zijn gemachtigde vele andere procedures hebben gevoerd, voortkomend uit minstens 30, onder identieke omstandigheden opgelegde, naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Er is dus sprake van een intensieve samenwerking tussen belanghebbende en zijn gemachtigde.

4.8

In het hiervoor omschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, ziet de rechtbank zwaarwichtige gronden om aan te nemen dat de bevoegdheid tot het instellen van beroep door belanghebbende en zijn gemachtigde wordt gebruikt voor het genereren van beroepsprocedures om proceskostenvergoedingen en dwangsommen te innen. De bevoegdheid tot het instellen van beroep wordt daarmee evident gebruikt voor een ander doel dan waartoe zij is gegeven.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij misbruik maken van hun recht op het instellen van beroep. De rechtbank zal de beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.

5. Proceskosten

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde van) belanghebbende in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat biedt in beginsel grond om belanghebbende te veroordelen in de kosten die de heffingsambtenaren en invorderingsambtenaren in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken.

Alleen de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant heeft in de beroepsprocedures met zaaknummers 19/6772 en 19/6773 verzocht om vergoeding van proceskosten, bestaande uit 8 uur werkzaamheden (€ 85,- per uur: € 680,-) en reiskosten retour openbaar vervoer van Etten Leur naar Breda. Een proceskostenveroordeling kan echter alleen betrekking hebben op kosten die zijn genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Omdat de werkzaamheden zijn verricht door een ambtenaar die in dienst is bij de Belastingsamenwerking West-Brabant kunnen die kosten niet worden aangemerkt als kosten die zijn gemaakt voor een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent aan de heffingsambtenaar. Gelet daarop komen alleen de reiskosten openbaar vervoer van Etten-Leur naar Breda (retour) van € 6,20 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt belanghebbende in de beroepen met zaaknummers 19/6772 en 19/6773 in de proceskosten van de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant tot een bedrag van € 6,20.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 9 maart 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Wettelijk kader

Burgerlijk Wetboek (BW)

Artikel 3:13 van het BW

  1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.

  2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

  3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.

Artikel 3:15 van het BW

De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

1 19/5651, 19/5652, 19/6774, 19/6775, 19/5610, 19/5614, 19/5616, 19/6739 en 20/5632.

2 19/5651, 19/5652, 19/6774, 19/6775, 19/5698, 19/5610, 19/5614, 19/5616, 19/6739.

3 19/6774, 19/6775, 20/5121, 20/6002, 20/6003 en 20/5122.

4 20/5121, 20/6002, 20/6003, 20/5122 en 20/5632.

5 AG HR 29 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:702, ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:396.

6 ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, overwegingen 8.3 tot 8.7, met noot van T. Barkhuysen en L.M. Koenraad in Gst. 2015/33.

7 ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:991

8 ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en AG HR 29 mei 2019 ECLI:NL:PHR:2019:702