Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1076

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
C/02/377126 / FA RK 20-5022
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man niet verschenen. Eenhoofdig gezag vanwege gebrek aan medewerking beslissingen aangaande de minderjarigen. Ontzegging omgang. Mede gezien hun zware problematiek niet in het belang minderjarigen dat nakoming kan worden gevraagd van de vastgestelde omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummer: C/02/377126 / FA RK 20-5022

beschikking d.d. 16 maart 2021

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen de man,

advocaat: voorheen mr. A.M.M. de Waal te Bergen op Zoom (gedesisteerd).

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken aangaande na te noemen minderjarigen te adviseren.

1. Het procesverloop

1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 25 september 2020 ontvangen verzoek wijziging omgang en beëindiging gezamenlijk gezag en verzoek wijziging kinderalimentatie met bijlagen;

- de brief van mr. Baas van 15 februari 2021 met bijlagen;

- de brief van mr. Baas van 18 februari 2021 met bijlagen.

1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 25 februari 2021. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, verschenen noch vertegenwoordigd.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn ex-echtgenoten. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2017 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Bergen op Zoom op 20 november 2017.

2.2.

Partijen hebben de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op 17 juli 2013;

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op 26 april 2016.

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2.4.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding voor de minderjarigen vastgelegd in een door hen op 21 september 2017 ondertekende vaststellingsovereenkomst. De onderlinge regelingen van de vaststellingsovereenkomst maken deel uit van voornoemde echtscheidingsbeschikking van 15 november 2017.

2.5.

In voornoemde vaststellingsovereenkomst zijn partijen ten aanzien van de minderjarigen, voor zover van belang en samengevat, overeengekomen dat:

  • -

    de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;

  • -

    de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag 17.15 uur voor het eten tot en met zondagavond 18.30 na het eten en van dinsdagmiddag na de opvang of school tot en met woensdagochtend, alsmede gedurende de helft van de (school)vakanties, feestdagen en andere vrije dagen bij de man verblijven;

  • -

    de man aan de vrouw, in de eerste week van iedere maand bij vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen voldoet van € 110,= per kind per maand.

3 De verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. omgangsregeling:

- primair: te bepalen dat de vastgestelde omgangsregeling wordt gewijzigd en dat er geen omgangsverplichting zal gelden tussen de kinderen en de man;

- subsidiair: te bepalen dat er een bijzondere curator zal worden benoemd voor de kinderen;

II. beëindiging gezamenlijk gezag:

- primair: te bepalen dat gezamenlijk gezag van de man en de vrouw dient te worden gewijzigd en te bepalen dat de vrouw voortaan het gezag alleen zal uitoefenen;

- subsidiair: te bepalen dat er een Raadsonderzoek zal plaatsvinden ten behoeve van het gezamenlijk gezag;

III. kinderalimentatie:

- te bepalen dat de beschikking van 15 november 2017 wordt gewijzigd in dier voege dat de man met een bedrag van € 400,= per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, met ingang van indiening van het verzoek voor de toekomst en bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat zij tijdens de mondelinge behandeling van 25 februari 2021, ondanks de omstandigheid dat de man is verschenen noch vertegenwoordigd, heeft besloten over te gaan tot inhoudelijke behandeling van de door de vrouw ingediende verzoeken. Mr. De Waal, de voormalig advocaat van de man, heeft zich reeds bij F-formulier van 11 februari 2021 onttrokken in deze procedure. De rechtbank neemt aan dat de man daarvan op de hoogte was, zoals aangegeven op voornoemd F-formulier. Daarbij komt dat ook de rechtbank de man bij brief van 22 februari 2021 heeft geïnformeerd dat zijn advocaat heeft medegedeeld in deze procedure niet langer zijn belangen te behartigen, dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 25 februari 2021 om 11.15 uur en de man, indien gewenst, tijdens de mondelinge behandeling zijn mening kenbaar kan maken. De man is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende in de gelegenheid geweest om de rechtbank - tijdig - te vragen om een aanhouding van de mondelinge behandeling, dan wel zich te wenden tot een andere advocaat. Dat de man van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico.

4.2.

De rechtbank overweegt daarnaast dat zij op 26 februari 2021 alsnog een e-mailbericht van de man heeft ontvangen met daarin een verzoek tot aanhouding van de zaak. De rechtbank gaat, zoals door de rechtbank aan de man bij brief van 3 maart 2021 kenbaar gemaakt, niet meer in op dit aanhoudingsverzoek. De man was op de hoogte van de datum waarop de mondelinge behandeling zou plaatsvinden, desondanks heeft hij pas een dag ná de mondelinge behandeling contact opgenomen met de rechtbank. Zoals hiervoor reeds overwogen is de man voldoende in de gelegenheid geweest om de rechtbank – tijdig – te vragen om een aanhouding van de mondelinge behandeling, dan wel zich te wenden tot een andere advocaat. Ook weegt in dit verband het belang van de minderjarigen bij beoordeling van de verzoeken in deze zwaarder dan het belang van de man bij aanhouding, zoals uit het hiernavolgende zal blijken.

Gezag;

4.3.

Ter onderbouwing van haar (primaire) verzoek om het gezamenlijk gezag van partijen te beëindigen en de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen heeft de vrouw, samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hebben diverse (hulpverlenings-) trajecten gevolgd, maar iedere keer ging het toch weer fout. In augustus 2020 heeft de man aangegeven niet meer in staat te zijn om voor de minderjarigen te zorgen en sindsdien is hij volledig uit het leven van de minderjarigen verdwenen. De vrouw kan niet met de man communiceren. Zij probeert de man al jarenlang tevergeefs te betrekken bij beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden. De vrouw komt echter niet in contact met de man en heeft daarvoor steeds de inzet van het CJG nodig. Beide minderjarigen hebben een zware problematiek en hebben veel hulpverlening nodig. [minderjarige] gaat naar het speciaal onderwijs en [minderjarige] zit momenteel op dagbehandelingscentrum JoKi-C. De man reageert nauwelijks op verzoeken van de vrouw aangaande de minderjarigen en geeft geen, dan wel niet tijdig toestemming voor bijvoorbeeld het speciaal onderwijs voor [minderjarige] en de benodigde hulpverlening voor de kinderen. Het CJG probeert hierin een bemiddelende rol te spelen en de benodigde handtekeningen(en) van de man te verkrijgen. Nu de man zelfs door de politie uit huis is gehaald vanwege zijn alcoholprobleem, dient de man eerst te werken aan zijn eigen problematiek.

4.4.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag.

4.5.

De Raad heeft naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen geadviseerd het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag toe te wijzen. Volgens de Raad kan het gezien de bij beide minderjarigen bestaande zware problematiek niet zo zijn dat de benodigde hulpverlening in het gedrang komt doordat de man geen (tijdige) medewerking verleent. De man reageert nauwelijks op verzoeken van de vrouw, zodat de vrouw steeds het CJG nodig heeft om de vereiste handtekeningen van de man uiteindelijk te bemachtigen. Op dit moment wacht de vrouw nog steeds op een tweetal handtekeningen van de man in verband met behandelingen van de minderjarigen. Dit is volgens de Raad niet in het belang van de minderjarigen.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.

4.7.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat de man op 3 augustus 2020 te kennen heeft gegeven niet meer in staat te zijn om voor de minderjarigen te zorgen en de minderjarigen sindsdien niet meer heeft opgehaald om hen in het kader van de door partijen overeengekomen zorgregeling bij hem te laten verblijven. De man heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan uit gaat. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag.

4.8.

Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een kind gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend en dat slechts in uitzonderingsgevallen één ouder met het gezag belast is.

4.9.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.

4.10.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat beide minderjarigen kampen met een zware problematiek, hetgeen wordt ondersteund door de inhoud van de door de vrouw overgelegde stukken. Voorts heeft de vrouw aangegeven dat zij de man meermaals en op verschillende manieren bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen heeft geprobeerd te betrekken en nog steeds probeert te betrekken, maar dat is gebleken dat zij niet in contact komt met de man en de man weinig tot geen medewerking verleent aan beslissingen aangaande (de verzorging en opvoeding van) de minderjarigen. Ook dit wordt ondersteund door de inhoud van de door de vrouw overgelegde stukken. Vast is komen te staan dat de vrouw regelmatig lange(re) tijd moet wachten op de benodigde handtekening van de man voor onder meer de voor beide minderjarigen in te zetten zorg. Zo is door het gebrek aan medewerking van de zijde van de man de verwijzing van [minderjarige] naar de kinderarts al een keer verlopen, zodat [minderjarige] de voor haar benodigde medicatie niet (tijdig) kon verkrijgen. De vrouw heeft een nieuwe verwijzing moeten regelen, ook daarna geruime tijd moeten wachten op een handtekening van de man en deze uiteindelijk pas via de inzet van het CJG verkregen. Ook heeft de vrouw lang moeten wachten op toestemming van de man voor de inschrijving van [minderjarige] op voor haar passend onderwijs en wacht de vrouw op dit moment nog steeds op een tweetal handtekeningen van de man ter zake de noodzakelijke hulpverlening voor beide kinderen. De man reageert niet dan wel nauwelijks op verzoeken van de vrouw, zodat de vrouw steeds het CJG moet vragen als bemiddelaar op te treden om de man in beweging te krijgen en zijn medewerking te laten verlenen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de Raad van oordeel dat beslissingen over (de verzorging en opvoeding van) de minderjarigen door de man worden geblokkeerd en uiteindelijk tot stand komen op een wijze die belastend is voor de minderjarigen en daardoor hun veiligheid in gevaar brengt. De minderjarigen zullen daardoor klem en/of verloren raken tussen de ouders.

4.11.

Bovendien is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Immers de man heeft de vrouw op 3 augustus 2020 een e-mailbericht gestuurd met de boodschap niet capabel te zijn om voor de minderjarigen te zorgen omdat het niet goed met hem gaat, hij mentaal in de knoop zit en denkt dezelfde klachten te hebben als zijn moeder. Hij heeft de minderjarigen sindsdien niet meer bij de vrouw opgehaald om hen in het kader van de overeengekomen zorgregeling bij hem te laten verblijven. De minderjarigen hebben sinds dat moment niets meer van de man vernomen. De vrouw heeft voornoemd e-mailbericht van de man in deze procedure overgelegd en de rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de door haar hierop gegeven mondelinge toelichting, nu haar standpunt tevens wordt ondersteund door de overgelegde processtukken. Dit geldt temeer nu de vrouw tijdens de mondeling behandeling duidelijk en meermaals heeft aangegeven dat zij juist de man wil blijven informeren over de ontwikkeling van de kinderen en dat ze wil dat de zij omgang hebben met de man, maar dat dit contact gezien de zware problematiek van beide minderjarigen in een strakke structuur gegoten dient te worden.

4.12.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat hetgeen door de vrouw naar voren is gebracht leidt tot het oordeel dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem en/of verloren zullen raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen zal dan ook worden toegewezen.

4.13.

Nu het primaire verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag wordt toegewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw om te bepalen dat er een Raadsonderzoek dient plaats te vinden.

Omgangsregeling;

4.14.

Nu het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen zal worden belast, zal de rechtbank hierna spreken van een omgangsregeling in plaats van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (ook wel: zorgregeling).

4.15.

Ter onderbouwing van haar (primaire) verzoek om te bepalen dat de vastgestelde omgangsregeling wordt gewijzigd in die zin dat er geen omgangsverplichting zal gelden tussen de man en de minderjarigen heeft de vrouw, samengevat, het volgende aangevoerd. De omgangscontacten lopen al jarenlang niet goed. De man heeft een alcoholverslaving en heeft begin augustus 2020 aangegeven niet meer voor de minderjarigen te kunnen zorgen en heeft de minderjarigen sindsdien niet meer opgehaald. In de door partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst is een uitgebreide omgangsregeling vastgelegd. Het is mede gezien de zware problematiek van beide minderjarigen niet in het belang van de minderjarigen dat de man deze omgangsregeling opeens weer zou willen nakomen. De minderjarigen hebben vanaf begin augustus 2020 plotsklaps geen enkel contact meer met hun vader. Zij hebben het daar erg moeilijk mee en bij [minderjarige] heeft dit bovendien geleid tot een extreme vorm van verlatingsangst. Indien de man open staat voor een traject bij het CJG, is de vrouw bereid mee te werken aan contact tussen de man en de minderjarigen. Dit contact zal echter eerst moeten worden hersteld en - onder begeleiding - moeten worden opgebouwd. Ook zal de man gemaakte afspraken moeten nakomen, aangezien de minderjarigen vanwege hun problematiek extra behoefte hebben aan duidelijkheid en structuur.

4.16.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw tot wijziging van de omgangsregeling in die zin dat er geen omgang meer plaatsvindt.

4.17.

De Raad heeft naar aanleiding van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling door de vrouw naar voren is gebracht geadviseerd de omgang tussen de man en de minderjarigen vooralsnog stop te zetten. Het is volgens de Raad gezien de problematiek van de minderjarigen op dit moment niet in hun belang dat de man contact met de minderjarigen zou kunnen afdwingen. Dit zou naar de mening van de Raad ook de behandeling van de minderjarigen in de weg kunnen staan.

4.18.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.19.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hieromtrent onder 4.7. van deze beschikking heeft overwogen. Nu als onweersproken is komen vast te staan dat de door partijen bij vaststellingsovereenkomst van 21 september 2017 overeengekomen omgangsregeling reeds sedert begin augustus 2020 niet meer wordt uitgevoerd, is sprake van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:377e BW, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.

4.20.

Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van dit artikel slechts indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke/lichamelijke ontwikkeling van het kind,

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,

  4. indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

4.21.

Op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat de omgang anderszins in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen en dat daarom de man het recht op omgang dient te worden ontzegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De man heeft in augustus 2020 eenzijdig besloten de minderjarigen niet meer te willen/kunnen zien en heeft sedertdien niets meer ondernomen om (enige vorm van) contact op te nemen met de minderjarigen. Beide minderjarigen, en met name [minderjarige] door het ontstaan van extreme verlatingsangst, ondervinden daarvan de schadelijke gevolgen voor hun (sociaal-emotionele) ontwikkeling. Daarbij komt dat de minderjarigen vanwege hun problematiek gebaat zijn bij duidelijkheid en structuur, hetgeen de man hen blijkens de onweersproken stellingen van de vrouw niet heeft geboden en op dit moment ook niet kan bieden. Zo is gebleken dat de man de overeengekomen breng- en haalomenten niet (nauwgezet) nakwam en dat hij de minderjarigen, ondanks de toezegging daartoe, in 2019 niet heeft opgehaald om oud & nieuw bij hem door te brengen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat het mede gezien de zware problematiek van de minderjarigen op dit moment niet in hun belang is dat de man nakoming kan vragen van de bij de vaststellingsovereenkomst door partijen vastgelegde (uitgebreide) omgangsregeling, doch dat het juist schadelijk zal zijn voor de ontwikkeling van de minderjarigen indien de man plotsklaps en zonder enige structuur zou besluiten weer in het leven van de kinderen te verschijnen. Ook bestaat hierdoor het risico dat het proces van hulpverlening voor beide minderjarigen zou worden verstoord. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de man het recht op omgang met de minderjarigen ontzeggen.

4.22.

Nu onduidelijk is of en zo ja wanneer de man weer een (verantwoorde) rol zal kunnen spelen in het leven van zijn kinderen, zal de rechtbank de man het recht op omgang voor onbepaalde duur ontzeggen. De rechtbank hecht eraan op te merken dat een ontzegging van de omgang altijd een tijdelijk karakter heeft. Dat wil zeggen dat de ouder die (voor onbepaalde tijd) het recht tot omgang met zijn kind is ontzegd bij ongewijzigde omstandigheden in ieder geval na verloop van een jaar de mogelijkheid heeft om zich tot de rechter te wenden met een verzoek een omgangsregeling vast te stellen. Als de omstandigheden wijzigen kan ook eerder een nieuw verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling worden ingediend. De rechtbank overweegt tenslotte dat zij ervan uitgaat dat de vrouw de door haar tijdens de mondelinge behandeling gedane belofte dat zij de contacten tussen de man en de minderjarigen stimuleert en zal stimuleren op de wijze die bij de belangen van de minderjarigen aansluit, gestand doet.

4.23.

Nu het primaire verzoek van de vrouw wordt toegewezen, komt de rechtbank niet meer toe aan het subsidiaire verzoek van de vrouw tot benoeming van een bijzondere curator over de minderjarigen.

Kinderbijdrage;

4.24.

De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoek tot wijziging (verhoging) van de door partijen overeengekomen kinderbijdrage aan dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat er geen omgang meer plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen. Zij geeft aan niet op de hoogte te zijn van de inkomensgegevens van de man.

4.25.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen de door de vrouw verzochte wijziging van de kinderbijdrage.

4.26.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.27.

Zoals hiervoor reeds overwogen is als onweersproken komen vast te staan dat er vanaf begin augustus 2020 geen uitvoering meer wordt gegeven aan de door partijen bij vaststellingsovereenkomst van 21 september 217 overeengekomen omgangsregeling. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van de eerder door partijen overeengekomen kinderbijdrage.

4.28.

De rechtbank constateert dat er, met uitzondering van inkomensgegevens van de vrouw, geen financiële gegevens zijn overgelegd van de man. De rechtbank is dan ook niet in staat de behoefte van de minderjarigen en de draagkracht van de man vast te stellen. Wel staat vast dat geen uitvoering meer wordt gegeven aan de door partijen bij vaststellingsovereenkomst van 21 september 2017 overeengekomen omgangsregeling waarbij de minderjarigen, samengevat, eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot en met zondagavond en van dinsdagmiddag tot en met woensdagochtend, alsmede de helft van de schoolvakanties, feestdagen en andere vrije dagen bij de man verbleven. De rechtbank gaat er, gelet op de overeengekomen omgangsregeling, van uit dat er destijds aan de zijde van de man rekening is gehouden met een zorgkorting van 25%. Omdat er geen omgang meer plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen, kan de man geen aanspraak meer maken op een zorgkorting. Gelet op het voorgaande en rekening houdende met de wettelijke indexeringen vanaf 1 januari 2019, komt het verzoek van de vrouw tot verhoging van de eerder overeengekomen kinderbijdrage de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen met ingang van de door haar verzochte datum van 25 september 2020, zijnde de datum van indiening van het verzoek, nu de man vanaf die datum rekening heeft kunnen en moeten houden met een eventuele verhoging van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

5 De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op 17 juli 2013, en

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op 26 april 2016,

voortaan aan de vrouw alleen toekomt;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2017 met zaak-/rekestnummer C/13/638367 / FA RK 17-7413 en de daarvan deel uitmakende vaststellingsovereenkomst van 21 september 2017 voor wat betreft de daarin bepaalde omgangsregeling en kinderbijdrage als volgt:

ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met voornoemde minderjarigen;

bepaalt de door de man, voor wat toekomstige termijnen, bij vooruitbetaling aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 400,= per maand, zulks met ingang van 25 september 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021 in tegenwoordigheid van mr. M.M.A.J. van ’t Veer-Bax, griffier.

MvtV

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.