Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1021

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
02/218433-20 en 02/008432-19 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal door middel van valse sleutels.

Strafmaat; rol van verdachte.

Gevangenisstraf 18 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/218433-20; 02/008432-19 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 9 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught

raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hamsvoord, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: samen met anderen door geweld of bedreiging met geweld de portemonnee (met inhoud), telefoon, airpods, rugzak (met inhoud) en Applewatch van [slachtoffer] heeft gestolen;

feit 2: samen met anderen [slachtoffer] door geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), telefoon, airpods, rugzak (met inhoud), Applewatch en pincode;

feit 3: samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd;

feit 4: samen met anderen een geldbedrag heeft gestolen door gebruik te maken van een gestolen pinpas en pincode;

feit 5: een politiecel en intercom onbruikbaar heeft gemaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vijf tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rol van verdachte is aan te merken als medepleger, omdat hij wist van het plan, de groep getalsmatig heeft versterkt, fysiek voor de vluchtweg zat, het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten en een deel van de opbrengst heeft gehad. Dit kan naar uiterlijke verschijningsvormen worden aangemerkt als een bewuste bijdrage aan het handelen van de andere verdachten. Voor feit 1 gaat zij uit van een bewezenverklaring van de rugzak met inhoud, de airpods en de portemonnee en voor feit 2 van de telefoon, de Applewatch en de pincode. Ten aanzien van feit 5 acht de officier van justitie het verhaal van verdachte dat de intercom al besmeurd was met eten ongeloofwaardig.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak omdat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger. Er was van te voren geen plan en hij heeft verder geen enkele bijdrage geleverd aan het toegepaste geweld en het wegnemen van de goederen en ook geen deel van de buit gekregen. Daarentegen heeft verdachte juist gezegd dat zij het slachtoffer moesten laten gaan. Het slachtoffer heeft ook niet belastend over verdachte verklaard. Verdachte heeft geen kans gehad om zich fysiek te distantiëren omdat hij zich in een driedeursauto bevond. Ten aanzien van feit 5 voert de verdediging aan dat uit het dossier niet blijkt dat de intercom niet meer werkte. Verdachte heeft toegegeven dat hij de deur en het luikje met etenswaar heeft besmeurd, maar dat heeft hij zelf schoongemaakt. Daarom dient ook voor feit 5 vrijspraak te volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten 1, 2, 3 en 4

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 3 juli 2020 omstreeks 03.00 uur fietste [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) over de Lage Witsiebaan in Tilburg toen een auto (Peugeot 206) hem probeerde klem te rijden. Even later, op de Baden Powelllaan, werd hij door deze auto daadwerkelijk tot stilstand gedwongen. Daar stapten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] uit de auto. Eén van hen ging voor de fiets van [slachtoffer] staan, één ging achter hem staan, en één pakte hem bij zijn arm. Er werd vervolgens aan hem gevraagd hoeveel geld hij had. Op het moment dat [slachtoffer] zijn portemonnee pakte en liet zien hoeveel geld daarin zat, werd deze uit zijn handen gepakt. Ook werd hem opgedragen zijn zakken te legen waarna zijn telefoon en airpods zijn afgepakt. Vervolgens is [slachtoffer] in de auto geduwd. Hij is via het bijrijdersportier naar de plaats achter de bestuurder geduwd. Verdachte zal rechts achter in de auto en [medeverdachte 3] is tussen hen in komen zitten. [medeverdachte 2] is ingestapt als bestuurder en [medeverdachte 1] als bijrijder. In de auto is door [medeverdachte 1] naar de pincode van [slachtoffer] gevraagd. Voordat hij hierop kon reageren werd hij door [medeverdachte 1] meermaals tegen zijn hoofd en oog geslagen. Daarna heeft [slachtoffer] zijn pincode gegeven. De rugzak die [slachtoffer] nog op zijn rug had, is van zijn rug gepakt. Vervolgens zijn zij weggereden in de richting van Rotterdam. In Rotterdam is door [medeverdachte 2] aan mensen op straat gevraagd of er een 24-uurs pinautomaat in de buurt was, wat niet het geval bleek. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn toen van plaats in de auto gewisseld. Toen [medeverdachte 1] zag dat [slachtoffer] zijn Applewatch nog om had, moest hij deze ook afgeven. Vervolgens zijn zij naar tankstation [tankstation] in Breda gereden. [medeverdachte 2] is het tankstation binnengegaan waar hij vijf flesjes drinken voor een bedrag van € 12,80 en een geldbedrag van € 20,00 heeft gepind met de pinpas van [slachtoffer] . In de tussentijd mocht [slachtoffer] uit de auto om te plassen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] stapten uit de auto en gingen bij [slachtoffer] staan. Verdachte is in de auto blijven zitten. Op het moment dat iedereen weer (op dezelfde plaats) in de auto zat, hebben zij hun weg vervolgd naar Zundert. [medeverdachte 2] is daar uitgestapt en naar [supermarkt] gelopen, waar hij vijfmaal met de pinpas van [slachtoffer] heeft gepind voor een totaalbedrag van € 1.240,00. Daarna zijn zij verder gereden naar Wuustwezel, in België en daar gestopt. Voordat [slachtoffer] werd vrijgelaten is er tegen hem gezegd dat zij achter zijn familie zouden aangaan als hij aangifte zou doen. Vervolgens moest [slachtoffer] uitstappen en op de grond gaan liggen met zijn capuchon op en zijn handen vooruit. De auto met de vier inzittenden is vertrokken. [slachtoffer] ging op zoek naar hulp en trof om 07.50 uur een politievoertuig. Door het toegepaste geweld had [slachtoffer] een bloedneus en een gebroken oogkas op twee plaatsen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen.

Partiële vrijspraak

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van een vooropgezet plan om de onderhavige feiten te gaan plegen. Evenmin is gebleken dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de gedragingen die buiten de auto hebben plaatsgevonden voordat [slachtoffer] de auto in werd geduwd. Verdachte is toen niet uitgestapt. Dat heeft tot gevolg dat er naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op deze gedragingen. Zij acht die gedragingen dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte voor feit 1 en 2 partieel vrijspreken van diefstal dan wel afpersing van de portemonnee, telefoon en airpods.

Medeplegen

Los van wat hiervoor is overwogen, is het naar het oordeel van de rechtbank niet zo dat er zonder voorafgaande uitdrukkelijke afspraken in het geheel niet meer tot medeplegen kan worden gekomen. Een stilzwijgende samenwerking kan immers ook een bewuste en nauwe samenwerking - en daarmee medeplegen - opleveren. De rechtbank overweegt dat verdachte ten tijde van de gedragingen voorafgaand aan het in de auto duwen van [slachtoffer] weliswaar in de auto zat, maar dat hij wel moet hebben gezien wat er zich buiten de auto heeft afgespeeld. Dit omdat het aan de rechterkant van de auto heeft plaatsgevonden en dat óók de kant was waar verdachte in de auto zat. Ook moet hij hebben gezien en begrepen dat [slachtoffer] onvrijwillig de auto in kwam. [slachtoffer] werd immers via het bijrijdersportier de auto ingeduwd en moest daarbij eerst langs verdachte omdat hij al (rechts) achter in zat. Gelet op het voorgaande had verdachte rekening moeten houden met nog meer geweld en bedreiging daarmee, met als doel [slachtoffer] spullen te laten afgeven of nog meer spullen van hem af te pakken. Daar komt bij dat verdachte de gehele – bijna vijf uur durende – autorit op dezelfde plaats is blijven zitten en hiermee fysiek een vluchtweg voor [slachtoffer] heeft geblokkeerd. Gelet op het feit dat de auto waarin zij met in totaal vijf personen zaten een kleine driedeurs auto betrof, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat hij op de hoogte was alle gedragingen in de auto. Het gaat dan om het meermaals in het gezicht slaan van [slachtoffer] , het afpakken van zijn rugzak en het onder dwang afgeven van zijn Applewatch en pincode. Verdachte heeft daar stilzwijgend mee ingestemd en daardoor het voorwaardelijk opzet daarop gehad. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het vervolgens door één van de inzittenden van de auto gebruik maken van die pinpas en pincode van [slachtoffer] door daar meermaals mee te pinnen.

Dit geldt temeer nu het voor verdachte op verschillende momenten mogelijk is geweest om de auto te verlaten. Zo had verdachte direct bij het klemrijden van [slachtoffer] , maar ook bij het tankstation [tankstation] , gemakkelijk de auto kunnen verlaten omdat hij op dat moment de enige inzittende was. Hij had de auto ook kunnen verlaten in Rotterdam, toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van plaats hebben gewisseld. Dit heeft hij niet gedaan. Ook heeft hij geen hulp ingeschakeld. Verdachte heeft – bijna vijf uur lang – geen actieve bijdrage geleverd om de situatie te doen stoppen. Verdachte heeft getalsmatig de groep versterkt en maakte door zijn aanwezigheid in de auto deel uit van het bedreigende karakter van de groep.

Dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd omdat hij bang was voor de anderen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het dossier. Op de telefoon van [medeverdachte 2] is een filmpje aangetroffen van 3 juli 2020 om 00.08 uur waarop te zien is dat de vier genoemde personen zich in de auto bevonden. Er stond harde rapmuziek aan en zij waren mee aan het rappen en maakte rappende bewegingen. Hieruit kan worden afgeleid dat in ieder geval op dat moment in de auto geen dreigende sfeer was. Daar komt bij dat [slachtoffer] heeft verklaard dat hij niet de indruk had dat er iemand zich tegen zijn zin in de auto bevond. De rechtbank acht het verhaal van verdachte dat hij bang was voor de anderen daarom ongeloofwaardig. Bovendien heeft verdachte - nadat [slachtoffer] uit de auto was gezet - [medeverdachte 1] bij een tankstation meerdere malen benaderd en hem geslagen. Nu verdachte degene is geweest die de aanval opzocht, is het niet aannemelijk dat hij zich bedreigd of angstig voelde.

Op grond van het voorgaande in onderling verband en in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten ten aanzien van alle vier de feiten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte daaraan is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht, dat dit kan worden gekwalificeerd als medeplegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met de medeverdachten [slachtoffer] door middel van geweld en bedreiging met geweld wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, hem hebben afgeperst, zijn spullen hebben gestolen en met zijn pinpas hebben gepind.

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 ook partieel vrijspreken van de diefstal van de Applewatch. De conclusie hiervan is dat ten aanzien van feit 1 alleen de rugzak (met inhoud) bewezen kan worden. Ten aanzien van feit 2 zal zij verdachte ook partieel vrijspreken van de afpersing van de rugzak. De conclusie hiervan is dat ten aanzien van feit 2 de Applewatch en pincode bewezen kunnen worden.

Feit 5

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er aangifte is gedaan van het besmeuren met eten van de politiecel en intercom. Verdachte heeft bekend dat hij de muren en camera in de politiecel heeft besmeurd, maar heeft ontkend dat hij eten in de intercom heeft gestopt. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de bewijsmiddelen ook blijkt dat de intercom onbruikbaar is gemaakt doordat verdachte hierin eten heeft gestopt. Verdachte is op 29 augustus 2020 ingesloten en heeft herhaaldelijk gebruik gemaakt van de intercom. Op dat moment functioneerde de intercom naar behoren. Toen verdachte op 30 augustus 2020 rond 20.00 uur de intercom gebruikte – nadat hij zijn cel had besmeurd met eten – klonk de intercom dof en belemmerd. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de politiecel en intercom onbruikbaar heeft gemaakt. Dat verdachte zelf zijn cel heeft moeten schoonmaken maakt dat niet anders, nu de cel door het handelen van verdachte in ieder geval tijdelijk onbruikbaar is geweest.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 3 juli 2020 te Tilburg, in een personenauto, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een rugzak (met inhoud) toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders, onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] meermalen in diens gezicht heeft/hebben geslagen, en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

2

op 3 juli 2020 in Nederland in een personenauto, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een Applewatch en het ter beschikking stellen van gegevens, te wetende pincode van de bankpas ( [bank] ), toebehorende aan die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders, onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] meermalen in diens gezicht heeft/hebben geslagen, en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

3

op 3 juli 2020 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] meermalen in zijn gezicht te slaan en die [slachtoffer] (op de achterbank) in een auto te duwen en die [slachtoffer] - gedurende een aantal uren - in die auto mee te nemen;

4

op 3 juli 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer] , terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen hoeveelheid geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een (met behulp van geweld) gestolen ( [bank] )bankpas en pincode;

5

op 30 augustus 2020 te Tilburg, opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel (nr. 408) en een intercom, die aan de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant toebehoorden, onbruikbaar heeft gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van wat zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de rol van verdachte in het geheel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit en verzoekt de rechtbank vervroegd uitspraak te doen indien zij de verdediging volgt. Bij een bewezenverklaring van feit 5 moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte de cel zelf heeft schoongemaakt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met drie anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal door middel van een valse sleutel. [slachtoffer] is midden in de nacht op de openbare weg tot stoppen gedwongen. Om hem te dwingen tot afgifte van zijn spullen en om het wegnemen van zijn spullen gemakkelijk te maken, is gebruik gemaakt van geweld en bedreiging daarmee. Vervolgens is er bijna vijf uur lang met [slachtoffer] rondgereden op zoek naar mogelijkheden om geld van zijn rekening te kunnen pinnen. [slachtoffer] bevond zich deze uren op de achterbank van een kleine auto waarbij hij weinig bewegingsruimte had en waarbij hij is mishandeld. Tegen [slachtoffer] is gezegd dat verdachten een vuurwapen en een mes bij zich hadden. Ook is tegen hem gezegd dat zij zijn familie wat zouden aandoen als hij aangifte zou doen. Vervolgens is hij in hulpeloze toestand achtergelaten in België. Als gevolg van het geweld heeft hij een bloedneus en een dubbele gebroken oogkas opgelopen. Ook heeft hij psychische klachten overgehouden aan de feiten. [slachtoffer] is, terwijl hij onderweg was van een vriend naar huis, onverwachts beroofd, mishandeld en urenlang ontvoerd. Hij heeft al die uren in deze onzekere en onveilige situatie gezeten met angst hoe een en ander voor hem zou aflopen. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor [slachtoffer] en heeft ernstig inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke en psychische integriteit. Verdachte heeft door zodanig te handelen een zeer bedreigende en beangstigende situatie gecreëerd en deze situatie meerdere uren laten voortduren. Dit neemt de rechtbank hem zeer kwalijk. Daarnaast vergroten dit soort misdrijven het gevoel van onveiligheid in de samenleving. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Op 25 april 2019 is verdachte voor straatroof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte liep ten tijde van deze feiten nog in de proeftijd. Er is dan ook sprake van recidive.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies dat over verdachte is opgesteld in het kader van de voorlopige hechtenis van 15 september 2020. Uit dit advies blijkt dat sprake is van een delictpatroon voor verschillende feiten. Of de verblijfsvergunning van verdachte zal worden verlengd, is op het moment van het opstellen van het advies nog onduidelijk. Zijn tijdelijke verblijfsdocument loopt tot april 2021. De reclassering ziet risicofactoren in zijn financiën, dagbesteding, huisvesting en binnen zijn sociaal netwerk. De mogelijkheden van reclasseringstoezicht zijn beperkt omdat er geen gebruik kan worden gemaakt van sociale voorzieningen. De risicofactoren kunnen daardoor niet worden aangepakt. Het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden kan niet worden ingeschat. Indien de verblijfsvergunning wordt verlengd, ziet de reclassering mogelijkheden om verdachte binnen een toezicht te ondersteunen en te begeleiden.

Gelet op de status van de verblijfsvergunning is er door het Openbaar Ministerie geen reclasseringsadvies voor de zitting aangevraagd.

Straf

Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat met niets anders kan worden volstaan dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast heeft zij in het bijzonder rekening gehouden met de rol die verdachte in het geheel heeft gehad die ten opzichte van de andere drie personen van kleinere betekenis is geweest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.972,98, bestaande uit € 1.972,98 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van de feiten een bloedneus, een blauw oog en een dubbele breuk in zijn oogkas heeft opgelopen, waardoor hij tijdelijk niet kon werken. Ook psychisch heeft het voorval grote impact gehad. Hij had last van slaapproblemen en kon moeilijk tot rust komen, waardoor hij overdag meer vermoeid was. Hij durft niet meer op bepaalde plekken te komen en gaat liever niet meer alleen over straat. Vooral in de avond zijn de angstgevoelens sterk en dat belemmert benadeelde om iets te doen of iemand op te zoeken. Benadeelde deelt zijn locatie met bekenden zodat zij ten alle tijden weten waar hij is.

Verdachte heeft benadeelde samen met de medeverdachten urenlang van zijn vrijheid beroofd en zijn spullen afgenomen waarbij gebruik is gemaakt van geweld en bedreiging met geweld. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van deze normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat, naast lichamelijk letsel, een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangenomen.

De door benadeelde geleden immateriële schade komt daarmee voor vergoeding in aanmerking. Gelet op de aard en ernst van de feiten en in het bijzonder de lange duur van de vrijheidsberoving, acht de rechtbank de vergoeding van een bedrag van € 3.000,00 billijk.

De rechtbank acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Zij zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 4.972,98, bestaande uit € 1.972,98 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de wettelijke rente toekennen en tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 april 2019 onder parketnummer 02/008432-19, ten uitvoer zal worden gelegd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd de vordering af te wijzen, maar dat wel de proeftijd wordt verlengd zodat het toezicht kan worden voortgezet zodra verdachte over een verblijfsvergunning beschikt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat de reclassering wel mogelijkheden ziet verdachte binnen het toezicht te ondersteunen en te begeleiden op het moment dat hij weer een verblijfsvergunning krijgt en gebruik kan maken van sociale voorzieningen. Zij zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen, maar wel de proeftijd met een jaar verlengen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 55, 57, 282, 311, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om

die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg

en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te

nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 5: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, onbruikbaar maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, maar verlengt de proeftijd met één jaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 4.972,98, waarvan € 1.972,98 ter zake van materiële schade en € 3.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 4.972,98 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 59 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk, voorzitter, mr. Speekenbrink en mr. Ides Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 maart 2021.

Mr. Ides Peeters en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten Baden Powelllaan, en/of in een personenauto, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee/portefeuille (met inhoud onder andere een bankpas)

en/of een telefoon en/of airpods en/of een rugzak (met inhoud) en/of een Applewatch, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] (gezeten op zijn fiets) tot stilstand heeft/hebben gedwongen, en/of

- op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan, en/of

- die [slachtoffer] bij zijn arm heeft/hebben vastgepakt, en/of

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam heeft/hebben geduwd, en/of

- vervolgens een auto ingeduwd/ingesleurd, en/of

- ( op dwingende wijze) aan die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd hoeveel geld hij bij zich had, en/of

- die [slachtoffer] meermalen in/op diens gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

(art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten Baden Powelllaan en/of in een personenauto, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van onder andere een portemonnee/portefeuille (met inhoud, met onder andere een bankpas) en/of een telefoon en/of airpods en/of een rugzak (met inhoud) en/of een Applewatch en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te wetende pincode van de bankpas ( [bank] ), in elk geval enig goed en/of enige gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] (gezeten op zijn fiets) tot stilstand heeft/hebben gedwongen, en/of

- op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan, en/of

- die [slachtoffer] bij zijn arm heeft/hebben vastgepakt, en/of

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam heeft/hebben geduwd, en/of

- vervolgens een auto ingeduwd/ingesleurd, en/of

- ( op dwingende wijze) aan die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd hoeveel geld hij bij zich had, en/of

- die [slachtoffer] meermalen in/op diens gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

(art 312 lid 2 ahf/sub2 Wetboekvan Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] meermalen in/op zijn gezicht/hoofd te slaan en/of vervolgens die [slachtoffer] (op de achterbank) in een auto te duwen en/of die [slachtoffer] —gedurende een aantal uren - in die auto mee te nemen/te vervoeren;

(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag (circa 1100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een (met behulp van geweld) gestolen ( [bank] )bankpas en/of pincode.

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

5

hij op of omstreeks 30 augustus 2020 te Tilburg, opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel (nr. 408) en/of een intercom, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant toebehoorde, heeft vernield,

beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Bijlage II: De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2020173141 / ZB4R020089 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 579. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Feiten 1, 2, 3 en 4

1. Het proces-verbaal van verhoor van de Belgische politie d.d. 3 juli 2020 (pg. 115), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 03/07/2020 omstreeks 03:00 uur ben ik bij mijn vriend vertrokken met de fiets. Hij woont in Nederland, Tilburg. Ik ben met de fiets vertrokken naar huis. In de Baden Powelllaan in n Tilburg ben ik tegengehouden.
Ik heb verwondingen aan mijn rechteroog en neus.
Nadat ik uit de auto gezet was, ben ik beginnen wandelen omdat ik wilde aanbellen bij een woning. Ik zag toen een politieauto op mij afrijden en ben beginnen liften. Vervolgens zijn jullie gekomen.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 5 juli 2020 (pg. 131), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

A: Ik reed met mijn fiets over de Lage Witsiebaan in de richting van de bocht naar het Paletplein. in de richting van de Baden Powelllaan. Ik bemerkte toen dat zij al achter mij aan reden met hun auto. Op de hoek van de Vlierlaan en de Lage Witsiebaan hebben ze toen geprobeerd mij klem te rijden. Ik kon hun toen ontwijken en zag dat hun een klein stukje de Vlierlaan in reden. Ik ben vervolgens doorgefietst. Toen ik vervolgens over de Baden Powelllaan reed zag ik dat ik werd ingehaald door die zelfde auto. Ik zag dat de auto vervolgens net voorbij de Wijnruitweg langs de kant ging staan. Ik was er toen ongeveer 20 a 30 meter vandaan. Een van de jongens die sprong voor mijn fiets en dwong mij te stoppen. Ik werd gedwongen om mijn fiets op slot te zetten. Ik werd door die andere jongen bij mijn arm gepakt.
V: Wie is er uit de auto gestapt om drinken te halen?
A: Dat was de jongen die eerst bestuurder was en daarna bijrijder was.

3. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 24 juli 2020 (pg. 135), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

A: Eén van de mannen die achterin zit, die later in het midden zat, stapte toen uit en kwam achter mij staan. De bijrijder, die voor mij stond, die vroeg of ik geld bij had en hoeveel geld ik bij me had. Onder dwang pakte ik mijn portemonnee. Ik liet zien, en ik zei dat er niet veel in zat. Toen heeft de bijrijder de portemonnee uit mijn handen gepakt. Ik heb daarna mijn portemonnee niet meer gezien. Ik moest de rest van mijn zakken legen. Toen ik mijn telefoon pakte, namen ze deze af. Ik had ook airpods in mijn oren.

De bijrijder, die voor mij stond, riep iets over mijn pinpas en geld. Op dat moment werd ik in de auto geduwd. Via de kant van de bijrijder moest ik langs een opgeklapte stoel achterin plaatsnemen. Er zat toen al iemand rechts achter in de auto achter de bijrijdersstoel. Daar moest ik langs af. Ik werd links in de hoek geduwd, achter de bestuurder. De man die mij in de auto duwde kwam toen naast mij zitten, in het midden. De bestuurder zette toen zijn stoel zover naar achter dat ik niet meer kon bewegen. Ik zat toen nog rechtop in de auto. De bijrijder begon toen tegen mij te praten. Hij begon over mijn pincode en dergelijke. Nog voordat ik antwoord kon geven kreeg ik al twee of drie klappen tegen mijn hoofd en oog. Ze hadden iets gezegd over pinnen in Rotterdam, ik zei dat dat dan toch ook hier kon. Toen kreeg ik nogmaals klappen tegen mijn gezicht. Toen heb ik mijn pincode gegeven.

Toen zijn ze gaan rijden. Toen hebben ze mijn rugzak van mijn rug gepakt en afgenomen. Ik zag op een gegeven moment ook de Erasmusbrug. Niet lang hierna, ik denk 5 minuten ofzo, hebben ze aan een persoon gevraagd of er een 24-uurs pintautomaat was. Daar zijn ze gewisseld van bestuurder. De bijrijder is de bestuurder geworden, en de bestuurder werd hier bijrijder. Ik had mijn applewatch toen nog om, en hierna moest ik deze ook afgeven.

Hierna zijn we richting een tankstation gereden. Daar zijn we op een parkeerplaats bij de vrachtwagens gestopt. De bestuurder en bijrijder stapten uit. De bijrijder is toen volgens mij drinken gaan halen. Hij had toen een mondkapje op. Daar ben ik ook kort uit de auto geweest om te mogen plassen in de berm. De man die naast mij zat, in het midden achterin, die stapte ook uit. Ik stapte hierna via de bijrijderskant uit. Ook de bestuurder kwam bij ons staan zodat ik niet weg kon. Toen zijn we nog ergens gestopt waar ze daadwerkelijk het geld hebben kunnen pinnen. De bijrijder stapte hier uit. Wij zijn toen een stukje gaan rijden. Voor mijn gevoel stapte de bijrijder pas na 10 minuten of langer pas weer in de auto. De bijrijder zei dat hij geld van mijn rekening had gehaald, iets van 1100 euro dacht ik.

We zijn hierna doorgereden en een goede 20 of 30 minuten later werd ik uit de auto gezet. Ik moest op de grond gaan liggen met mijn capuchon op en mijn handen vooruit.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2020 (pg. 141), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Door ons werd aangever [slachtoffer] nader gehoord. Hem werden tijdens dit verhoor vier foto's getoond.

Foto 1: [medeverdachte 2] , geboren [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]
Foto 2: [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]
Foto 3: [medeverdachte 3] , geboren [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]
Foto 4: [verdachte], geboren [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

A: Nummer drie (3) heeft de hele rit naast mij gezeten.

V: Hoe is dat gegaan? Wie heeft wat gezegd en wie heeft wat gedaan?
A: Twee (2) is voor mijn fiets gaan staan. Persoon twee(2). En persoon drie (3) is half naast slash achter mij gaan staan. Zodat ik niet weg kon.
En toen ben ik door nummer drie (3) mee in de auto geduwd en is daarna meteen naast mij gaan zitten zodat ik niet meer weg kon.

V: Zijn er ook dingen van jou afgepakt?
A: Uhm... nou ja, ik had op een gegeven moment mijn rugzak nog om toen ik de auto ingeduwd werd dus die hebben ze uiteindelijk half achter mijn rug af werd getrokken zeg maar.

A: En ik had airpods in en die probeerden ze ook uit mijn oor te trekken maar ik was net iets sneller dan in dit geval persoon nummer drie (3) die dat probeerde en toen hebben ze die ook gepakt.

V: Ik las in jouw verklaring dat er wordt gesproken over verbale bedreigingen met betrekking tot een mes en eventueel een vuurwapen waarvan jij zegt ik heb die niet gezien?

A: Correct.

V: Ik lees hier ook dat jouw familie bedreigd werd als je aangifte zou doen. Klopt dat?

A: Correct.

V: Wie heeft dat gezegd?

A: Volgens mij zowel de persoon op foto een (1) als twee (2). Als ik aangifte zou doen dan zouden ze achter mijn familie aankomen.

V: En wanneer hebben ze dat gezegd?

A: Net voordat ze los hebben gelaten, nadat het geld gepind is. Tussen zeg maar het moment van geld pinnen en mij loslaten in hebben ze dat gezegd. Meerdere malen overigens hoor. Het is geen een keer geweest onderweg maar eigenlijk een paar keer, dat stukje.

5. Het geschrift, te weten de rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] in de periode van 2 juli 2020 tot en met 5 juli 2020 (pg. 155), voor zover inhoudende:

Datum

Naam/omschrijving

Bedrag af

03-07

[tankstation] BREDA

Betaalautomaat 06:31 pasnr. 006

12,80

03-07

[tankstation] BREDA

Betaalautomaat 06:32 pasnr. 006

20,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:06 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:07 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:08 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:09 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:19 pasnr. 006

40,00

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 oktober 2020 (pg. 564), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

A: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn uitgestapt en zijn naar het slachtoffer gegaan. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei, kom rijden. Ik hoorde dat hij dat zei tegen [medeverdachte 2] en die is toen achter het stuur gaat zitten. [medeverdachte 1] ging toen als bijrijder zitten en [medeverdachte 3] zat naast mij tussen mij en het slachtoffer.

A: Ik weet wel dat [medeverdachte 2] ging pinnen.

V: Maar had hij ook geld gepind?

A: Ja, hij had geld, hield dat bij zich en zijn gaan rijden.

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2020 (pg. 573), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Dus wij waren onderweg. [medeverdachte 1] hij remt. Hij remt hard, hij stopt en meteen hij ging uitstappen van de auto. Hij is uitgestapt en toen, ik zat achter, voor mij zat [medeverdachte 2] en naast mij zat [medeverdachte 3] , dus [medeverdachte 3] hij was ook uitgestapt. Hun waren allebei uitgestapt. Zij hebben die slachtoffer gepakt. En toen is die slachtoffer naar binnen gegaan, [medeverdachte 3] is ook naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] , die slachtoffer zat tussen ons en toen ze [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] , “Kom rijden, kom rijden, kom rijden”.

En toen hij is weer teruggekomen met drinken voor iedereen, ook voor het slachtoffer. Hij zei, ik ga pinnen. Hij is weggegaan en toen hij is teruggekomen, [medeverdachte 1] ging besturen, hij ging die auto rijden, op die moment snap je. En [medeverdachte 1] ging beetje verderop, verderop rijden, dus hij zei tegen die slachtoffer, “stap uit, stap uit”. Dus die slachtoffer, ging uitstappen, hij is uitgestapt en hij zei niet terugkijken, ga daar gewoon liggen, dus die slachtoffer ging liggen en [medeverdachte 1] ging van daar wegrijden.

Feit 5

8. Het proces-verbaal aangifte d.d. 31 augustus 2020 (pg. 200), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] namens politie Zeeland-West-Brabant:

Gisteren, zondag 30 augustus 2020, tussen 17:00 - 20:00 uur, zat genoemde verdachte

[verdachte] ingesloten in cel 408. Op het moment dat een collega arrestantenverzorger, [naam 1] , het luik open deed, zag zij dat verdachte [verdachte] zijn gehele cel had besmeurd.
Vanochtend, maandag 31 augustus 2020, omstreeks 09:00 uur werd geconstateerd dat ook

de intercom van cel 408 onbruikbaar was. In deze intercom was een hoeveelheid voedsel

gepropt, waardoor deze niet meer functioneerde en gerepareerd moet worden door een

externe instantie.

Cel 408, gelegen in het Regiokantoor van de Politie-eenheid Zeeland-West-Brabant aan

de Ringbaan-West 232 te Tilburg, is in de periode tussen 30 augustus 2020, 17:00 uur,

en 30 augustus 2020, 20:00 uur, alleen gebruikt door verdachte [verdachte]

. Genoemde cel is daarna buiten werking

gesteld en hierin heeft dus geen andere persoon gezeten tussen 31-08-2020, 20:00 uur, en 31-08-2020, 09:00 uur.

9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2020 (pg. 210), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op zaterdag 29 augustus 2020 omstreeks 13.18 uur werd in het cellencomplex aan de

Ringbaan-west 232 te Tilburg een arrestant genaamd [verdachte] ingesloten. Hij werd ingesloten in cel 8.

Zondag 30 augustus rond 18.30 uur arrestant zijn cel (zo goed als mogelijk) laten

schoonmaken omdat hij zijn deur en luikje besmeurd had met etenswaar die hij even

hiervoor had gekregen. Rond 20.00 uur belde arrestant weer en klonk zijn intercom helemaal dof en belemmerd. Collega's [naam 1] en [naam 2] gingen kijken wat er aan de hand was met de intercom. De intercom van cel 8 was zodanig vernield door het te

besmeuren met eten, dat er aangifte van vernieling door politie is gedaan.

10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2020 (pg. 543), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

De verdachte geeft uiteindelijk toe dat hij dingen op de muren heeft gesmeerd en de camera heeft dicht gesmeerd.