Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2021:1018

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
09-03-2021
Zaaknummer
02/209908-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal door middel van valse sleutels.

Strafmaat; rol van verdachte.

Gevangenisstraf 24 maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/209908-20

vonnis van de meervoudige kamer van 9 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht

raadsman mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari 2021, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hamsvoord, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: samen met anderen door geweld of bedreiging met geweld de portemonnee (met inhoud), telefoon, airpods, rugzak (met inhoud) en Applewatch van [slachtoffer] heeft gestolen;

feit 2: samen met anderen [slachtoffer] door geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), telefoon, airpods, rugzak (met inhoud), Applewatch en pincode;

feit 3: samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd;

feit 4: samen met anderen een geldbedrag heeft gestolen door gebruik te maken van een gestolen pinpas en pincode.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vier tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rol van verdachte is aan te merken als medepleger, omdat hij betrokken was bij de voorbereiding, de uitvoering en afhandeling van de feiten. Voor feit 1 gaat zij uit van een bewezenverklaring van de rugzak met inhoud, de airpods en de portemonnee en voor feit 2 van de telefoon, de Applewatch en de pincode.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1 en 2 en voert daartoe aan dat niet is gebleken dat er vooraf een plan was gemaakt en evenmin dat verdachte zowel buiten als in de auto een relevante bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde. Daar komt bij dat er buiten de auto geen sprake van (bedreiging met) geweld is geweest waardoor deze handelingen op zichzelf beschouwd niet tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Verdachte heeft verder ook geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het geweld dat door medeverdachte [medeverdachte 1] is gepleegd. Het slechts aanwezig zijn en zich niet distantiëren is onvoldoende voor medeplegen. Voor feit 3 dient verdachte ook te worden vrijgesproken omdat hij hierin geen rol heeft gehad. Tot slot wordt ook vrijspraak bepleit van feit 4 omdat er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering of een bijdrage van voldoende gewicht en evenmin van (voorwaardelijk) opzet. Verdachte heeft ook niet meegedeeld in de buit van feiten 1, 2 en 4.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 3 juli 2020 omstreeks 03.00 uur fietste [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) over de Lage Witsiebaan in Tilburg toen een auto (Peugeot 206) hem probeerde klem te rijden. Even later, op de Baden Powelllaan, werd hij door deze auto daadwerkelijk tot stilstand gedwongen. Daar stapten verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] uit de auto. Eén van hen ging voor de fiets van [slachtoffer] staan, één ging achter hem staan, en één pakte hem bij zijn arm. Er werd vervolgens aan hem gevraagd hoeveel geld hij had. Op het moment dat [slachtoffer] zijn portemonnee pakte en liet zien hoeveel geld daarin zat, werd deze uit zijn handen gepakt. Ook werd hem opgedragen zijn zakken te legen waarna zijn telefoon en airpods zijn afgepakt. Vervolgens is [slachtoffer] in de auto geduwd. Hij is via het bijrijdersportier naar de plaats achter de bestuurder geduwd. Verdachte heeft plaatsgenomen naast [slachtoffer] . [medeverdachte 3] zat rechts achter in de auto. [medeverdachte 2] is ingestapt als bestuurder en [medeverdachte 1] als bijrijder. In de auto is door [medeverdachte 1] naar de pincode van [slachtoffer] gevraagd. Voordat hij hierop kon reageren werd hij door [medeverdachte 1] meermaals tegen zijn hoofd en oog geslagen. Daarna heeft [slachtoffer] zijn pincode gegeven. De rugzak die [slachtoffer] nog op zijn rug had, is van zijn rug gepakt. Vervolgens zijn zij weggereden in de richting van Rotterdam. In Rotterdam is door [medeverdachte 2] aan mensen op straat gevraagd of er een 24-uurs pinautomaat in de buurt was, wat niet het geval bleek. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn toen van plaats in de auto gewisseld. Toen [medeverdachte 1] zag dat [slachtoffer] zijn Applewatch nog om had, moest hij deze ook afgeven. Vervolgens zijn zij naar tankstation [tankstation] in Breda gereden. [medeverdachte 2] is het tankstation binnengegaan waar hij vijf flesjes drinken voor een bedrag van € 12,80 en een geldbedrag van € 20,00 heeft gepind met de pinpas van [slachtoffer] . In de tussentijd mocht [slachtoffer] uit de auto om te plassen. Ook verdachte en [medeverdachte 1] stapten uit de auto en gingen bij [slachtoffer] staan. Op het moment dat iedereen weer (op dezelfde plaats) in de auto zat, hebben zij hun weg vervolgd naar Zundert. [medeverdachte 2] is daar uitgestapt en naar [supermarkt] gelopen, waar hij vijfmaal met de pinpas van [slachtoffer] heeft gepind voor een totaalbedrag van € 1.240,00. Daarna zijn zij verder gereden en in Wuustwezel, in België gestopt. Voordat [slachtoffer] werd vrijgelaten is er tegen hem gezegd dat zij achter zijn familie zouden aangaan als hij aangifte zou doen. Vervolgens moest [slachtoffer] uitstappen en op de grond gaan liggen met zijn capuchon op en zijn handen vooruit. De auto met de vier inzittenden is vertrokken. [slachtoffer] ging op zoek naar hulp en trof om 07.50 uur een politievoertuig. Door het toegepaste geweld had [slachtoffer] een bloedneus en een gebroken oogkas op twee plaatsen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen.

Vooropgezet plan en verdeling van de buit

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van een vooropgezet plan om onderhavige feiten te gaan plegen. Ook is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier niet voldoende blijkt dat er sprake was van verdeling van de buit afkomstig van deze feiten. Een stilzwijgende samenwerking kan echter ook een bewuste en nauwe samenwerking - en daarmee medeplegen - opleveren.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de auto is gestapt, nadat zij [slachtoffer] hadden ingehaald en klemgereden. Verdachte is vervolgens achter de fiets van [slachtoffer] gaan staan, waardoor hij niet weg kon omdat [medeverdachte 1] al voor hem stond. Ook heeft verdachte eerst geprobeerd de airpods van [slachtoffer] uit zijn oren te pakken en ze vervolgens daadwerkelijk afgepakt. Het is verdachte geweest die [slachtoffer] daarna in de auto heeft geduwd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat in voldoende mate uit de verklaringen van [slachtoffer] . Die persoon die hem de auto heeft ingeduwd is volgens [slachtoffer] namelijk ook degene die direct naast hem is gaan zitten zodat hij niet meer weg kon. Verdachte heeft bevestigd dat hij gedurende de hele autorit naast [slachtoffer] heeft gezeten. Op het moment dat [slachtoffer] bij het tankstation de auto mocht verlaten om te plassen, is verdachte samen met [medeverdachte 1] bij hem gaan staan om te voorkomen dat [slachtoffer] weg kon. Tot slot is [slachtoffer] door alle vier de verdachten in hulpeloze toestand in België achtergelaten zonder spullen en met een gebroken oogkas op twee plaatsen. Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte vanaf het moment dat [slachtoffer] tot stoppen werd gedwongen tot het moment dat hij – bijna vijf uur later – uit de auto moest stappen en op de grond moest gaan liggen, aanwezig is geweest en een actieve rol heeft gehad in de beroving. Hij heeft bijgedragen aan het tot stoppen dwingen van [slachtoffer] , het afnemen van zijn goederen, het in de auto duwen en verdachte heeft er gedurende vijf uur lang voor gezorgd dat [slachtoffer] niet weg kon. Verdachte heeft getalsmatig de groep versterkt en maakte door zijn aanwezigheid deel uit van het bedreigende karakter van de groep. Bovendien is verdachte op meerdere momenten in de gelegenheid geweest zich te distantiëren, maar dit heeft hij niet gedaan.

Op grond van het voorgaande in onderling verband en in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten ten aanzien van alle feiten is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte daaraan is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht, dat dit kan worden gekwalificeerd als medeplegen.

De raadsman heeft vrijspraak verzocht van feiten 1 en 2 omdat er buiten de auto geen sprake is geweest van dwang door middel van (bedreiging met) geweld. De rechtbank is van oordeel dat het bij de arm pakken en in de auto duwen van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als geweld en verwerpt daarmee het verweer. Door [slachtoffer] op deze manier te dwingen om in de auto plaats te nemen heeft verdachte hiermee ook voorwaardelijk opzet gehad op het geweld dat is toegepast in de auto. Duidelijk was immers dat geweld niet werd geschuwd. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het pinnen van geld met de pinpas van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt dat in de auto naar de pincode van [slachtoffer] is gevraagd, hij de pincode na de mishandeling heeft gegeven en door [medeverdachte 2] in Rotterdam aan mensen op straat is gevraagd naar een 24-uurs pinautomaat. Verdachte moet daardoor hebben geweten dat het de bedoeling was om geld te pinnen met de pinpas van [slachtoffer] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er met de pinpas van [slachtoffer] gepind zou worden, wat ook daadwerkelijk is gebeurd. Zij is van oordeel dat verdachte daarmee in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op het pinnen met de pinpas van [slachtoffer] . Dit verweer wordt daarom ook verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte samen met de medeverdachten [slachtoffer] door middel van geweld en bedreiging met geweld wederrechtelijk van zijn vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, hem hebben afgeperst, zijn spullen hebben gestolen en met zijn pinpas hebben gepind.

De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 partieel vrijspreken van de diefstal van de Applewatch. Ten aanzien van feit 2 zal zij verdachte partieel vrijspreken van de afpersing van de portemonnee, de telefoon, de airpods en de rugzak.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 3 juli 2020 te Tilburg, op de openbare weg, te weten Baden Powelllaan, en in een personenauto, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud onder andere een bankpas)

en een telefoon en airpods en een rugzak (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders, onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] (gezeten op zijn fiets) tot stilstand heeft/hebben gedwongen, en

- op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan, en

- die [slachtoffer] hij zijn arm heeft/hebben vastgepakt, en

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam heeft/hebben geduwd, en

- vervolgens een auto ingeduwd, en

- ( op dwingende wijze) aan die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd hoeveel geld hij bij zich had, en

- die [slachtoffer] meermalen in diens gezicht heeft/hebben geslagen, en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

2

op 3 juli 2020 in Nederland, in een personenauto, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een Applewatch en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de pincode van de bankpas ( [bank] ), toebehorende aan die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders, onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] meermalen in diens gezicht heeft/hebben geslagen, en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

3

op 3 juli 2020 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] meermalen in zijn gezicht te slaan en die [slachtoffer] (op de achterbank) in een auto te duwen en die [slachtoffer] - gedurende een aantal uren - in die auto mee te nemen;

4

op 3 juli 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening hebben weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer] , terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen hoeveelheid geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een (met behulp van geweld) gestolen ( [bank] )bankpas en pincode.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van wat zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de rol van verdachte in het geheel.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank de verdediging niet volgt in het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken, voert zij het volgende strafmaatverweer. Bij een bewezenverklaring van feiten 1 en 2 moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte geen geweld heeft gebruikt. Verdachte dient te worden aangemerkt als een kwetsbare verdachte door wat hij heeft meegemaakt bij zijn vertrek vanuit Eritrea. Bij een langdurige detentie zullen beschermende factoren wegvallen, zoals: eigen woonruimte, beschermingsbewind en begeleiding van Osperon en de gemeente Boxtel. Verdachte heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt in detentie en is bereid mee te werken aan hulpverlening en voorwaarden. De verdediging bepleit een niet te lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een voorwaardelijk deel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal door middel van een valse sleutel. [slachtoffer] is midden in de nacht op de openbare weg tot stoppen gedwongen. Om hem te dwingen tot afgifte van zijn spullen en om het wegnemen van zijn spullen gemakkelijk te maken, is gebruik gemaakt van geweld en bedreiging daarmee. Vervolgens is er bijna vijf uur lang met [slachtoffer] rondgereden op zoek naar mogelijkheden om geld van zijn rekening te kunnen pinnen. [slachtoffer] bevond zich deze uren op de achterbank van een kleine auto waarbij hij weinig bewegingsruimte had en waarbij hij is mishandeld. Tegen [slachtoffer] is gezegd dat verdachten een vuurwapen en een mes bij zich hadden. Ook is tegen hem gezegd dat zij zijn familie wat zouden aandoen als hij aangifte zou doen. Vervolgens is hij in hulpeloze toestand achtergelaten in België. Als gevolg van het geweld heeft hij een bloedneus en een dubbele gebroken oogkas opgelopen. Ook heeft hij psychische klachten overgehouden aan de feiten. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor [slachtoffer] en heeft ernstig inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke en psychische integriteit. [slachtoffer] is, terwijl hij onderweg was van een vriend naar huis, onverwachts beroofd, mishandeld en urenlang ontvoerd. Hij heeft al die uren in deze onzekere en onveilige situatie gezeten met angst hoe een en ander voor hem zou aflopen. Verdachte heeft door zodanig te handelen een zeer bedreigende en beangstigende situatie gecreëerd en deze situatie meerdere uren laten voortduren. Dit neemt de rechtbank hem zeer kwalijk. Daarnaast vergroten dit soort misdrijven het gevoel van onveiligheid in de samenleving. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan.

Voorts heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Ter zitting heeft verdachte wel verklaard dat hij uit de auto is gestapt, maar is enige andere handeling blijven ontkennen en bagatelliseren.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Op 18 april 2018 is verdachte voor het medeplegen van een diefstal met geweld en het medeplegen van een afpersing veroordeeld tot 3 maanden jeugddetentie. Deze feiten heeft hij destijds begaan met [medeverdachte 1] met wie hij nu opnieuw betrokken is geraakt bij meerdere strafbare feiten. Er is dan ook sprake van recidive.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 22 oktober 2020 en 18 november 2020 die over verdachte zijn opgesteld. Hieruit blijkt dat er sprake is van een delictpatroon op het gebied van vermogens- en geweldsdelicten. Daarnaast neemt verdachte een berekenende en bagatelliserende houding aan. Verdachte liet in de PI grensoverschrijdend gedrag zien, maar is later bijgedraaid. Het risico op recidive, op letselschade en op onttrekking aan de voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Op advies van de reclassering is er een consult van het NIFP geweest, maar verdachte wenste hier niet aan mee te werken. Er heeft daardoor geen psychiatrisch onderzoek kunnen plaatsvinden. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke straf, omdat een reclasseringstoezicht met aanvullende interventies een te licht middel is om gedragsverandering te bewerkstelligen.

Straf

Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat met niets anders kan worden volstaan dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast heeft zij in het bijzonder rekening gehouden met de rol die verdachte in het geheel heeft gehad. De rechtbank ziet -mede gelet op het reclasseringsadvies - geen reden voor een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.972,98, bestaande uit € 1.972,98 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van de feiten een bloedneus, een blauw oog en een dubbele breuk in zijn oogkas heeft opgelopen, waardoor hij tijdelijk niet kon werken. Ook psychisch heeft het voorval grote impact gehad. Hij had last van slaapproblemen en kon moeilijk tot rust komen, waardoor hij overdag meer vermoeid was. Hij durft niet meer op bepaalde plekken te komen en gaat liever niet meer alleen over straat. Vooral in de avond zijn de angstgevoelens sterk en dat belemmert benadeelde om iets te doen of iemand op te zoeken. Benadeelde deelt zijn locatie met bekenden zodat zij te allen tijde weten waar hij is.

Verdachte heeft benadeelde samen met de medeverdachten urenlang van zijn vrijheid beroofd en zijn spullen afgenomen waarbij gebruik is gemaakt van geweld en bedreiging met geweld. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van deze normschending mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat, naast lichamelijk letsel, een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangenomen.

De door benadeelde geleden immateriële schade komt daarmee voor vergoeding in aanmerking. Gelet op de aard en ernst van de feiten en in het bijzonder de lange duur van de vrijheidsberoving, acht de rechtbank de vergoeding van een bedrag van € 3.000,00 billijk.

De rechtbank acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Zij zal het gevorderde daarom hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 4.972,98, bestaande uit € 1.972,98 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de wettelijke rente toekennen en tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 55, 57, 282, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan van en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te

nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 4.972,98, waarvan € 1.972,98 ter zake van materiële schade en € 3.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 4.972,98 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 59 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk, voorzitter, mr. Speekenbrink en mr. Ides Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 maart 2021.

Mr. Ides Peeters en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten Baden Powelllaan, en/of in een personenauto, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee/portefeuille (met inhoud onder andere een bankpas)

en/of een telefoon en/of airpods en/of een rugzak (met inhoud) en/of een Applewatch, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] (gezeten op zijn fiets) tot stilstand heeft/hebben gedwongen, en/of

- op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan, en/of

- die [slachtoffer] hij zijn arm heeft/hebben vastgepakt, en/of

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam heeft/hebben geduwd, en/of

- vervolgens een auto ingeduwd/ingesleurd, en/of

- ( op dwingende wijze) aan die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd hoeveel geld hij bij zich had, en/of

- die [slachtoffer] meermalen in/op diens gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

(art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten Baden Powelllaan en/of in een personenauto, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van onder andere een portemonnee/portefeuille (met inhoud, met onder andere een bankpas) en/of een telefoon en/of airpods en/of een rugzak (met inhoud) en/of een Applewatch en/of het ter beschikking stellen van gegevens, te wetende pincode van de bankpas ( [bank] ), in elk geval enig goed en/of enige gegevens, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), onder andere, meermalen:

- die [slachtoffer] (gezeten op zijn fiets) tot stilstand heeft/hebben gedwongen, en/of

- op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan, en/of

- die [slachtoffer] bij zijn arm heeft/hebben vastgepakt, en/of

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam heeft/hebben geduwd, en/of

- vervolgens een auto ingeduwd/ingesleurd, en/of

- ( op dwingende wijze) aan die [slachtoffer] heeft/hebben gevraagd hoeveel geld hij bij zich had, en/of

- die [slachtoffer] meermalen in/op diens gezicht/hoofd heeft/hebben geslagen, en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat zij zijn familie zouden pakken als hij aangifte zou gaan doen, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

(art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

3

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] meermalen in/op zijn gezicht/hoofd te slaan en/of vervolgens die [slachtoffer] (op de achterbank) in een auto te duwen en/of die [slachtoffer] — gedurende een aantal uren - in die auto mee te nemen/te vervoeren;

(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

4

hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Tilburg en/of Rotterdam, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag (circa 1100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een (met behulp van geweld) gestolen ( [bank] )bankpas en/of pincode.

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Bijlage II: De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2020173141/ ZB4R020089 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 579. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Het proces-verbaal van verhoor van de Belgische politie d.d. 3 juli 2020 (pg. 115), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 03/07/2020 omstreeks 03:00 uur ben ik bij mijn vriend vertrokken met de fiets. Hij woont in Nederland, Tilburg. Ik ben met de fiets vertrokken naar huis. In de Baden Powelllaan in Tilburg ben ik tegengehouden.
Ik heb verwondingen aan mijn rechteroog en neus.
Nadat ik uit de auto gezet was, ben ik beginnen wandelen omdat ik wilde aanbellen bij een woning. Ik zag toen een politieauto op mij afrijden en ben beginnen liften. Vervolgens zijn jullie gekomen.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 5 juli 2020 (pg. 131), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

A: Ik reed met mijn fiets over de Lage Witsiebaan in de richting van de bocht naar het Paletplein, in de richting van de Baden Powelllaan. Ik bemerkte toen dat zij al achter mij aan reden met hun auto. Op de hoek van de Vlierlaan en de Lage Witsiebaan hebben ze toen geprobeerd mij klem te rijden. Ik kon hun toen ontwijken en zag dat hun een klein stukje de Vlierlaan in reden. Ik ben vervolgens doorgefietst. Toen ik vervolgens over de Baden Powelllaan reed zag ik dat ik werd ingehaald door diezelfde auto. Ik zag dat de auto vervolgens net voorbij de Wijnruitweg langs de kant ging staan. Ik was er toen ongeveer 20 a 30 meter vandaan. Een van de jongens die sprong voor mijn fiets en dwong mij te stoppen. Ik werd gedwongen om mijn fiets op slot te zetten. Ik werd door die andere jongen bij mijn arm gepakt.
V: Wie is er uit de auto gestapt om drinken te halen?
A: Dat was de jongen die eerst bestuurder was en daarna bijrijder was.

3. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 24 juli 2020 (pg. 135), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

A: Eén van de mannen die achterin zit, die later in het midden zat, stapte toen uit en kwam achter mij staan. De bijrijder, die voor mij stond, die vroeg of ik geld bij had en hoeveel geld ik bij me had. Onder dwang pakte ik mijn portemonnee. Ik liet zien, en ik zei dat er niet veel in zat. Toen heeft de bijrijder de portemonnee uit mijn handen gepakt. Ik heb daarna mijn portemonnee niet meer gezien. Ik moest de rest van mijn zakken legen. Toen ik mijn telefoon pakte, namen ze deze af. Ik had ook airpods in mijn oren.

De bijrijder, die voor mij stond, riep iets over mijn pinpas en geld. Op dat moment werd ik in de auto geduwd. Via de kant van de bijrijder moest ik langs een opgeklapte stoel achterin plaatsnemen. Er zat toen al iemand rechts achter in de auto achter de bijrijdersstoel. Daar moest ik langs af. Ik werd links in de hoek geduwd, achter de bestuurder. De man die mij in de auto duwde kwam toen naast mij zitten, in het midden. De bestuurder zette toen zijn stoel zover naar achter dat ik niet meer kon bewegen. Ik zat toen nog rechtop in de auto. De bijrijder begon toen tegen mij te praten. Hij begon over mijn pincode en dergelijke. Nog voordat ik antwoord kon geven kreeg ik al twee of drie klappen tegen mijn hoofd en oog. Ze hadden iets gezegd over pinnen in Rotterdam, ik zei dat dat dan toch ook hier kon. Toen kreeg ik nogmaals klappen tegen mijn gezicht. Toen heb ik mijn pincode gegeven.

Toen zijn ze gaan rijden. Toen hebben ze mijn rugzak van mijn rug gepakt en afgenomen. Ik zag op een gegeven moment ook de Erasmusbrug. Niet lang hierna, ik denk 5 minuten ofzo, hebben ze aan een persoon gevraagd of er een 24-uurs pinautomaat was. Daar zijn ze gewisseld van bestuurder. De bijrijder is de bestuurder geworden, en de bestuurder werd hier bijrijder. Ik had mijn applewatch toen nog om, en hierna moest ik deze ook afgeven.

Hierna zijn we richting een tankstation gereden. Daar zijn we op een parkeerplaats bij de vrachtwagens gestopt. De bestuurder en bijrijder stapten uit. De bijrijder is toen volgens mij drinken gaan halen. Hij had toen een mondkapje op. Daar ben ik ook kort uit de auto geweest om te mogen plassen in de berm. De man die naast mij zat, in het midden achterin, die stapte ook uit. Ik stapte hierna via de bijrijderskant uit. Ook de bestuurder kwam bij ons staan zodat ik niet weg kon. Toen zijn we nog ergens gestopt waar ze daadwerkelijk het geld hebben kunnen pinnen. De bijrijder stapte hier uit. Wij zijn toen een stukje gaan rijden. Voor mijn gevoel stapte de bijrijder pas na 10 minuten of langer pas weer in de auto. De bijrijder zei dat hij geld van mijn rekening had gehaald, iets van 1100 euro dacht ik.

We zijn hierna doorgereden en een goede 20 of 30 minuten later werd ik uit de auto gezet. Ik moest op de grond gaan liggen met mijn capuchon op en mijn handen vooruit.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2020 (pg. 141), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Door ons werd aangever [slachtoffer] nader gehoord. Hem werden tijdens dit verhoor vier foto's getoond.

Foto 1: [medeverdachte 2] , geboren [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]
Foto 2: [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]
Foto 3: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]
Foto 4: [medeverdachte 3] , geboren [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]

A: Nummer drie (3) heeft de hele rit naast mij gezeten.

V: Hoe is dat gegaan? Wie heeft wat gezegd en wie heeft wat gedaan?
A: Twee (2) is voor mijn fiets gaan staan. Persoon twee(2). En persoon drie (3) is half naast slash achter mij gaan staan. Zodat ik niet weg kon.
En toen ben ik door nummer drie (3) mee in de auto geduwd en is daarna meteen naast mij gaan zitten zodat ik niet meer weg kon.

V: Zijn er ook dingen van jou afgepakt?
A: Uhm... nou ja, ik had op een gegeven moment mijn rugzak nog om toen ik de auto ingeduwd werd dus die hebben ze uiteindelijk half achter mijn rug af werd getrokken zeg maar.

A: En ik had airpods in en die probeerden ze ook uit mijn oor te trekken maar ik was net iets sneller dan in dit geval persoon nummer drie (3) die dat probeerde en toen hebben ze die ook gepakt.

V: Ik las in jouw verklaring dat er wordt gesproken over verbale bedreigingen met betrekking tot een mes en eventueel een vuurwapen waarvan jij zegt ik heb die niet gezien?

A: Correct.

V: Ik lees hier ook dat jouw familie bedreigd werd als je aangifte zou doen. Klopt dat?

A: Correct.

V: Wie heeft dat gezegd?

A: Volgens mij zowel de persoon op foto een (1) als twee (2). Als ik aangifte zou doen dan zouden ze achter mijn familie aankomen.

V: En wanneer hebben ze dat gezegd?

A: Net voordat ze los hebben gelaten, nadat het geld gepind is. Tussen zeg maar het moment van geld pinnen en mij loslaten in hebben ze dat gezegd. Meerdere malen overigens hoor. Het is geen een keer geweest onderweg maar eigenlijk een paar keer, dat stukje.

5. Het geschrift, te weten de rekeningafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] in de periode van 2 juli 2020 tot en met 5 juli 2020 (pg. 155), voor zover inhoudende:

Datum

Naam/omschrijving

Bedrag af

03-07

[tankstation] BREDA

Betaalautomaat 06:31 pasnr. 006

12,80

03-07

[tankstation] BREDA

Betaalautomaat 06:32 pasnr. 006

20,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:06 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:07 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:08 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:09 pasnr. 006

300,00

03-07

Geldmaat [adres] Zundert

Geldautomaat 07:19 pasnr. 006

40,00

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 oktober 2020 (pg. 564), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3] :

A: [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn uitgestapt en zijn naar het slachtoffer gegaan. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei, kom rijden. Ik hoorde dat hij dat zei tegen [medeverdachte 2] en die is toen achter het stuur gaat zitten. [medeverdachte 1] ging toen als bijrijder zitten en [verdachte] zat naast mij tussen mij en het slachtoffer.

A: Ik weet wel dat [medeverdachte 2] ging pinnen.

V: Maar had hij ook geld gepind?

A: Ja, hij had geld, hield dat bij zich en zijn gaan rijden.

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2020 (pg. 573), voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3] :

Dus wij waren onderweg. [medeverdachte 1] hij remt. Hij remt hard, hij stopt en meteen hij ging uitstappen van de auto. Hij is uitgestapt en toen, ik zat achter, voor mij zat [medeverdachte 2] en naast mij zat [verdachte] , dus [verdachte] hij was ook uitgestapt. Hun waren allebei uitgestapt. Zij hebben die slachtoffer gepakt. En toen is die slachtoffer naar binnen gegaan, [verdachte] is ook naar binnen gegaan. [verdachte] , die slachtoffer zat tussen ons en toen zei [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] , “Kom rijden, kom rijden, kom rijden”.

En toen hij is weer teruggekomen met drinken voor iedereen, ook voor het slachtoffer. Hij zei, ik ga pinnen. Hij is weggegaan en toen hij is teruggekomen, [medeverdachte 1] ging besturen, hij ging die auto rijden, op die moment snap je. En [medeverdachte 1] ging beetje verderop, verderop rijden, dus hij zei tegen die slachtoffer, “stap uit, stap uit”. Dus die slachtoffer, ging uitstappen, hij is uitgestapt en hij zei niet terugkijken, ga daar gewoon liggen, dus die slachtoffer ging liggen en [medeverdachte 1] ging van daar wegrijden.

8. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2021, voor zover inhoudende:

Ik zat op 3 juli 2020 rond 03.00 uur in de Peugeot 206. Ik zat achterin samen met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] was de bestuurder en [medeverdachte 2] de bijrijder. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn uit de auto gestapt. Daarna ben ik ook uitgestapt. Ik moest eerst wachten tot [medeverdachte 2] was uitgestapt, want de auto heeft maar twee portieren. Het klopt dat ik achter [slachtoffer] stond buiten. Ik ben naast hem gaan zitten in de auto. In de auto heeft [slachtoffer] twee klappen gekregen van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft in Rotterdam aan een paar jongens gevraagd waar je kan pinnen. Het was niet mogelijk om daar te pinnen dus wij zijn doorgereden. In Rotterdam zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van plaats gewisseld. [medeverdachte 2] heeft geld gepind. Toen [slachtoffer] bij het tankstation ging plassen ben ik ook uitgestapt en bij hem gaan staan.