Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:864

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
C/02/352112 / FA RK 18-6250 (echtscheiding) & C/02/360258 / FA RK 19-3295 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Voorhuwelijks alimentatie-nihilbeding is nietig. Art. 400 lid 2 BW is in beginsel ook van toepassing op levensonderhoud jegens ex-echtgenoot.

Is vervolgens het beroep op de nietigheid van het nihilbeding onaanvaardbaar? In dit geval geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden, het beroep op nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0074
EB 2020/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Meervoudige kamer

zaak/rekestnr: C/02/352112 / FA RK 18-6250 (echtscheiding)
zaak/rekestnr: C/02/360258 / FA RK 19-3295 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

beschikking d.d. 21 februari 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat: mr. W. van der Sande te Goes,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat: mr. C.E. van de Pas-Rutgers van der Loeff te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerder] worden genoemd.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het verzoek tot echtscheiding, met bijlagen, ingekomen op 23 november 2018;

- het verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen, ingekomen op 10 april 2019;

- de brief d.d. 9 mei 2019 van mr. van de Pas-Rutgers van der Loeff met producties;

- het F9-formulier ingediend namens [verweerder] , ingekomen op 10 mei 2019 met productie 7;

- het F9-formulier ingediend namens [verweerder] , ingekomen op 10 mei 2019 met producties

21-25 en bijgewerkt productieoverzicht;

- de door de griffier opgemaakte akte van depot;

- de door de griffier opgemaakte verbeterde akte van depot;

- het verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek, met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2019 van de zijde van [verzoeker] ;

- de brief d.d. 29 augustus 2019 van de zijde van [verzoeker] met bijlagen;

- de brief d.d. 1 september 2019 van de zijde van [verweerder] met bijlagen;

- het op 10 september 2019 ingekomen formulier verdelen en verrekenen van de zijde van [verzoeker] .

1.2. De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 12 september 2019. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is [verzoeker] bijgestaan door mr. Pieters, kantoorgenoot van mr. Van der Sande. De advocaten hebben tijdens de mondelinge behandeling het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities.

1.3. Tussen partijen zijn voorlopige voorzieningen getroffen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 5 april 2004 te [plaats] gehuwd op huwelijkse voorwaarden d.d. 2 april 2004. Daaraan voorafgaand waren partijen middels een samenlevingscontract als partners aan elkaar verbonden sedert 27 augustus 1993.

2.2.

[verzoeker] heeft de Nederlandse nationaliteit. Volgens het getuigschrift van verblijf d.d. 26 november 2018 heeft ook [verweerder] de Nederlandse nationaliteit.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt thans, samengevat, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak met nr. C/02/352112 / FA RK 18-6250 (echtscheiding):

- de echtscheiding uit te spreken;

- vaststelling van een door [verweerder] aan hem te betalen partneralimentatie van € 11.251,= bruto per maand, danwel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

in de zaak met nr. C/02/360258 / FA RK 19-3295 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden):

- [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] een in onderhavige procedure vast te stellen nader te bepalen bedrag te voldoen uit hoofde van verevening van pensioen bij scheiding, te vermeerderen met wettelijke rente;

- de verdeling van de (eenvoudige) gemeenschappen (het pand [adres] te [woonplaats 3] en de auto, BMW met kenteken [kenteken] ) vast te stellen, met inachtneming van hetgeen [verzoeker] te dien aanzien naar voren heeft gebracht;

- [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] een bedrag van € 447,50 (waarborgsom) te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de in deze te wijzen beschikking tot het moment van algehele voldoening;

- [verweerder] te veroordelen binnen zeven dagen na de in deze te wijzen beschikking over te gaan tot afgifte van aan [verzoeker] toebehorende goederen:

2 krissen en 1 sabel (uit erfenis), de diverse dozen met door [verzoeker] zelf geschreven boeken, de sleutels van de scooter van [verzoeker] , oude cassettebandjes en video’s, met veroordeling van [verweerder] tot het betalen van een dwangsom van

€ 1.500,= per omschreven goed dat niet -binnen de gestelde termijn- afgegeven wordt aan [verzoeker] ;

- [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag ad € 2.468,50 ter zake de IB aanslag 2018 en een bedrag ad € 734,50 ter zake de aanslag ZVW 2018;

- [verweerder] ter veroordelen tot het betalen aan [verzoeker] van een bedrag ad € 574,75 betreffende de kosten van het bergingsbedrijf.

[verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verweerder] strekkende tot afwijzing daarvan; ten aanzien van het verzoek betreft de IB 2013, verzoekt [verzoeker] – als dat wordt toegewezen – verrekening met het dan toegewezen bedrag van een bedrag van € 1.474,50, welk bedrag [verweerder] aan hem is verschuldigd.

3.2.

[verweerder] voert geen verweer tegen de echtscheiding. Hij voert verweer tegen het alimentatieverzoek van [verzoeker] , daarbij verzoekend (primair) om het verzoek af te wijzen, dan wel (subsidiair) om de alimentatie op termijn op nihil te stellen en een afbouwregeling vast te stellen, inhoudende dat de alimentatie wordt teruggebracht naar nihil over de komende twee jaren, dan wel over de komende vijf jaren, dan wel over de periode tot de datum waarop [verzoeker] AOW ontvangt. Voorts voert hij verweer tegen de door [verzoeker] verzochte wijze van afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden en verdeling van de gemeenschappen.

[verweerder] verzoekt bij wege van zelfstandige verzoeken:

in de zaak met nr. C/02/352112 / FA RK 18-6250 (echtscheiding):

- de echtscheiding op voorhand uit te spreken voordat op de overige vorderingen wordt beslist;

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 27.731,19 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 (kosten inschakelen recherchebureau);

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 3.300,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2018 en te vermeerderen met € 300,= over iedere maand tot de datum van verdeling van het pand, te vermeerderen met wettelijke rente (gebruiksvergoeding);

in de zaak met nr. C/02/360258 / FA RK 19-3295 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden):

- de verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen als in zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek omschreven, namelijk te bepalen dat het pand [adres] te [woonplaats 3] wordt toegedeeld aan [verzoeker] op voorwaarde van ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld van [verweerder] en onder vergoeding van de helft van de waarde (na aftrek van de hypothecaire schuld) aan [verweerder] ;

- te bepalen dat [verzoeker] bewijsstukken overlegt van zijn vermogensbestanddelen over de periode 1 juni 2013 tot en met 21 mei 2018, te weten per 1 juni 2013, per 31 december 2013, per 31 december 2014, per 31 december 2015, per 31 december 2016, per

31 december 2017 en per 21 mei 2018, alsmede van zijn inkomen over deze jaren en de volledige jaarstukken van zijn eenmanszaak over deze jaren;

- te bepalen dat de huwelijksvoorwaarden worden afgewikkeld volgens de nader door [verweerder] te omschrijven vorderingen;

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 6.665,= te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 september 2018 (IB 2013);

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 1.305,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018 (huur juni/juli 2018);

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 26.421,02 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 (schade appartement/inboedel);

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 896,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2018 (kosten inzake de auto BMW, kenteken [kenteken] , van [verweerder] ) en [verzoeker] te veroordelen tot betaling van € 20,= per dag, gerekend vanaf 18 juni 2019 (kosten stalling van die auto bij het takelbedrijf);

- [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van € 57,08 en € 226,90 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2018 ( [verzekeringsmaatschappij 1] en [verzekeringsmaatschappij 2] );

- te bepalen dat [verzoeker] aan [verweerder] vergoedt de door [verweerder] terug te betalen bedragen ad € 2.787,93 (kostwinnerstoeslagen 2017) en € 1.183,25 (kostwinnerstoeslagen januari tot en met mei 2018), tenzij [verzoeker] binnen een maand na de door de rechtbank te wijzen beschikking bewijsstukken overlegt van diens belastbaar inkomen over 2017 en 2018 zoals door de Nederlandse fiscus definitief vastgesteld, waaruit blijkt, dat het belastbaar inkomen van [verzoeker] in die jaren onder de grens ligt van € 45.640,62 over 2017, respectievelijk

€ 51.391,53 over 2018;

- te bepalen dat [verzoeker] aan [verweerder] vergoedt de door [verweerder] terug te betalen bedragen:

a. € 218,77 (ziektekosten 2017) en

b. € 210,37 (ziektekosten januari – mei 2018),

tenzij [verzoeker] binnen een maand na de door de rechtbank te wijzen beschikking bewijsstukken overlegt van zijn belastbaar inkomen over 2017 en 2018, zoals door de Nederlandse fiscus definitief vastgesteld, waaruit blijkt, dat het belastbaar inkomen van [verzoeker] in die jaren onder de grens ligt van € (bedrag nader toe te voegen) over 2017, respectievelijk € 42.237,13 over 2018.

4 De beoordeling

in de zaak met nr. C/02/352112 / FA RK 18-6250 (echtscheiding)

echtscheiding

4.1.

Beide partijen verzoeken de echtscheiding uit te spreken, waarbij [verweerder] vraagt dit op voorhand te doen. Zij hebben daartoe gesteld dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht.

4.2.

Gelet op de gestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank met [verzoeker] van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [verzoeker] gedurende zes maanden voorafgaand aan het indienen van het echtscheidingsverzoek in Nederland was. De Nederlandse rechter komt dan ook rechtsmacht toe.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

4.3.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, en bij onderhavige (eind)beschikking worden toegewezen.

partneralimentatie

4.4.

De Nederlandse rechter is ingevolge artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening

(nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

4.5.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

4.6.

[verzoeker] verzoekt vaststelling van een door [verweerder] aan hem te betalen partneralimentatie van € 11.251,= bruto per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Hij stelt behoefte te hebben aan partneralimentatie.

nihilbeding geldig?

4.7.

Bij de beoordeling van dit verzoek is allereerst van belang dat het navolgende beding in de huwelijksvoorwaarden is opgenomen:

“ALIMENTATIE/NIHILBEDING:

Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden zal geen der partijen tegenover de ander gehouden zijn tot een uitkering tot diens levensonderhoud.”

4.8.

[verzoeker] stelt dat dit nihilbeding nietig is op grond van artikel 1:400 lid 2 BW, volgens welk artikel een overeenkomst waarbij wordt afgezien van volgens de wet verschuldigd levensonderhoud, nietig is. Dit artikel is volgens jurisprudentie ook van toepassing op partneralimentatie. Voorts wijst hij er op dat ook de Raad van State zich in zijn advies inzake het wetsvoorstel herziening partneralimentatie op het standpunt stelt dat naar geldend recht een overeenkomst als door partijen gemaakt nietig is.

4.9.

[verweerder] beroept zich op het alimentatie/nihilbeding en stelt dat dit beding niet nietig is. Artikel 400 lid 2 BW is volgens hem niet van toepassing op partneralimentatie nu in artikel 1:392 lid 1 BW – waarin is geregeld wie jegens wie onderhoudsplichtig is – ex-echtgenoten niet zijn vermeld. Dat een nihilbeding betreffende partneralimentatie, opgenomen in een (voorhuwelijkse) akte van huwelijksvoorwaarden nietig zou zijn, is door de Hoge Raad nooit beslist, al wordt dit in de lagere rechtspraak wel aangenomen, aldus [verweerder] .

4.10.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Kern van de stelling van [verweerder] is dat het bepaalde in artikel 1:400 lid 2 BW niet van toepassing is in de zich hier voordoende situatie van levensonderhoud jegens een (ex-) echtgenoot. De rechtbank verwerpt die stelling. Artikel 1:400 lid 1 BW regelt de rangorde van onderhoudsgerechtigden. Het artikellid noemt een aantal personen aan wie iemand verplicht kan zijn levensonderhoud te verstrekken. Genoemd worden onder meer “zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot”. In dit artikellid wordt er aldus van uitgegaan dat het verstrekken van levensonderhoud aan een ex-echtgenoot een verplichting kan zijn. Die verplichting kan voorts worden afgeleid uit hetgeen in de artikelen 1:157 en verder BW is geregeld, alsmede uit de vaste jurisprudentie, waarin partneralimentatie wordt gezien als een na het huwelijk vanuit lotsverbondenheid zich voorzettende verplichting (die binnen huwelijk was gebaseerd op artikel 1:81 BW). Van belang is ook dat artikel 1:400, lid 2 BW is opgenomen in titel 17 ‘levensonderhoud’ waarin de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud zowel voorvloeiende uit bloed- en aanverwantschap als uit de (vroegere) huwelijksband nader wordt geregeld. De genoemde wetsartikelen (1: 400, lid 1 en 1:157 e.v. BW) moeten dan ook aldus worden gelezen, dat daarin is vastgelegd een verplichting tot levensonderhoud (gedurende een zekere periode) jegens een ex-echtgenoot, wanneer deze na beëindiging van het huwelijk niet voldoende inkomsten heeft – en die in redelijkheid ook niet kan verwerven – om zelf daarin te voorzien. Dat deze onderhoudsverplichting niet is genoemd in artikel 1:392 lid 1 BW maakt een en ander niet anders. Artikel 1:400, lid 2 BW is dus ook van toepassing op levensonderhoud jegens een ex-echtgenoot: een overeenkomst waarbij wordt afgezien van dat levensonderhoud, is in beginsel nietig.

Weliswaar is in artikel 1:158 BW bepaald dat echtgenoten vòòr of na de echtscheiding bij overeenkomst kunnen afzien van een uitkering tot levensonderhoud, maar deze bepaling is er vooral op gericht dat partijen rondom de echtscheiding op dit punt afspraken kunnen maken. Een dergelijke overeenkomst kan, op straffe van nietigheid, niet worden gesloten vòòr het huwelijk (HR 7 maart 1980: AB7449).

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door partijen voorafgaand aan het sluiten van hun huwelijk gemaakte afspraak welke is vastgelegd in hun huwelijkse voorwaarden, nietig is.

beroep op de nietigheid van het nihilbeding onaanvaardbaar?

4.11.

Voor het (zich nu voordoende) geval dat de rechtbank van oordeel is dat de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen alimentatieovereenkomst (nihilbeding) nietig is, heeft [verweerder] gesteld dat het, gezien de omstandigheden van het geval, op grond van de eisen van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is een beroep op deze nietigheid te doen.

De door [verweerder] daartoe aangevoerde omstandigheden, samengevat en voor zover van belang, zijn de volgende

Beide partijen hebben bewust afgezien van het recht over en weer een bijdrage te eisen; zij beoogden met het nihilbeding uiting te geven aan hun wens om zowel tijdens als na het huwelijk geen financiële afhankelijkheid jegens elkaar te scheppen. Partijen zijn even oud en hadden bij het aangaan van het huwelijk beiden een carrière, levenservaring en zelfstandigheid. [verzoeker] had reeds een huwelijk met een vrouw achter de rug; hij had bij het aangaan van het huwelijk van partijen voldoende inzicht in de praktische en financiële gevolgen van een huwelijk en de beëindiging daarvan. Partijen zijn pas na langdurige samenleving met een samenlevingsovereenkomst tot de huwelijkse voorwaarden gekomen. Partijen hadden geen doorsnee huwelijk. Mede gezien de maatschappelijke opvattingen over de financiële zelfstandigheid van partners en ex-partners met name wanneer geen sprake is van zorgverplichtingen jegens kinderen is het nihilbeding niet bijzonder te noemen. Partijen hadden tijdens hun samenwoning en huwelijk hun eigen werkkring en konden in eigen levensonderhoud voorzien. [verzoeker] had bij het sluiten van het huwelijk geen inkomen maar een sabbatical en het was de bedoeling dat hij weer aan het werk zou gaan; hij had bij zijn werkgever een terugkeergarantie gekregen. Dat [verzoeker] akkoord was met het alimentatiebeding blijkt uit zijn handtekening onder de huwelijksvoorwaarden. Beide partijen wilden het nihilbeding opgenomen hebben. Partijen hebben voorafgaand aan de ondertekening van de huwelijksvoorwaarden gesproken over het nihilbeding; zij hebben daarover niet met derden gesproken. [verweerder] kan zich niet herinneren dat er is gezegd dat een dergelijk beding nietig is.

4.12.

[verzoeker] betwist dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat aan hem geen beroep op nietigheid toekomt. Hij stelt dat de door [verweerder] aangevoerde omstandigheden daartoe onvoldoende zijn. Voorts wijst hij erop dat de notaris partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden heeft gewezen op de nietigheid van het beding en dat daarover toen uitgebreid is gesproken. [verweerder] wilde het beding persé opgenomen hebben. [verzoeker] stelt dat hij, in de wetenschap dat het alimentatiebeding nietig was en er dus geen beroep op zou kunnen worden gedaan, geen bezwaar heeft gemaakt tegen het opnemen ervan in de huwelijkse voorwaarden. Hij doet een uitdrukkelijk bewijsaanbod in die zin dat hij aanbiedt de kandidaat-notaris die betrokken was bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden, als getuige te horen; deze getuige kan verklaren over de gang van zaken ten tijde van het opstellen en passeren van de akte huwelijkse voorwaarden.

4.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:2 lid 2 BW geeft de mogelijkheid om onder omstandigheden te komen tot het oordeel, dat de hier aan de orde zijnde, uit de wet voortvloeiende nietigheid van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen nihilbeding tussen partijen niet van toepassing is. Daarvoor is nodig dat dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een dergelijk oordeel zal slechts onder bijzondere omstandigheden, en met terughoudendheid kunnen worden gegeven. Dit geldt te meer wanneer, zoals in het onderhavige geval, sprake is van dwingend recht. [verweerder] heeft een aantal omstandigheden genoemd. Die omstandigheden hebben met name betrekking op de destijds bij het opnemen van het beding in de huwelijkse voorwaarden bij partijen bestaande bedoeling. De toen bestaande bedoeling kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet zonder meer met zich brengen dat een beroep op een ook toen al nietig beding nu niet zou kunnen worden gehonoreerd. In ieder geval zal daarnaast ook nodig zijn dat de toen door partijen van belang geoordeelde situatie – namelijk die van volledige financiële onafhankelijkheid van elk van beiden – zich ook nu, nu op de nietigheid van het beding een beroep wordt gedaan, (nog) voordoet. Uit de door partijen gestelde feiten leidt de rechtbank af, dat dat niet het geval is. Partijen hebben er tijdens hun huwelijk voor gekozen om niet beiden hun verdiencapaciteit volledig te benutten. In kennelijke eenstemmigheid hebben zij ervoor gekozen vooral van het inkomen van [verweerder] te leven; [verzoeker] nam – en kreeg – de gelegenheid om een sabbatical te nemen, een boek te schrijven, een onderneming op een geheel nieuw vlak te beginnen. Het inkomen van (alleen) [verweerder] vormde daarbij kennelijk de basis voor de dekking van de kosten van hun gezamenlijk levensonderhoud. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verzoeker] nu een beroep doet op de nietigheid van het destijds overeengekomen nihilbeding.

4.14.

Gelet op het vorenstaande moet aan het door partijen overeengekomen nihilbeding ten aanzien van de alimentatie worden voorbijgegaan. Dat betekent dat de rechtbank nu toekomt aan de vraag of – gelet enerzijds op de behoefte en behoeftigheid aan de zijde van [verzoeker] en anderzijds op de draagkracht van [verweerder] – ten laste van [verweerder] een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [verzoeker] behoort te worden vastgesteld.

behoefte en behoeftigheid

4.15.

[verzoeker] heeft ten aanzien van zijn behoefte en behoeftigheid, samengevat en voor zover relevant, het volgende aangevoerd.

Hij stelt zijn behoefte op basis van de zgn. hofnorm, na aftrek van door hem daadwerkelijk te ontvangen huurinkomsten, op € 6.113,88 netto per maand, ofwel € 11.251,= bruto per maand. Hij heeft ter ondersteuning van de door hem op grond van de hofnorm berekende behoefte een overzicht met onderliggende stukken overgelegd als productie 27. Ter zitting heeft hij aangegeven dat primair de hofnorm moet worden aangehouden en subsidiair het behoefteoverzicht.

[verzoeker] ontkent niet dat hij een succesvolle carrière heeft gehad. Na zijn laatste werkkring bij Buitenlandse Zaken/EU (tot 1 juni 2013) heeft hij op zijn sollicitatiebrieven echter alleen afwijzingen gekregen. Daarom is hij een eigen bedrijf “ [bedrijf verzoeker] ” gestart. Onlangs heeft hij na een herkeuring op 8 maart 2019 een negatief advies ontvangen om opnieuw uitgezonden te kunnen worden in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Er kan onmogelijk van hem verwacht worden dat hij een soortgelijke baan vindt als 10 jaar geleden. Zijn verdiencapaciteit is door het huwelijk ernstig aangetast. Hij is inmiddels bijna zestig jaar. Hij is thans gediagnosticeerd met een zware depressie, die samenhangt met de door hem als kwetsend ervaren (aangekondigde) scheiding en de gevolgen daarvan, in combinatie met al veel langer bestaande manisch-depressieve klachten ten gevolge van jeugdtrauma’s. [verzoeker] gebruikt daarvoor medicijnen. Hij wijst op de door hem overgelegde verklaringen van deskundigen; daaruit volgt respectievelijk dat hij vanwege zijn psychische problematiek niet in staat was/is om zijn werkzaamheden uit te voeren, en dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten opschorten.

[verzoeker] is met de exploitatie van de onderneming “ [bedrijf verzoeker] ” gestopt per 1 juli 2019, en heeft deze verkocht. Redenen daarvoor waren enerzijds zijn psychische gesteldheid, anderzijds omzetdalingen in combinatie met stijgende personeelskosten. Het was financieel geen optie om personeel in dienst te nemen en zelf afstand te houden. De jaarcijfers van “ [bedrijf verzoeker] ” zijn in het geding gebracht; de trendbreuk is daarin volgens [verzoeker] duidelijk zichtbaar vanaf het tweede kwartaal 2018. Zijn persoonlijke omstandigheden die in de loop van het tweede kwartaal 2018 zijn gaan spelen waardoor hij zelf minder in de winkel aanwezig was, zijn daar debet aan geweest, aldus [verzoeker] .

4.16.

[verweerder] betwist de door [verzoeker] gestelde behoefte en behoeftigheid, samengevat en voor zover relevant, als volgt.

[verweerder] maakt bezwaar tegen toepassing van de hofnorm. Hij stelt daartoe dat de behoefte afhankelijk is van het werkelijke uitgavenpatroon van partijen in de periode direct voorafgaand aan de breuk. Er werd toen niet veel uitgegeven. Sinds 2016 hebben partijen feitelijk geen gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Voorafgaand aan de breuk leefde [verzoeker] van € 3.500,= per maand (inclusief de huurinkomsten). Hij had zijn eigen bedrijf, waarmee hij vermogen opbouwde; hij nam niets op uit de zaak. De behoefte van [verzoeker] is in de voorlopige voorzieningenprocedure op genoemd bedrag van € 3.500,= netto per maand gesteld en hiervan dient ook in onderhavige procedure te worden uitgegaan. Voorts heeft [verweerder] nog een aantal van de door [verzoeker] in zijn behoefte-overzicht opgenomen posten betwist, zodat resteert een bedrag van € 3.000,= netto per maand als diens behoefte.

[verweerder] stelt dat [verzoeker] uit eigen inkomsten in deze behoefte kan – althans geacht moet worden te kunnen – voorzien. [verweerder] betwist dat [verzoeker] na de relatiebreuk in mei 2018 niet of nauwelijks meer kon werken en daardoor genoodzaakt was zijn winkel te verkopen. Hij wijst op het rapport van het door hem ingeschakelde recherche- en adviesbureau [recherchebureau] Bedrijfsrecherche (hierna: [recherchebureau] ), waaruit blijkt dat [verzoeker] in 2018/2019 wel degelijk werkzaam was en arbeid kon verrichten. Voorts blijkt uit de jaarstukken 2018 een omzet van € 203.777,=. Uit observaties van [recherchebureau] volgt dat [verzoeker] weinig vervanging nodig had. [verweerder] betwist voorts de door [verzoeker] gestelde psychische problemen. Na zijn vorige scheiding heeft [verzoeker] een mooie carrière gehad; in het door hem geschreven boek “ [titel boek] ” benoemt hij zijn sterke vermogen om (psychische en andere) tegenslag om te zetten in vooruitgang. Waarom dit nu anders zou zijn wordt niet duidelijk. De overgelegde verklaringen zijn niet te rijmen met de werkelijkheid. Omdat [verzoeker] zijn zaak onnodig heeft verkocht, is er sprake van vrijwillig inkomensverlies. Bij de bepaling van zijn behoeftigheid zal de winst van 2018 dan als uitgangspunt moeten worden genomen voor wat betreft het minimaal door hemzelf te verwerven arbeidsinkomen. [verzoeker] heeft daarnaast vermogen; hij heeft nagelaten daarin inzage te geven. Voorts heeft hij niet aangetoond dat hij (na 2013/2014) heeft gesolliciteerd. Hij heeft derhalve zijn behoeftigheid niet aannemelijk gemaakt.

behoefte

4.17.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de behoefte rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode, om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Het vaststellen van de behoefte is maatwerk. Indien de behoefte in geschil is, staat toepassing van een in de praktijk voor de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie ontwikkelde vuistregel als de zgn. hofnorm, op gespannen voet met dit door de Hoge Raad verlangde maatwerk.

De rechtbank is ook op andere gronden van oordeel dat in dit geval toepassing van de hofnorm niet goed mogelijk is. Uit hetgeen [verzoeker] - onbestreden - heeft gesteld, leidt de rechtbank af dat partijen in hun huwelijk hadden gekozen voor de navolgende verdeling van hun inkomsten: de inkomsten die [verzoeker] had in zijn bedrijf “ [bedrijf verzoeker] ” behield hijzelf (in zijn bedrijf), het inkomen van [verweerder] uit zijn dienstbetrekking alsmede de huurinkomsten uit de onroerende zaak die partijen gezamenlijk in eigendom hebben, werd op een gemeenschappelijke rekening gestort. Vanaf de gezamenlijke rekening werden alle vaste lasten betaald, waarna het restant tussen partijen werd gedeeld (waardoor zij maandelijks ieder een bedrag op een privérekening ontvingen van tussen de € 2.500,= en € 3.500,=). Uit dat verdeelde deel van het inkomen werden ook gezamenlijke uitgaven gedaan (waarbij elk zijn aandeel betaalde). De rechtbank acht het daarnaast voldoende aannemelijk dat partijen voor een deel ieder een eigen huishouding hadden, [verweerder] in [woonplaats 2] en [verzoeker] in [woonplaats 3] . Bij deze door partijen gekozen constructie van hoe met de inkomens werd omgegaan past niet dat bij de vaststelling van de behoefte van één van hen de hofnorm wordt gehanteerd; die norm gaat uit van de situatie dat het gezamenlijke inkomen van partijen steeds (volledig) werd besteed aan de gezamenlijke huishouding. Het door de Hoge Raad verlangde maatwerk vraagt in dit geval dan ook een meer concrete wijze van vaststelling van de behoefte.

4.18.

[verzoeker] heeft ter onderbouwing van zijn behoefte een (deels onderbouwd) overzicht overgelegd. [verweerder] heeft dat overzicht op een aantal punten bestreden. Met [verweerder] is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de door [verzoeker] genoemde, door hem te betalen huur voor een appartement in [woonplaats 1] . Gesteld noch gebleken is dat wonen in [woonplaats 1] tot de huwelijksgerelateerde behoefte behoort. [verzoeker] woonde kennelijk de laatste jaren vooral in [woonplaats 3] . Onder die omstandigheden zal bij de bepaling van zijn behoefte van een woonlast in [woonplaats 3] (geschat op een last vergelijkbaar met die welke de huurder van het pand van partijen in die plaats betaalt) worden rekening gehouden. De rechtbank stelt deze woonlast op € 1.000,= per maand. Zoals hierna wordt overwogen zal het pand in [woonplaats 3] aan [verzoeker] worden toegedeeld; als verplichting zal [verzoeker] dan de bestaande hypotheeklast ten aanzien van dat pand (onbetwist € 600,= per maand) op zich nemen. Deze last wordt aangemerkt als kosten voor inkomsten uit verhuur en zal hierna bij de vaststelling van de inkomsten van [verzoeker] in aftrek worden genomen; zij kan dan hier bij de behoeftebepaling verder buiten beschouwing blijven. Gelet op de welstand van het huwelijk, zoals blijkend uit de inkomsten van partijen, zal de rechtbank uitgaan van de door [verzoeker] gestelde bedragen ten aanzien van voeding, kleding, kapper en ontspanning. [verweerder] betwist nog de autokosten (naast de kosten van reizen per trein) en de opgevoerde posten onvoorzien en AOW-gat. Beide posten zijn door [verzoeker] niet onderbouwd. Wordt gekeken naar door het Nibud gemaakte berekeningen van de kosten van een auto, dan is het door [verzoeker] genoemde bedrag niet buitensporig hoog. De rechtbank zal van dat bedrag uitgaan. De hoogte van de treinkosten zijn na betwisting niet nader onderbouwd; de rechtbank zal, omdat al met autokosten is rekening gehouden, niet nog een afzonderlijke post aan treinkosten opnemen. Dat kosten moeten worden gemaakt van de door [verzoeker] gestelde hoogte om een AOW-gat te dichten is niet nader onderbouwd; de rechtbank gaat daaraan voorbij. Omdat partijen kennelijk de mogelijkheid hadden te sparen, kan in de behoefteberekening daarvoor een bedrag worden meegenomen. Het door [verzoeker] genoemde bedrag komt de rechtbank, gelet op de huwelijkswelstand, niet onredelijk voor. Omdat de overige posten in de behoefteopstelling ruim zijn ingeschat, is er geen ruimte meer voor een post onvoorziene uitgaven; met de door [verzoeker] genoemde € 300,= per maand wordt geen rekening gehouden. Gelet op al het vorenstaande – en in aanmerking nemend dat de overige posten in het behoefteoverzicht niet uitdrukkelijk zijn betwist – stelt de rechtbank de behoefte van [verzoeker] – afgerond – op een bedrag van € 4.400,= netto per maand.

behoeftigheid

4.19.

Vervolgens dient te worden bekeken of en zo ja, in welke mate [verzoeker] in genoemde behoefte zelf kan voorzien dan wel kan worden geacht daarin te voorzien.

4.20.

Partijen zijn het er over eens dat de huurinkomsten van de verhuurde woning aan de [adres] , de winkel en de ruimte boven de winkel aan [verzoeker] toekomen. Ter zitting heeft [verzoeker] onweersproken aangegeven dat de winkel en de ruimte boven de winkel momenteel zijn verhuurd voor, samen, € 1.650,= per maand. De daarnaast in het pand aanwezige, zelfstandige woonruimte, [adres] , werd verhuurd voor € 895,= per maand. Ter zitting stond vast dat de toenmalige huurders eind september 2019 zouden vertrekken. Partijen zijn het erover eens dat de ruimte vervolgens weer verhuurd zal worden. [verweerder] wil graag gegevens zien omtrent de huurprijs per 1 oktober 2019. [verzoeker] heeft ter zitting naar voren gebracht dat de ruimte van meet af aan voor € 895,= werd verhuurd en dat met dat bedrag moet worden gerekend. De rechtbank zal, nu [verweerder] dat niet meer heeft weersproken en onvoldoende is gebleken dat in de toekomst een ander bedrag zal worden gevraagd, in redelijkheid uitgaan van een huurprijs van € 895,= per maand. Gezien het vorenstaande wordt uitgegaan van huurinkomsten van [verzoeker] van € 2.545,= per maand, waarop in mindering komt (zoals hiervoor onder 4.18 overwogen) een hypotheeklast van

€ 600,= per maand, zodat netto een bedrag van € 1.945,= resteert. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de behoefte van [verzoeker] .

4.21.1.

Vast staat dat [verzoeker] met de exploitatie van de onderneming “ [bedrijf verzoeker] ” is gestopt per 1 juli 2019; hij heeft uit die onderneming dan ook geen inkomsten meer. [verweerder] heeft gesteld dat toch met inkomen uit “ [bedrijf verzoeker] ” moet worden gerekend, omdat stoppen met de exploitatie niet nodig was en aldus sprake is van vrijwillig inkomensverlies.

4.21.2.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende met bescheiden heeft onderbouwd dat hij genoodzaakt was met zijn onderneming “ [bedrijf verzoeker] ” te stoppen. Dat [verzoeker] , zoals hij stelt, vanwege zijn psychische gesteldheid genoodzaakt was om de onderneming te verkopen, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de door hem daartoe overgelegde stukken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In twee overgelegde verklaringen heeft de (voormalige) huisarts van [verzoeker] aangegeven dat [verzoeker] vanwege zijn psychische problematiek niet in staat was om zijn werkzaamheden uit te voeren (verklaring 5 oktober 2018) en dat hij het aannemelijk acht dat [verzoeker] om deze reden o.a. zijn onderneming van de hand heeft gedaan (verklaring van 16 augustus 2019). Uit de verklaring d.d. 19 augustus 2019 van de verpleegkundig specialist van [psychiatrisch ziekenhuis] volgt dat [verzoeker] aldaar nog steeds onder behandeling is en dat zijn situatie nog niet is verbeterd; [verzoeker] worstelt met het ongewenste en onverwachte verlies van zijn langdurige relatie. In een eerdere verklaring (van 25 januari 2019) is namens de behandelaars in [psychiatrisch ziekenhuis] aangegeven

“dat dhr [verzoeker] ook momenteel niet in staat moet worden geacht om normaal te functioneren in zijn werkomgeving (zijn winkel [bedrijf verzoeker] ), zoals hij dat voorheen wel kon. Tevens (…) is onze verwachting dat hij dit eventueel pas op termijn weer zal kunnen gaan doen”.

In genoemde verklaring van 19 augustus 2019 is voorts nog opgenomen:

“In verband met dit alles heeft hij zijn werkzaamheden voorlopig moeten opschorten. De prognose is onduidelijk.”

Weliswaar volgt uit genoemde verklaringen dat [verzoeker] in de daarin genoemde periode als gevolg van zijn psychische problematiek niet in staat werd geacht om zijn werkzaamheden in de winkel (volledig) uit te voeren, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgt uit deze - niet nader onderbouwde en in algemene zin opgestelde – verklaringen niet dat [verzoeker] als gevolg hiervan ook genoodzaakt was zijn onderneming te verkopen.

Gelet op hetgeen [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, te weten dat hij niet heeft aangevoerd dat de winkel niet loopt, maar dat hij alleen stelt dat hij – [verzoeker] – de winkel niet draaiend kan houden, gaat de rechtbank ervan uit dat hij de overige door hem opgevoerde redenen om de exploitatie van het bedrijf te staken, te weten de omzetdalingen in combinatie met stijgende personeelskosten en dat het financieel geen optie was om personeel in dienst te nemen en zelf afstand te houden, niet handhaaft. Deze behoeven dan ook geen bespreking meer. Omdat aldus geen sprake was van een noodzaak om tot verkoop van de onderneming over te gaan, moet het als een eigen keuze van [verzoeker] worden gezien dat hij zijn bedrijf “ [bedrijf verzoeker] ” heeft verkocht en zal het verlies van zijn inkomen uit deze onderneming worden gezien als verwijtbaar inkomensverlies.

4.21.3.

Voorts volgt uit vorengenoemde stukken niet, noch is op andere wijze gebleken, dat [verzoeker] vanwege zijn gesteldheid geen (enkele) verdiencapaciteit heeft of dat hij niet in staat zou zijn om zijn oude werkzaamheden te verrichten. Het feit dat [verzoeker] zijn onderneming heeft verkocht, maakt dit niet anders nu dit een eigen keuze van [verzoeker] is geweest. Uit het overgelegde overzicht van werkzaamheden die [verzoeker] in het verleden heeft verricht kan voorts een inzetbaarheid van [verzoeker] op zeer verschillende werkterreinen worden afgeleid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] nog steeds een verdiencapaciteit heeft ter hoogte van zijn in de onderneming verdiende inkomen en dat van [verzoeker] gevergd kan worden dat hij die verdiencapaciteit in de naaste toekomst ook benut. Het onder 4.21.2 genoemde inkomensverlies van [verzoeker] is dan ook voor herstel vatbaar.

4.21.4.

Nu aldus sprake is van verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies, zal de rechtbank bij de bepaling van de behoeftigheid van [verzoeker] ervan uitgaan dat [verzoeker] zijn verdiencapaciteit ter hoogte van zijn oude inkomen zelf invult, en voor dat deel van zijn behoefte geen aanspraak kan maken op een bijdrage van [verweerder] . Ter vaststelling van dat oude inkomen zal naar de jaarstukken van “ [bedrijf verzoeker] ” worden gekeken. Uit die jaarstukken blijkt dat het resultaat in 2014 (het jaar van oprichting) € 8.160,= negatief bedroeg, in 2015

€ 12.916,= negatief, in 2016 € 13.266,= negatief, in 2017 € 32.526,= positief, in 2018

€ 37.413,= positief en voor de eerste helft van 2019 € 10.984,= negatief. De rechtbank overweegt dat bij de vaststelling van het inkomen van een ondernemer in het kader van een alimentatiebepaling gewoonlijk wordt uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de laatste drie jaren, maar dat, indien daartoe aanleiding bestaat, daarvan kan worden afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat uitgegaan dient te worden van het gemiddelde inkomen dat [verzoeker] had over de jaren 2017 en 2018 uit de onderneming “ [bedrijf verzoeker] ”. Het jaar 2016 is niet representatief omdat de onderneming, mede gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling daaromtrent naar voren is gebracht, naar het oordeel van de rechtbank toen in de opbouwfase zat. In de jaren 2017 en 2018 is een opwaartse trend te zien. Zoals [verzoeker] heeft aangegeven is hij na de breuk van partijen minder in het bedrijf aanwezig geweest en had hij veel personeel nodig, hetgeen een negatief resultaat in 2019 heeft opgeleverd. Gelet daarop moet ervan worden uitgegaan dat sprake was van een bijzondere situatie, die tijdelijk was, en die niet representatief is voor de feitelijke mogelijkheden die de onderneming ook in 2019, had. De rechtbank acht het behaalde bedrijfsresultaat in 2019 dan ook niet representatief, zodat dit resultaat niet wordt meegenomen. De rechtbank zal uitgaan van een winst uit onderneming van € 34.970,= per jaar (het gemiddelde van 2017 en 2018). Dat leidt (rekening houdend met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek van € 7.030,= per jaar en MKB-vrijstelling van € 3.912,= per jaar, de toepasselijke heffingskortingen en de verschuldigde inkomstenbelasting) tot een netto besteedbaar maandinkomen van € 2.586,=.

4.21.5.

De rechtbank heeft een berekening gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

4.22.

Gezien enerzijds de hiervoor vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van [verzoeker] van € 4.400,= netto per maand en anderzijds zijn daadwerkelijke inkomsten van € 1.945,= uit huur en de door hem in redelijkheid te verwerven inkomsten van € 2.586,=, is er geen sprake van een aanvullende behoefte aan een bijdrage van de zijde van [verweerder] . Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

rapport [recherchebureau]

4.23.

[verweerder] heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het inschakelen van het recherchebureau [recherchebureau] . Ter onderbouwing van zijn verzoek voert [verweerder] aan dat deze kosten in het kader van de voorbereiding van het verweer in deze zaak noodzakelijk moesten worden gemaakt; er was geen andere manier om vast te stellen of [verzoeker] inkomsten had. [verzoeker] heeft zowel in de voorlopige voorzieningenprocedure als in de bodemprocedure gesteld dat hij geen verdiencapaciteit had en dat zijn inkomen € 0,= was. Uit het rapport bleek dat [verzoeker] wel degelijk in zijn zaak werkte en dat hij zijn winkel niet hoefde te sluiten. Pas later met het overleggen van de jaarstukken zag [verweerder] dat [verzoeker] wel degelijk inkomen had. Het rapport toont aan dat [verzoeker] met opzet een onjuiste voorstelling van zaken gaf ten aanzien van zijn behoefte en zelfs dat [verzoeker] daarbij fraude niet uit de weg is gegaan. De grondslag van het verzoek is de onrechtmatige daad nu [verzoeker] onzorgvuldig jegens [verweerder] heeft gehandeld.

4.24.

[verzoeker] voert verweer. Hij betwist dat [verweerder] de kosten van het rapport [recherchebureau] noodzakelijk heeft moeten maken. Omdat [verweerder] als grondslag voor zijn verzoek onrechtmatige daad heeft aangevoerd, dient aan de daaraan gestelde vereisten zijn voldaan. [verzoeker] stelt dat geen sprake is van onzorgvuldig handelen of nalaten zijnerzijds, dat niet van schade kan worden gesproken en dat het causale verband ontbreekt. Tenslotte stelt hij dat de kosten excessief hoog zijn.

4.25.

De rechtbank overweegt als volgt. [verweerder] heeft kennelijk een rechercheonderzoek noodzakelijk geacht en daarvoor kosten gemaakt. Hij stelt nu dat die kosten het gevolg zijn van onrechtmatig handelen van [verzoeker] en vraagt vergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige – met het verzoek tot uitkering van levensonderhoud verband houdende – verzoek voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en dat beoordeling ervan niet tot onnodige vertraging van het geding leidt, zodat het verzoek kan worden beoordeeld.

De verzochte vergoeding van recherchekosten is een vorm van schadevergoeding die alleen kan worden toegewezen indien op [verzoeker] een verbintenis tot vergoeding van schade rust. Aan het verzoek van [verweerder] ligt een beweerdelijke aansprakelijkheid van [verzoeker] uit hoofde van onrechtmatige daad ten grondslag. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW, is vereist dat a) een conditio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend; (c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Het is aan [verweerder] om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen om tot aansprakelijkheid en tot vervulling van genoemde vereisten en daarmee tot vergoeding van de kosten van het rechercherapport te komen. De enkele omstandigheid dat het op de weg van [verzoeker] had gelegen om [verweerder] op juiste wijze te informeren over zijn inkomen en verdienmogelijkheden, is daartoe onvoldoende. In rechte is thans wel komen vast te staan dat [verzoeker] verdiencapaciteit heeft, maar de beoordeling van die vraag is niet - enkel en alleen - gebaseerd op de onderzoeksrapportage van het recherchebureau. De omstandigheid dat partijen in onderhavige procedure geen eensluidende standpunten ten aanzien van de feiten hebben ingenomen, rechtvaardigt op die enkele grond ook niet de conclusie dat de kosten van het recherchebureau voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Voor het overige zijn geen althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot toewijzing van de recherchekosten kunnen leiden. Mitsdien wordt niet toegekomen aan het leveren van bewijs, nog daargelaten dat een specifiek en concreet bewijsaanbod ontbreekt.

gebruiksvergoeding

4.26.

Het verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding hangt samen met het gezamenlijk bij partijen in eigendom zijnde pand [adres] te [woonplaats 3] (hierna: de woning). Omdat de woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

4.27.

[verweerder] baseert zijn verzoek om een gebruiksvergoeding op artikel 3:169 BW; nu het hier een eenvoudige gemeenschap betreft kan de rechter op grond van artikel 3:168 BW een vergoeding vaststellen. [verweerder] stelt dat aan hem een vergoeding toekomt vanaf 1 juni 2018, omdat alleen [verzoeker] toen het gebruik heeft gehad van de woning. Het is niet aannemelijk dat - zoals [verzoeker] stelt - de huidige bewoner geen huur/vergoeding voor het gebruik van de woning betaalt. In redelijkheid begroot [verweerder] de huurprijs van een dergelijk appartement op € 600,= per maand; hem komt dan € 300,= per maand toe.

4.28.

[verzoeker] heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat de ingangsdatum voor het vaststellen van een gebruiksvergoeding gelet op het bepaalde in artikel 1:165 lid 1 BW niet eerder kan zijn dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Over de periode daarvoor was [verweerder] op grond van artikel 1:81 BW gehouden hem (kosteloos) het nodige – in dit geval woonruimte in de gezamenlijke woning – te verschaffen. De hoogte van de vergoeding vindt [verzoeker] buitenproportioneel gezien de kleine ruimte waar deze betrekking op heeft. Voorts heeft [verweerder] nagelaten concreet te onderbouwen hoe het maandbedrag van € 600,= tot stand is gekomen. [verzoeker] verwijst naar de uitspraak van het hof Den Haag van 21 november 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:3226).

4.29.

De rechtbank overweegt als volgt. Zolang het huwelijk voortduurt zijn partijen op grond van artikel 1:81 BW verplicht elkaar het nodige te verschaffen, waaronder ook moet worden verstaan het verschaffen van onderdak. In dit geval heeft [verzoeker] met kennelijke instemming gebruik gemaakt van de bij partijen gezamenlijk in eigendom zijnde woning. Daarnaast geldt dat iedere deelgenoot in een gemeenschappelijk goed op grond van het bepaalde in artikel 3:169 BW bevoegd is tot het gebruik van dat gemeenschappelijk goed; in het geval dat het gemeenschappelijk goed door één van de deelgenoten met uitsluiting van de andere deelgenoot wordt gebruikt, kan -naar redelijkheid en billijkheid- een vergoeding aan de andere deelgenoot worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de verplichting van artikel 1:81 BW dient te prevaleren boven de mogelijkheid die artikel 3:169 BW aan deelgenoten geeft. Derhalve is er tot de datum van ontbinding van het huwelijk geen ruimte voor een gebruiksvergoeding. Omdat [verweerder] een gebruiksvergoeding vraagt tot de datum van verdeling, dat is derhalve tot de datum van onderhavige beschikking nu daarbij de verdeling van de eenvoudige gemeenschap plaatsvindt, zal het verzoek van [verweerder] tot het toekennen van een gebruiksvergoeding moeten worden afgewezen.

in de zaak met nr. C/02/360258 / FA RK 19-3295 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

4.30.

Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

4.31.

Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen dat ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht het Nederlandse recht van toepassing is.

In de huwelijkse voorwaarden is voorts, voor zover hier van belang, het navolgende bepaald:

“VERMOGEN:

1. Tussen de echtgenoten zal generlei gemeenschap van goederen bestaan.

(…)

VERREKENING INKOMEN

1. Op het bepaalde in dit hoofdstuk zijn de artikelen 132 tot en met 141 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, voor zover daarvan hierna in dit hoofdstuk niet is afgeweken.

2. Partijen verplichten zich jegens elkaar ter verrekening bijeen te voegen hetgeen van hun inkomen niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of niet op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen.

3. De verrekening geschiedt doordat de verrekenplichtige partij binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar een zodanig bedrag uitkeert aan de andere partij dat daardoor per saldo iedere partij de helft heeft genoten van het gezamenlijke inkomen.

4. Over een periode dat partijen niet samenwonen als gevolg van de ontwrichting van hun relatie, anders dan op grond van geestelijke en/of lichamelijke ziekte, zal geen verrekening plaatsvinden.

5. Premies van levensverzekering, zowel die met betrekking tot een risicoverzekering als die met betrekking tot het risico-deel van een gemengde verzekering – die van een ongevallenverzekering daaronder begrepen-, kunnen niet door verrekening van inkomen geheel of ten dele ten laste van de niet premieplichtige echtgenoot komen.

(…)

PENSIOENEN

1. Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden danwel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken over de periode vanaf het sluiten van het huwelijk tot aan het moment van eerste hernieuwde opbouw van pensioenaanspraken door de comparant sub 1 worden verevend conform het in de artikelen 2 en 3 bepaalde van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Vanaf het moment van eerste hernieuwde opbouw van pensioenaanspraken door de comparant sub 1 zal geen pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (meer) plaatsvinden noch zal er pensioenverrekening overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van zevenentwintig november negentienhonderd eenentachtig plaatsvinden. Het vorenstaande laat onverlet de aanspraak op nabestaandenpensioen.

2. Partijen zijn bekend met het feit dat zij, indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, ter gelegenheid van die echtscheiding nader kunnen overeenkomen dat de vereveningsgerechtigde het recht heeft zijn aanspraken als bedoeld in lid 1 alsmede de aanspraak op nabestaandenpensioen om te zetten in een eigen pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

(…).”

4.32.

Van de zijde van [verweerder] is op 9 mei 2019 ingediend een USB-stick, productie 8, en een USB-stick, productie 12 en 26. Uit de toelichting van de zijde van [verweerder] maakt productie 8 onderdeel uit van het rapport van [recherchebureau] . Productie 12 betreft een film van de toestand van het appartement te Brussel op 21 mei 2018 en productie 26 betreft een audiobestand van het bezoek aan [bedrijf verzoeker] op 1 december 2018.

[verweerder] heeft verzocht om de productie 12 te tonen op zitting ter onderbouwing van zijn kosten en ter weerlegging van de stellingen van [verzoeker] aangaande diens geestesgesteldheid en intenties. De foto’s overgelegd als productie 13 en 22 volstaan volgens [verweerder] niet om een juiste indruk te krijgen van de vernieling van de woning door [verzoeker] op 1 juni 2018.

Tijdens de mondelinge behandeling is aan partijen meegedeeld dat de rechtbank geen kennis heeft genomen van de inhoud van het videobestand omdat de wederpartij daartegen bezwaar had. Ook na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank daarvan geen kennis genomen omdat naar het oordeel van de rechtbank de overgelegde foto’s voldoende duidelijk zijn.

overeenstemming op een aantal punten

4.33.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 12 september 2019 op een aantal punten overeenstemming bereikt als volgt:

- de auto BMW, kenteken [kenteken] , blijft bij [verweerder] , [verweerder] betaalt een bedrag van

€ 4.000,= aan [verzoeker] . [verzoeker] zal de sleutels en autopapieren op uiterlijk 20 september 2019 op het kantoor van de advocaat van [verweerder] afgeven. [verweerder] zal vervolgens binnen een week, via zijn advocaat, aan [verzoeker] betalen. De over en weer gedane verzoeken ten aanzien van en samenhangend met de auto hebben partijen ingetrokken. Die verzoeken zullen worden afgewezen;

- [verzoeker] is aan [verweerder] verschuldigd uit hoofde van terugontvangen IB 2013 een bedrag van € 6.665,=; [verweerder] is aan [verzoeker] verschuldigd uit hoofde van betaalde aanslagen IB 2017 en ZVW 2017 een bedrag van € 1.474,50. Deze bedragen zullen met elkaar worden verrekend, hetgeen ertoe leidt dat [verzoeker] nog aan [verweerder] dient te betalen een bedrag van € 5.190,50. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken zijn verzoeken ter zake de aanslag IB 2018 en aanslag ZVW 2018. Die verzoeken zullen derhalve worden afgewezen.

- de door [verzoeker] verzochte betaling door [verweerder] van de (helft van de) ontvangen waarborgsom inzake het verhuurde appartement in [woonplaats 3] en de door [verweerder] verzochte betaling door [verzoeker] van voor hem gedane premiebetalingen inzake verzekeringen bij [verzekeringsmaatschappij 1] en [verzekeringsmaatschappij 2] zijn “tegen elkaar weggestreept”; partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling de betreffende verzoeken ingetrokken. Deze verzoeken zullen worden afgewezen.

de woning en de kosten van de woning

4.34.

Partijen hebben voorts afspraken gemaakt over de verdeling van de woning en de op de woning rustende hypotheek. De woning wordt aan [verzoeker] toegedeeld tegen een waarde van € 280.000,=, onder de verplichting voor [verzoeker] om de hypothecaire geldlening (Delta Lloyd Budget Hypotheek, leningdeelnr. 1.458.344.101) op zich te nemen en als eigen schuld te voldoen, met ontslag van [verweerder] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake die hypothecaire geldlening. [verzoeker] zal de helft van de overwaarde aan [verweerder] vergoeden. [verzoeker] zal uiterlijk binnen vier maanden na heden (nu de echtscheidingsbeschikking wordt gewezen) laten weten of hij financieel in staat is de woning op vorenstaande wijze over te nemen. Zo dat het geval is, dan zal binnen één maand nadat hij dat heeft kenbaar gemaakt, de levering van het onverdeelde aandeel van [verweerder] aan [verzoeker] bij de notaris plaatsvinden; bij gelegenheid van die levering zal [verzoeker] de overbedelingsvergoeding aan [verweerder] betalen. De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenstemming van partijen beslissen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de notariskosten ter zake de toedeling/overdracht van de woning door [verzoeker] worden gedragen, omdat de rechtbank dat in deze situatie waarin [verzoeker] de woning krijgt toebedeeld redelijk oordeelt.

4.35.

Voor het geval [verzoeker] de woning niet zal kunnen overnemen heeft [verweerder] verkoop aan een derde verzocht, zulks volgens een zogenaamd ‘spoorboekje’, waarnaar hij ook tijdens de mondelinge behandeling nog heeft verwezen. [verzoeker] heeft daartegen, behoudens de aan te wijzen makelaar, geen verweer gevoerd. Het verzochte komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor; zij zal overeenkomstig de verzoeken van [verweerder] beslissen als volgt:

- de woning dient in genoemd geval aan een derde te worden verkocht en geleverd, waarbij na aflossing van de hypotheekschuld en de kosten van verkoop en overdracht de onder- dan wel overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld dan wel gedragen;

- uiterlijk binnen vier weken nadat [verzoeker] heeft laten weten dat hij de woning niet kan overnemen dan wel nadat zonder bericht van [verzoeker] de onder 4.34. genoemde termijn van vier maanden is verstreken, dient een verkoopopdracht aan een door beide partijen in onderling overleg aan te wijzen taxateur/makelaar te worden verstrekt;

- partijen dienen in overleg met de taxateur/makelaar de vraagprijs te bepalen en indien partijen daarin binnen twee weken na opdrachtverlening aan de taxateur/makelaar niet slagen, zal de taxateur/makelaar het pand te koop aan bieden tegen een bindende marktconforme prijs.

- partijen zullen in overleg met de makelaar/taxateur de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het pand, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de taxateur/makelaar die, naar beste weten en kunnen, bindend bepalen. Iedere partij is bij de overdracht van de woning aan een derde gehouden de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen.

4.36.

[verzoeker] stelt dat in verband met de verdeling van de woning tussen partijen nog door hem, [verzoeker] , gedragen kosten van die woning verrekend moeten worden. Deze kosten hangen deels samen met de aanpassingen van de woning die nodig waren om in een deel van het pand een woonbestemming te realiseren. [verweerder] dient volgens [verzoeker] de navolgende kosten te betalen:

- WOZ-beschikking 2019 (€ 1.829,31/2) = € 914,66;

- bestemmingsplanwijziging (€ 1.689,95/2) = € 844,98;

- rekeningen architect (€ 1.316,10/2) = € 658,05.

[verzoeker] heeft ter zitting daarnaast nog naar voren gebracht dat hij in 2016 een bedrag van

€ 29.132,52 aan onderhouds- en verbouwingskosten heeft voldaan ter verbetering van het pand. [verzoeker] verwijst voor de onderbouwing van laatstgenoemd bedrag naar de door hem overgelegde productie 40. Hij stelt dat deze kosten, omdat [verweerder] daaraan niet heeft bijgedragen, dienen te worden verrekend met het aandeel van [verweerder] in de overwaarde. Het betreft eigenaarslasten, aldus [verzoeker] .

4.37.

[verweerder] voert verweer. Tegen het laatste ‘nieuwe’ verzoek van [verzoeker] (betreffende de onderhouds- en verbouwingskosten) stelt [verweerder] zich primair op het standpunt dat dit verzoek, als tardief gedaan, buiten beschouwing moet worden gelaten. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat hij nog een termijn tot twee weken na de mondelinge behandeling de tijd wil krijgen om op het verzoek te reageren.

[verweerder] betwist voorts dat er een noodzaak was voor [verzoeker] om zich op het adres van de woning in te schrijven en om die reden een vergunning aan te vragen voor een woonbestemming en/of een nieuw adres/huisnummer of een verbouwing. [verzoeker] heeft [verweerder] niet om toestemming gevraagd of geraadpleegd, noch geïnformeerd. Een verbouwing heeft ook niet plaatsgevonden. [verweerder] betwist dat de waarde in het economisch verkeer van het pand als gevolg van een woonbestemming, althans door toedoen van [verzoeker] is vergroot. Niet valt in te zien op welke grond [verweerder] dient bij te dragen in de gestelde kosten, aldus [verweerder] .

Ten aanzien van het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot de eigenaarslasten stelt [verweerder] zich op het standpunt dat [verzoeker] deze dient te dragen omdat hij het genot van de woning heeft gehad.

4.38.

De rechtbank stelt voorop dat de woning aan beide partijen voor een gelijk aandeel toebehoort. Dit brengt in beginsel mee dat de vaste lasten die zijn verbonden aan het bezit van de woning door partijen voor een gelijk deel gedragen moeten worden zolang de woning niet is verdeeld. Dit lijdt geen uitzondering wanneer de woning vanaf enig moment door één van partijen wordt bewoond. Wel kunnen partijen ten aanzien van de eigenaarslasten zelf een afwijkende regeling afspreken; daarvan is hier niet gebleken. De rechtbank beschouwt de kosten WOZ-beschikking als eigenaarslasten. Omdat [verweerder] de hoogte van de door [verzoeker] opgevoerde kosten niet heeft betwist, gaat de rechtbank daarvan uit. [verweerder] dient aan [verzoeker] nog te betalen een bedrag van € 914,66. Dit bedrag zal kunnen worden verrekend met de overwaarde.

[verzoeker] vraagt daarnaast verrekening van kosten voor een bestemmingsplanwijziging en van een architect. Deze kosten kunnen naar oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden gezien als door de gezamenlijk eigenaren te dragen uitgaven. Het betreft niet vaste lasten of kosten van gewoon of niet langer uit te stellen onderhoud. Alleen als bevoegdelijk – dat wil zeggen door de deelgenoten gezamenlijk – tot deze uitgaven is beslist, dienen ze door de deelgenoten in evenredigheid te worden gedragen (artikel 3:172 jo 3:170 BW). Naar echter onweersproken vaststaat, heeft [verzoeker] alleen en zonder overleg met [verweerder] tot de hier bedoelde uitgaven besloten. [verweerder] heeft ook de noodzaak ervan betwist. Onder die omstandigheden dient [verzoeker] deze kosten alleen te dragen. Zijn verzoek tot verrekening met [verweerder] wordt afgewezen.

4.39.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] zijn verzoek om te bepalen dat een door hem betaald bedrag van € 29.132,52 aan gestelde onderhoud- en verbouwingskosten moet worden verrekend met het aandeel van [verweerder] in de overwaarde van de woning eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaan en dit nauwelijks heeft onderbouwd. Kennelijk wil [verzoeker] vergoeding van door hem in de gemeenschappelijke woning gestoken privévermogen. Het zou dan moeten gaan om een vergoedingsrecht, zoals bedoeld in artikel 1:87 BW. Het verzoek is evenwel niet in die termen toegelicht. Gelet op de laattijdige indiening van en beperkte toelichting op het verzoek ziet de rechtbank aanleiding om het te beschouwen als te laat en daarmee in strijd met de goede procesorde te zijn gedaan. De rechtbank zal het verzoek dan ook op de voet van in artikel 283 jo 130 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) buiten beschouwing laten.

inboedel

4.40.

[verzoeker] verzoekt [verweerder] te veroordelen tot afgifte van een aantal aan hem toebehorende privégoederen. [verweerder] heeft aangegeven dat hij de door [verzoeker] aangegeven zaken niet in zijn bezit heeft. Hij heeft na de hierna nog te bespreken vernieling in het door partijen bewoonde appartement in Brussel – en nadat [verzoeker] hem had laten weten dat hij op 1 juni 2018 al zijn privé-eigendommen had meegenomen – het appartement laten leeghalen door een reinigingsbedrijf. Hij heeft niet meer gekeken wat er nog in het appartement was; hij was op dat moment door de schok van de vernielingen psychisch ingestort.

4.41.

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat onvoldoende vast staat dat de door [verzoeker] gevraagde zaken (nog) in bezit zijn van [verweerder] – waarbij de rechtbank overweegt dat zij de toelichting van [verweerder] waarom hij die zaken niet meer heeft in de context van hetgeen tussen partijen is voorgevallen wel kan volgen – kan het verzoek van [verzoeker] niet worden toegewezen.

schadevergoeding

4.42.

[verweerder] verzoekt [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan hem van € 26.421,02 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018, ter zake schade aan genoemd appartement in Brussel en de daarin aanwezige inboedel. Hij heeft daartoe gesteld dat [verzoeker] op 1 juni 2018 met meegebracht gereedschap de (gezamenlijke) inboedel vrijwel geheel heeft verwoest en het appartement onbewoonbaar heeft gemaakt. Aldus heeft [verzoeker] onrechtmatig jegens [verweerder] gehandeld. [verzoeker] dient de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Veel zaken waren niet meer te gebruiken waardoor hij deze nieuw heeft moeten aanschaffen. [verweerder] betwist de stelling van [verzoeker] dat de vergoeding dient te worden berekend naar de waarde die bij een verdeling van de inboedel in aanmerking wordt genomen. [verzoeker] heeft immers uitdrukkelijk gesteld dat hij zijn deel van de goederen al had meegenomen en er niets te verdelen is. Geen van partijen heeft een verzoek tot verdeling van de inboedel gedaan.

4.43.

[verzoeker] voert verweer. Hij erkent gezamenlijke bezittingen van partijen te hebben vernield. De gezamenlijke inboedel had moeten worden verdeeld, maar dat gaat nu niet meer. Dan dient de waarde van de op 21 mei 2018 aanwezige inboedel nu deze gezamenlijk was, te worden bepaald en heeft ieder recht op de helft van die waarde. [verzoeker] is bereid de helft van die waarde aan [verweerder] te vergoeden. Hij begroot de waarde van de gezamenlijke inboedel op maximaal € 5.000,=. Hij betwist dat van de nieuwwaarde van de goederen moet worden uitgegaan. Daarbij zijn de prijzen van een aantal door [verweerder] ter vervanging gekochte goederen buitensporig hoog en niet reëel. De inboedel was gedateerd en de waarde was gering. In 2016 is ook waterschade aan de meubels ontstaan waarvoor partijen via de verzekering een uitkering ontvingen. Deze is niet verdisconteerd in de waarde van de inboedel.

4.44.

De rechtbank overweegt als volgt. [verweerder] baseert zijn verzoek tot schadevergoeding op een door [verzoeker] gepleegde onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Artikel 827 Rv bepaalt welke nevenverzoeken in een echtscheidingsprocedure als de onderhavige kunnen worden gedaan. Een verzoek tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad wordt daarin niet genoemd. Wel geeft dat artikel in lid 1 onder f de mogelijkheid te verzoeken om “een andere voorziening (…) mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding (…), en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden”. De rechtbank is van oordeel dat onderhavig verzoek niet kan worden gezien als een verzoek om een andere voorziening als in genoemd artikellid bedoeld. Het verzoek hangt onvoldoende samen met het verzoek tot echtscheiding; niet kan worden gezegd dat het verzoek in voldoende mate aansluit bij het regelen van de gevolgen van de echtscheiding. Daarnaast zal – omdat partijen daarover twisten – nader onderzoek dienen te worden gedaan naar de hoogte van de door [verzoeker] (naar hij heeft erkend) toegebrachte schade en dat onderzoek zal in deze echtscheidingsprocedure tot een onnodige vertraging leiden. Het verzoek zal dan ook om die reden worden afgewezen.

pensioenen

4.45.

[verzoeker] heeft – verwijzend naar de huwelijksvoorwaarden, zoals hiervoor onder 4.31 weergegeven – verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling aan hem van een in deze procedure vast te stellen nader te bepalen bedrag uit hoofde van verevening van pensioen, te vermeerderen met wettelijke rente.

[verzoeker] stelt daartoe dat bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden de bedoeling van partijen was dat [verzoeker] net als [verweerder] een volwaardig pensioen zou hebben. [verzoeker] was toen niet in loondienst; hij zou huisman zijn en [verweerder] zou werken. Diens pensioenopbouw zou niet alleen voor [verweerder] zijn. [verzoeker] heeft vervolgens gedurende langere periodes thuisgezeten en geen pensioen opgebouwd.

[verweerder] betwist dat [verzoeker] recht heeft op verevening. Partijen hebben het recht op verevening van pensioen beperkt tot het pensioen dat werd opgebouwd over de periode vanaf het sluiten van het huwelijk tot aan het moment van eerste hernieuwde opbouw van pensioenaanspraken aan de zijde van [verzoeker] . Op 1 maart 2005 is [verzoeker] weer in loondienst getreden, en is hij weer pensioen gaan opbouwen.

4.46.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen – deels – overeenstemming bereikt. Het door [verweerder] bij de [werkgever verweerder] opgebouwde pensioen over de periode van 5 april 2004 tot en met 28 februari 2005 zal worden verevend als volgt: de helft van het blijkens een tijdens de mondelinge behandeling overgelegde berekening in die periode opgebouwde bedrag ad € 13.596,34 komt aan [verzoeker] toe. Andere aanspraken uit pensioenverevening over deze periode hebben partijen niet op elkaar.

4.47.

Over de vraag of er pensioenen dienen te worden verevend in de periode vanaf 1 maart 2005 zijn partijen verdeeld. Partijen beroepen zich ieder op (de bedoeling van) hetgeen in de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd. De rechtbank zal hetgeen op dit punt blijkens de schriftelijke weergave in de huwelijksvoorwaarden is overeengekomen, moet uitleggen aan de hand van het zogenoemde Haviltex-criterium. Het komt dan aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in de afspraken neergelegde bepalingen mochten toekennen en wat zij dienaangaande van elkaar mochten verwachten. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van de bewoordingen in het maatschappelijk verkeer niet doorslaggevend, maar wel van groot belang. Mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren, welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht en de aard, strekking en wijze van tot stand komen van de bepaling.

[verzoeker] stelt zich niet te kunnen herinneren dat partijen ten tijde van de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden expliciet erover hebben gesproken dat hij mogelijk op enig moment geen recht meer zou hebben op verevening van pensioen. [verweerder] stelt dat partijen wel degelijk daarover hebben gesproken. Hij stelt dat is besproken dat [verzoeker] op dat moment niet werkte maar een sabbatical genoot om zich te oriënteren op de toekomst. Hij bouwde dus ook geen pensioen op. Er is toen besproken dat, als [verzoeker] niet meer zou gaan werken, hij zou profiteren van de pensioenopbouw van [verweerder] , maar dat die verevening voor altijd zou stoppen vanaf het moment dat [verzoeker] weer zou gaan werken.

De rechtbank overweegt dat de bewoordingen van het over pensioenen handelende artikel in de huwelijkse voorwaarden het standpunt van [verweerder] ondersteunen, dat partijen het recht op pensioen hebben beperkt tot het pensioen dat door [verweerder] zou worden opgebouwd over de periode vanaf het sluiten van het huwelijk tot aan het moment van eerste hernieuwde opbouw van pensioenaanspraken door [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen andere uitleg van de tekst genoemd; hij heeft ook niet gesteld - en evenmin is op andere wijze gebleken - dat hij uit verklaringen of gedragingen van de [verweerder] iets anders heeft mogen afleiden over de betekenis van wat partijen hebben afgesproken dan wat uit de tekst kan worden opgemaakt.

Gezien het vorenstaande brengt, naar het oordeel van de rechtbank, uitleg van de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen bepaling over pensioenen mee dat, zoals door [verweerder] verwoord, vanaf het moment dat [verzoeker] weer zou zijn gaan werken er geen pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (meer) zou plaatsvinden. Nu naar voldoende vaststaat [verzoeker] per 1 maart 2005 weer (betaalde) arbeid is geen verrichten, heeft hij vanaf die datum geen recht (meer) op verevening van de door [verweerder] opgebouwde pensioenen.

Het verzoek van [verzoeker] zal dan ook overeenkomstig de overeenstemming van partijen voor het tussen partijen overeengekomen bedrag van de helft van het bedrag ad € 13.596,34, zijnde € 6.798,17, ter zake de periode van 1 april 2004 tot 28 februari 2005 worden toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen eerst vanaf veertien dagen na datum van betekening van deze beschikking tot de dag van betaling. Immers, thans wordt vastgesteld dat [verzoeker] dit bedrag aan [verweerder] is verschuldigd en er is derhalve nog geen sprake van verzuim. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

verrekening

4.48.

[verweerder] heeft – met het oog op een nog nader te formuleren verrekeningsverzoek – verzocht te bepalen dat [verzoeker] de door hem genoemde bewijsstukken overlegt.

[verweerder] stelt ter onderbouwing, kort samengevat, het navolgende. Het tussen partijen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodiek verrekenbeding is uitgevoerd tot en met 31 mei 2013. Over de periode daarna tot 21 mei 2018 moet nog afgerekend worden. Het inkomen uit arbeid van [verzoeker] (uit acteerwerk en uit de onderneming “ [bedrijf verzoeker] ”) is in die periode niet verrekend. [verweerder] betwist de stelling van [verzoeker] dat elke maand de inkomsten op de en/of rekening van partijen werden gestort, voor zover [verzoeker] daarmee de inkomsten van zichzelf bedoelt. Zo is de winst uit onderneming van 2017 van “ [bedrijf verzoeker] ” niet verrekend, noch zijn de privé-opnamen uit de zaak door [verzoeker] verrekend. [verweerder] betwist de stelling van [verzoeker] dat hij met niet-verrekenbaar vermogen “ [bedrijf verzoeker] ” heeft opgericht en dat derhalve de waardestijging van zijn onderneming sinds 2014 buiten beschouwing moet worden gelaten. [verweerder] betwist voorts dat het in de eenmanszaak opgebouwde vermogen enkel het resultaat is van rendementen uit belegging van niet-verrekenbaar vermogen. Ten slotte betwist hij de juistheid en volledigheid van de door [verzoeker] opgegeven banksaldi. Bij de verrekening dient als uitgangspunt te worden genomen het eindvermogen van partijen op 21 mei 2018, waarop in mindering dient te worden gebracht het vermogen van partijen per 1 juni 2013, zulks conform de methode die de rechtbank [woonplaats 1] heeft toegepast in haar beschikking d.d. 1 mei 2019. [verweerder] heeft ter bepaling van het te verrekenen vermogen bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat zijn vermogen in die periode is afgenomen zodat aan zijn kant niets meer te verrekenen valt. Nu de stukken van [verzoeker] ontbreken verzoekt [verweerder] om hem in de gelegenheid te stellen na overlegging daarvan het verzoek nader te mogen formuleren en onderbouwen.

4.49.

[verzoeker] stelt dat partijen ook na mei 2013 tot aan hun feitelijke breuk de overgespaarde inkomsten hebben verrekend op de wijze zoals zij altijd deden, te weten door het saldo van de gezamenlijke rekening te delen. De winst uit de onderneming “ [bedrijf verzoeker] ” behoort niet tot het te verrekenen vermogen: de eenmanszaak is opgericht met vermogen dat reeds was verrekend, dus privévermogen van [verzoeker] , en ook de vruchten en verliezen behoren dan buiten de verrekening te blijven. Subsidiair stelt [verzoeker] dat pas vanaf 2017 een positief resultaat in “ [bedrijf verzoeker] ” is behaald en dat dus 1 januari 2017 als begindatum dient te worden gehanteerd. Voorts geldt dat niet de volledige waarde van de onderneming kan worden verrekend, omdat het ondernemingsvermogen grotendeels is gevormd door privéstortingen door [verzoeker] . [verweerder] heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de volledige waarde van de onderneming verrekend zou moeten worden. Alleen de toename van het ondernemingsvermogen op grond van het resultaat van de onderneming zou onder de verrekenverplichting kunnen vallen. De door [verweerder] nog genoemde inkomsten van [verzoeker] uit acteerwerk bedroegen (in de periode juni 2012 tot en met 21 mei 2018) hooguit honderd euro. Ten aanzien van de wijze van verrekening zoals door [verweerder] gesteld heeft [verzoeker] geen opmerkingen. Hij heeft zijn banksaldi per de door [verweerder] genoemde data opgegeven.

4.50.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] bij verweerschrift op zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoek opgave heeft gedaan van zijn spaarsaldi per 1 juni 2013 en 21 mei 2018. Bij brief d.d. 29 augustus 2019 van mr. Van der Sande zijn als productie 36 voorts overgelegd de jaarcijfers van de onderneming “ [bedrijf verzoeker] ” over de jaren 2014 tot en met 2018 en de jaarcijfers 2019 voor zover het betreft het eerste half jaar.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] met het overleggen van deze stukken op toereikende wijze heeft voldaan aan het verzoek van [verweerder] . Voor zover uit de jaarstukken van de onderneming blijkt van winst, blijkt ook dat die winst in de onderneming is gebleven; deze is steeds toegevoegd aan het ondernemersvermogen van [verzoeker] . Daarmee is het inkomen uit onderneming ten behoeve van een eventuele verrekening voldoende inzichtelijk gemaakt. Dat [verzoeker] inkomsten van betekenis had uit acteerwerkzaamheden is, nu zulks gemotiveerd door [verzoeker] is betwist, door [verweerder] onvoldoende onderbouwd. Dat de door [verzoeker] overgelegde spaarsaldi onjuist en onvolledig zouden zijn, is door [verweerder] niet nader gemotiveerd. Het verzoek van [verweerder] om te bepalen dat [verzoeker] meer stukken overlegt, zal worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] voorafgaand aan de zitting voldoende gegevens had om een nader verzoek tot verrekening in te dienen. Hij heeft dat niet gedaan en evenmin ter zitting verzocht om hem alsnog in de gelegenheid te stellen zijn verzoek nader te formuleren en onderbouwen. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij en zal het ten aanzien van de verrekening laten bij de voormelde afwijzing van het verzoek van [verweerder] .

huurinkomsten

4.51.

[verweerder] heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan hem van € 1.305,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2018, zijnde de helft van de huurinkomsten minus de hypotheeklasten voor de maanden juni/juli 2018 betreffende de [adres] te [woonplaats 3] . Hij stelt daartoe dat [verzoeker] die huurinkomsten heeft ontvangen en dat deze partijen gelijkelijk toekomen. Hij betwist dat [verzoeker] niet in staat was om aan hem de helft van de huur te betalen. [verzoeker] heeft, nu hij heeft geweigerd om omzetcijfers van het eerste en laatste kwartaal 2018 over te leggen, niet aangetoond dat hij destijds niet in zijn levensonderhoud kon voorzien (en daarom de huurinkomsten daarvoor moest aanwenden).

4.52.

[verzoeker] heeft gesteld dat hij, nadat de relatie werd verbroken op 21 mei 2018, financieel niet langer door [verweerder] werd ondersteund en dat hem in het kader van een voorlopige voorziening eerst met ingang van 1 augustus 2018 een zijdens [verweerder] te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud is toegekend. Hij heeft in de tussenliggende periode de huurinkomsten aangewend voor de kosten van zijn levensonderhoud. Hij heeft wel de volledige hypotheeklasten betaald en ook een factuur van het cardiologiecentrum privé voldaan terwijl hij indertijd onder de ziektekostenverzekering van [verweerder] werkgever viel. [verzoeker] beroept zich op artikel 1:81 BW waaruit volgt dat echtgenoten verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen.

4.53.

De rechtbank overweegt als volgt. Nu het pand aan de [adres] te [woonplaats 3] gemeenschappelijk eigendom van partijen is, zijn beide partijen – ieder voor de helft – gerechtigd tot de huurinkomsten en gehouden tot betaling van de kosten. In de maanden juli en augustus 2018 heeft [verzoeker] de volledige huurinkomsten ontvangen en ook de volledige hypotheeklasten voor zijn rekening genomen. Als door [verzoeker] onweersproken gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat [verzoeker] sinds 21 mei 2018 niet langer financieel door [verweerder] werd ondersteund, terwijl dat daarvoor wel gebeurde. Met ingang van 1 augustus 2018 is [verzoeker] een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud toegekend, door [verweerder] te betalen, zulks bij beschikking d.d. 2 november 2018 in de voorlopige voorzieningenprocedure tussen partijen. Gezien hetgeen in die beschikking omtrent de behoefte van [verzoeker] is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat [verzoeker] ook in de periode juli en augustus 2018 behoeftig was en nu hij geen bijdrage ontving van [verweerder] de huurinkomsten (na aftrek van de betaalde hypotheeklasten) in redelijkheid heeft kunnen aanwenden voor de kosten van zijn levensonderhoud. Onder die omstandigheden kan [verweerder] nu niet alsnog de helft daarvan van [verzoeker] vragen. Het verzoek van [verweerder] zal dan ook om die reden worden afgewezen.

kostwinnerstoeslagen en ziektekosten (2017 tot en met mei 2018)

4.54.

Het verzoek van [verweerder] tot vergoeding door [verzoeker] van genoemde mogelijk door [verweerder] aan zijn werkgever terug te betalen toeslagen en vergoede kosten is gedaan voor het geval [verzoeker] niet binnen een maand na de door de rechtbank te wijzen beschikking bewijsstukken overlegt van zijn door de Nederlandse fiscus definitief vastgestelde belastbare inkomens over 2017 en 2018, waaruit blijkt dat deze niet hoger zijn dan de door [verweerder] in zijn verzoek genoemde bedragen. [verzoeker] heeft ter zitting toegezegd dat hij de gevraagde bewijsstukken (definitieve aanslagen 2017 en 2018), zodra hij daarover de beschikking heeft, aan de advocaat van [verweerder] zal toesturen.

Gelet op hetgeen naar voren is gekomen zijn diverse ziektekosten van [verzoeker] via de werkgever van [verweerder] betaald en heeft [verweerder] een kostwinnerstoeslag van zijn werkgever ontvangen. [verweerder] dient deze kostwinnerstoeslag terug te betalen, zo begrijpt de rechtbank, indien hij geen bewijsstuk van het inkomen van [verzoeker] overlegt dan wel, als hij wel een bewijsstuk overlegt, voor wat betreft de kostwinnerstoeslag, wanneer het belastbaar inkomen van [verzoeker] in 2017 het bedrag van € 45.640,62 overstijgt en wanneer dat inkomen van [verzoeker] in 2018 het bedrag van € 51.391,53 overstijgt. De ziektekosten dient [verweerder] terug te betalen indien hij niet kan bewijzen dat het belastbaar inkomen van [verzoeker] in 2017 onder de grens lag van een bepaald (niet door [verweerder] genoemd) bedrag in 2017 en van € 42.237,13 in 2018. [verweerder] heeft verzocht voor dat geval te bepalen dat [verzoeker] aan hem vergoedt:

  • -

    50% van de kostwinnerstoeslagen over 2017 = € 2.787,93;

  • -

    50% van de kostwinnerstoeslagen over de maanden januari tot en met mei 2018 =

€ 1.183,25;

  • -

    50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2017 = € 218,77;

  • -

    50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2018 = € 210,37.

De stellingen van [verweerder] zijn door [verzoeker] niet dan wel onvoldoende weersproken.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat, voor het geval [verweerder] dient terug te betalen kostwinnerstoeslagen 2017 en/of 2018 voor de periode januari tot en met mei en/of ziektekosten 2017 en/of 2018 voor de periode januari tot en met mei,

a. vanwege het niet door [verzoeker] binnen 1 maand na datum van deze beschikking overleggen van de definitieve aanslagen 2017 en 2018;

en/of

omdat blijkt dat na overlegging van voornoemde stukken door [verzoeker] het inkomen van [verzoeker] de daarvoor gestelde grenzen overschrijdt;

[verzoeker] aan [verweerder] dient te betalen:

50% van de kostwinnerstoeslagen over 2017 = € 2.787,93;

en/of

50% van de kostwinnerstoeslagen over de maanden januari tot en met mei 2018

= € 1.183,25;

en/of

50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2017 = € 218,77;

en/of

50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2018 = € 210,37.

Resumerend

4.55.

Het vorenstaande leidt tot het volgende.

(eenvoudige) gemeenschap:

4.55.1

Het pand [adres] te [woonplaats 3] wordt aan [verzoeker] toegedeeld tegen een waarde van € 280.000,=, onder de verplichting voor [verzoeker] om de hypothecaire geldlening (Delta Lloyd Budget Hypotheek, leningdeelnr. 1.458.344.101) als eigen schuld te voldoen, met ontslag van [verweerder] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake die hypothecaire geldlening en onder vergoeding van de helft van de overwaarde door [verzoeker] aan [verweerder] . [verzoeker] laat uiterlijk binnen vier maanden na heden (nu de echtscheidingsbeschikking wordt gewezen) weten of hij financieel in staat is de woning op vorenstaande wijze over te nemen. Zo dat het geval is, dan zal binnen één maand nadat hij dat heeft kenbaar gemaakt, de levering van het onverdeelde aandeel van [verweerder] aan [verzoeker] bij de notaris plaatsvinden; bij gelegenheid van die levering zal [verzoeker] de overbedelings-vergoeding aan [verweerder] betalen. De notariskosten ter zake de toedeling/overdracht van de woning worden door [verzoeker] worden gedragen;

- voor het geval [verzoeker] de woning niet kan overnemen, dient deze aan een derde te worden verkocht en geleverd, waarbij de na aflossing van de hypotheekschuld en de kosten van verkoop en overdracht de onder- dan wel overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld dan wel gedragen. Uiterlijk binnen vier weken nadat [verzoeker] heeft laten weten dat hij de woning niet kan overnemen dan wel dat zonder bericht van [verzoeker] de onder 4.27 genoemde termijn van vier maanden is verstreken, dient een verkoopopdracht aan een door beide partijen in onderling overleg aan te wijzen taxateur/makelaar te worden verstrekt. Partijen dienen in overleg met de taxateur/makelaar de vraagprijs te bepalen en indien partijen daarin binnen twee weken na opdrachtverlening aan de taxateur/makelaar niet slagen, zal de taxateur/makelaar het pand te koop aan bieden tegen een bindende marktconforme prijs. Partijen zullen in overleg met de makelaar/taxateur de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van het pand, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de taxateur/makelaar die, naar beste weten en kunnen, bindend bepalen. Iedere partij is bij de overdracht van de woning aan een derde gehouden de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;

- [verweerder] dient aan [verzoeker] te voldoen ter zake de kosten van de WOZ-beschikking 2019 het bedrag van € 914,66, welk bedrag tussen partijen dient te worden verrekend met de overwaarde van de woning;

afwikkeling huwelijkse voorwaarden

4.55.2

[verweerder] dient uit hoofde van het aan hem toekomende pensioen ter zake de periode van

1 april 2004 tot 28 februari 2005, een bedrag van € 6.798,17 aan [verzoeker] te voldoen, met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van deze beschikking te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling;

- voor het geval [verweerder] dient terug te betalen kostwinnerstoeslagen 2017 en/of 2018 voor de periode januari tot en met mei en/of ziektekosten 2017 en/of 2018 voor de periode januari tot en met mei, a) vanwege het niet door [verzoeker] binnen 1 maand na datum van deze beschikking overleggen van de definitieve aanslagen 2017 en 2018; en/of b) omdat blijkt dat na overlegging van voornoemde stukken door [verzoeker] het inkomen van [verzoeker] de daartoe gestelde grenzen overschrijdt, dient [verzoeker] aan [verweerder] te betalen:

50% van de kostwinnerstoeslagen over 2017 = € 2.787,93;

en/of

50% van de kostwinnerstoeslagen over de maanden januari tot en met mei 2018

= € 1.183,25;

en/of

50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2017 = € 218,77;

en/of

50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2018 = € 210,37.

4.56.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de wijze van verdeling van de (eenvoudige) gemeenschap gelasten op de wijze als hiervoor onder rechtsoverweging 4.55.1 weergegeven, en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden beslissen overeenkomstig rechtsoverweging 4.55.2, zulks onder afwijzing van het meer of het anders verzochte.

5 De beslissing

De rechtbank

in de zaak met nr. C/02/352112 / FA RK 18-6250 (echtscheiding):

spreekt uit de echtscheiding in het tussen partijen gesloten huwelijk;

wijst af het verzoek van [verzoeker] tot het vaststellen van een door [verweerder] aan hem te betalen partneralimentatie;

wijst af het verzoek van [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 27.731,19 ter zake de kosten van het recherchebureau;

wijst af het verzoek van [verweerder] om [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 3.300,= te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2018 en te vermeerderen met € 300,= over iedere maand tot de datum van verdeling van het pand, te vermeerderen met de wettelijke rente ter zake een gebruiksvergoeding;

in de zaak met nr. C/02/360258 / FA RK 19-3295 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de (eenvoudige) gemeenschap op de wijze als onder rechtsoverweging 4.55.1 van deze beschikking weergegeven;

veroordeelt [verweerder] tot betaling van een bedrag van € 6.798,17 aan [verzoeker] uit hoofde van het aan hem toekomende pensioen ter zake de periode van 1 april 2004 tot 28 februari 2005, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van deze beschikking aan [verzoeker] tot de dag van volledige betaling;

bepaalt dat voor het geval [verweerder] dient terug te betalen kostwinnerstoeslagen 2017 en/of 2018 voor de periode januari tot en met mei en/of ziektekosten 2017 en/of 2018 voor de periode januari tot en met mei, a) vanwege het niet door [verzoeker] binnen 1 maand na datum van deze beschikking overleggen van de definitieve aanslagen 2017 en 2018; en/of b) omdat blijkt dat na overlegging van voornoemde stukken door [verzoeker] het inkomen van [verzoeker] de daartoe gestelde grenzen overschrijdt,

[verzoeker] aan [verweerder] dient te betalen:

50% van de kostwinnerstoeslagen over 2017 = € 2.787,93;

en/of

50% van de kostwinnerstoeslagen over de maanden januari tot en met mei 2018

= € 1.183,25;

en/of

50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2017 = € 218,77;

en/of

50% van de door de werkgever vergoede ziektekosten over 2018 = € 210,37.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.W.P.J. Hopmans, S.M.J. van Dijk en E. van Noort, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020 door mr. Van Dijk in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C. Krijger-de Keuning.

sd/ak

______________________________

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.