Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:853

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-02-2020
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
02-066448-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bankoverval en bedrijfsoverval. Rol verdachte bij de uitvoering. Medeplegen. Strafmaat. Straf verminderende factoren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/066448-19

vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag verdachte] 2000 te [geboorteplaats verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. A.I. Cambier, advocaat te Axel

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 februari 2020, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 19 maart 2019 te Goes tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft

gedwongen tot de afgifte van ongeveer 4.560 euro, in elk geval een

hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [bank 1]

, en/of twee, althans een GSM(‘s), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

, in elk geval geld/goederen toebehorende aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

ongeveer 4.560 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [bank 1] , en/of twee,

althans een GSM(‘s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval

geld/goederen toebehorende aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn/haar

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat

verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een

vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

toonde(n) en/of daarmee zwaaide(n) en/of daarbij heeft/hebben

geroepen “ik wil geld, maak de kluis open”, althans woorden van gelijke

aard of strekking;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 19 maart 2019 te Goes tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft

gedwongen tot de afgifte van ongeveer 4.560 euro, in elk geval een

hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [bank 1]

, en/of twee, althans een GSM(‘s), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

, in elk geval geld/goederen toebehorende aan een ander of

anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) en/of hem,

verdachte,

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

ongeveer 4.560 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [bank 1] , en/of twee,

althans een GSM(‘s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval

geld/goederen toebehorende aan een ander of anderen dan aan die

[medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan

en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld

tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn/haar mededader(s)

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat

die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een

vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

toonde(n) en/of daarmee zwaaide(n) en/of daarbij heeft/hebben

geroepen “ik wil geld, maak de kluis open”, althans woorden van gelijke

aard of strekking

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks

19 maart 2019 te Goes, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam

is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft, door die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) met een

auto, met daarachter gekoppeld een boedelbak, naar de plaats van het

misdrijf te vervoeren, althans in de nabijheid van de plaats van het

misdrijf en/of aldaar in de nabijheid te wachten, teneinde die [medeverdachte 1]

en/of diens mededader(s) met de buit verder te vervoeren;

2.

hij op of omstreeks 14 maart 2019 te Middelburg tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld

en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft

gedwongen tot de afgifte van ongeveer 600 euro, in elk geval een

hoeveelheid geld en/of een fooienpot en/of GSM(‘s) en/of een

sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] ( [bedrijf]

), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

ongeveer 600 euro, in elk geval een hoeveelheid geld en/of een fooienpot

en/of GSM(‘s) en/of een sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 5] ( [bedrijf] ), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging

met geweld tegen [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn/haar

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] een

vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

toonde(n) en/of daarmee dreigde(n)/zwaaide(n) en/of daarbij

heeft/hebben geroepen “ik ga je schieten”, althans woorden van gelijke

aard of strekking.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Zij acht bij beide feiten sprake van medeplegen. Ten aanzien van feit 1 primair acht zij sprake van afpersing van [slachtoffer 2] van haar telefoon en diefstal met geweld van geld en de telefoon van [slachtoffer 1] . Ten aanzien van feit 2 acht zij sprake van diefstal met geweld van geld, de fooienpot, telefoons en een sleutelbos.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 primair en 2. Feit 1 kan vanwege de rol van verdachte slechts worden gekwalificeerd als medeplichtigheid door het behulpzaam zijn met vervoer. Verdachte is tot de overige door hem verrichte handelingen gedwongen, doordat hij werd bedreigd. Hij was er niet van op de hoogte dat er een overval in voorbereiding was. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van feit 1 primair komen, dan moet in ogenschouw worden genomen dat zijn rol beperkt is gebleven en niet te vergelijken met die van de twee personen die daadwerkelijk de overval hebben gepleegd. Ook ten aanzien van feit 2 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte dit feit als medepleger heeft begaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Op 19 maart 2019 deed [slachtoffer 1] mede namens [bank 1] aangifte van een overval. Hij verklaarde dat hij werkzaam is als directeur/eigenaar van [bank 1] . De [bank 1] , gelegen aan [adres bank 1] in Goes, is een franchise die hij beheert. Op 19 maart 2019 was hij in de zaak aanwezig met [slachtoffer 2] . Het was rond 14:00 uur toen hij opeens een schreeuw hoorde van [slachtoffer 2] , een angstkreet. Hij is het kantoor in gerend en zag twee mannen staan. Man 1 had een capuchon over zijn hoofd en een masker op. Man 2 had een donkere huidskleur, droeg een capuchon en had een wapen in zijn handen. Dit wapen was een metaalkleurig/chroomachtig pistool, waarbij de loop wat langer was. Aangever zag dat man 2 het wapen meteen op hem richtte en hoorde de man zeggen: ‘Ik wil geld de kluis moet open’. Man 2 zwaaide steeds met zijn wapen een beetje wijzend achtig. Aangever is meteen naar de geldla gelopen. Hij heeft het slot op de geldla geopend met zijn code. De geldla ging open. Man 1 gaf een rugtas aan man 2. Man 2 pakte het geld uit de la en stopte dit in de rugtas. Man 2 pakte ook het bakje waar het muntgeld in zat en keerde dit ook om in de rugtas. In de geldla zaten allemaal losse briefjes in verschillende coupures. Aangever heeft ook het overvallenpakketje gepakt en aan man 2 gegeven. Deze stopte het in zijn rugtas. Man 2 begon aan het snoer van de centrale telefoon te trekken en heeft de hoorn meegenomen. Hij zag dat aangever een IPhone 7+ in zijn handen had en zei dat hij de telefoon wilde hebben. Hij trok de telefoon uit de handen van aangever. Hij zei ook tegen [slachtoffer 2] dat hij haar telefoon wilde hebben. [slachtoffer 2] heeft toen haar telefoon gepakt en aan man 2 gegeven. De twee mannen zijn toen naar buiten gerend.1 Het totale weggenomen bedrag uit de geldlade bedroeg € 4559,82.2

Ook [slachtoffer 2] deed aangifte van de overval, gepleegd op dinsdag 19 maart 2019. Zij verklaarde dat zij werkzaam is als administratief medewerkster bij [bank 1] in Goes. Die dag was zij aan het werk achter de balie, toen zij twee mannen zag binnenkomen. Zij hadden op dat moment geen gezichtsbedekking. Beide mannen waren donker getint. Een van de mannen trok transparante latex handschoenen aan. Hij hield een zilverkleurig pistool vast. De man zei: “mond houden anders schiet ik je neer”. Hij hield het wapen op tien centimeter van haar hoofd in haar richting. Op dat moment kwam haar baas [slachtoffer 1] het kantoor binnen. Hij heeft zelf het geld aan de man met de latex handschoenen meegegeven. De man met de latex handschoenen stopte het geld in de rugzak. Hierna werd geroepen dat ze haar telefoon moest inleveren. Tegelijkertijd trok een van de mannen de hoorn van de vaste telefoon eraf. Ze hoorde haar baas zeggen: “ [slachtoffer 2] geef je telefoon mee”, waarna de overvaller dit herhaalde. Ze besloot haar telefoon, een zwarte Samsung A3, te geven. Hierna renden beide mannen het kantoor uit. Kort voor de overval was een blanke jongen van begin 20 het kantoor binnen gekomen. Hij keek een beetje rond. Hierna vroeg hij of hij geld kon opnemen. Hij vertelde dat hij geen klant was bij de [bank 1] , maar bij de [bank 2] . Aangeefster heeft hem verwezen maar de [bank 2] . Ze vond hem erg nerveus. Hij bewoog veel heen en weer.3

Verbalisanten die ter plaatse kwamen naar aanleiding van de melding van de overval werden aangesproken door een man, die zei dat hij twee mannen langs had zien rennen met capuchons op. Hij had deze mannen zien wegrijden in een personenauto van het merk Seat, met daarachter een boedelbak bevestigd.4 Vervolgens zagen verbalisanten op de N257, ter hoogte van de plaats Heense Molen, een rode Seat, type Leon, met kenteken [kenteken] , hen tegemoet komen en passeren met achter deze Seat een gele boedelbak als aanhangwagen. De bestuurder betrof een blanke jonge man met een baardje. De auto werd staande gehouden. De bestuurder bleek [verdachte] te zijn. In de aanhanger lagen twee donker getinte mannen op hun buik. Dit bleken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te zijn.5

In de boedelbak werden een rugzak, een gezichtsmasker en witte latex handschoenen aangetroffen. In de rugzak werd een flinke hoeveelheid eurobiljetten aangetroffen, waaronder die van het overvallenpakketje, alsmede euromunten. Ook werd in de rugzak een telefoonhoorn met kabel aangetroffen. Eveneens werd in de rugzak een zilverkleurig vuurwapen aangetroffen. Ook werden in de boedelbak twee telefoons, te weten een IPhone 7+ en een Samsung A3 gevonden. Het IMEI-nummer van deze IPhone bleek overeen te komen met het IMEI-nummer zoals doorgegeven door [slachtoffer 1] . De IPhone bleek ernstig beschadigd te zijn. Beide telefoons werden getoond aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en door hen herkend als de telefoons die waren weggenomen door de overvallers.6 Bij verdachte [medeverdachte 2] werd tijdens de visitatie een geldbedrag van € 1.300,- aangetroffen in zijn onderbroek.7

Getuige [getuige] verklaarde dat hij zijn auto, een bordeauxrode Seat Leon met kenteken

[kenteken] , had uitgeleend aan twee maatjes van hem. Hij zag deze twee, [medeverdachte 1] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ), vaker. Een paar dagen daarvoor had hij met hen al gesproken over dat omruilen (de rechtbank begrijpt: het omruilen van [verdachte] ’ auto voor de auto van [getuige] ). [verdachte] belde en vroeg of hij die auto al kon halen. Hij is degene met een rijbewijs. Hij kwam toen de auto ophalen met [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: verdachte [medeverdachte 1] ). [medeverdachte 1] heeft geen rijbewijs. Ze zeiden dat ze een trekhaak nodig hadden voor een boedelbak. Ze hadden een van deze dagen de auto nodig. Ze hebben vaker die week contact gehad over de auto. Uiteindelijk heeft hij [medeverdachte 1] gebeld dat ze de auto konden komen halen. Ze kwamen de auto omruilen op maandagavond.8

Uit onderzoek naar het telefonisch contact tussen verdachte en verdachte [medeverdachte 1] bleek dat er 141 keer contact is geweest tussen de mobiele telefoonnummers die in gebruik zijn bij verdachte en verdachte [medeverdachte 1] .9 Het telefoonnummer dat gebruikt werd door verdachte [medeverdachte 1] stond in de telefoon van verdachte vermeld als behorend bij een contactpersoon genaamd ‘Werk’.10 Uit onderzoek van de Whats-app gesprekken in de telefoon van verdachte kwamen WhatsApp-gesprekken met verdachte [medeverdachte 1] naar voren. Op 11 maart 2019 zegt verdachte [medeverdachte 1] tegen verdachte dat hij moet komen om iets in scène te zetten en dat je geld niet te lang moet laten liggen. Op 12 maart 2019 zegt verdachte [medeverdachte 1] dat hij iets heeft gevonden en vraagt of verdachte wel echt geld nodig heeft omdat hij op cruciale momenten er niet is. Op 13 maart 2019 vraagt verdachte aan verdachte [medeverdachte 1] of hij al iets voor morgen heeft gehoord en of hij een goeie klus vanavond heeft. Verdachte [medeverdachte 1] zegt hierop ‘misschien’. Verdachte vraagt of een van zijn maatjes kan helpen omdat hij geld nodig heeft. Verdachte [medeverdachte 1] zegt dat dat niet nodig is. Op 14 maart 2019 vraagt verdachte [medeverdachte 1] of ze nog dingen gaan checken of niet. Verdachte zegt dat hij er over een half uurtje is. Op 19 maart 2019 om 01.15 uur zegt verdachte [medeverdachte 1] dat hij net uit het politiebureau komt en het wapen kwijt/weggegooid heeft, hij moest wel.11

Van verdachte werd de telecommunicatie opgenomen vanuit de Penitentiaire Inrichting. In het opgenomen gesprek met sessienummer 21 belt hij met zijn ex-vriendin [naam] op 14 april 2019 en zegt hij: “Ja die gast die zei dus, wil je veel geld verdienen en daarna stoppen we ermee. Toen dacht ik is goed, als ik alleen maar met een auto hoef te rijden dan doe ik dat. [naam] zegt: “Waarom the fuck heb je dan een boedelbak gehuurd?” Verdachte antwoordt: “Dat was de opdracht van hem.” “Ja ik heb me gewoon veel te veel laten verblinden door het bedrag, wat ik daarvan zou kunnen doen en wat voor een leuk leven ik daarvan zou kunnen leiden.”12

Van verdachte [medeverdachte 2] werd de telecommunicatie opgenomen vanuit de Penitentiaire Inrichting. In het opgenomen gesprek met sessienummer 11 belt hij met zijn moeder op 14 april 2019 en geeft hij aan dat hij iets doms gedaan heeft en zich schuldig voelt. Ook geeft hij aan dat hij met jongens is meegegaan naar een ding. Ze zeiden dat hij geld zou kunnen pakken maar ze hebben gelogen. In het opgenomen gesprek met sessienummer 17 belt hij op 20 april 2019 weer met zijn moeder en geeft in dit gesprek aan dat hij in de gevangenis zit omdat hij iets heel stoms gedaan heeft. Hij zegt dat hij geld is gaan stelen.13

Verdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat het vuurwapen dat bij zijn aanhouding werd aangetroffen van hem is en hij met dit wapen een overval heeft gepleegd.14

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij was benaderd door één van de medeverdachten. Daar had hij veel contact mee. Deze gaf aan dat hij een klusje had. Die medeverdachte had zelf geen rijbewijs, had ook een aanhanger nodig en kende iemand die een trekhaak had. Verdachte is naar Rotterdam gereden om van voertuig te wisselen. Hij had de auto op 18 maart 2019 gewisseld. De volgende ochtend zouden ze weer naar Goes reizen. Rond middernacht is hij de boedelbak gaan huren. De volgende ochtend stapte de medeverdachte bij hem in de auto en vertelde dat er nog iemand was die mee zou gaan. Ze hebben toen die tweede verdachte opgepikt. Er zouden nog een aantal benodigdheden gehaald moeten worden bij [winkel 1] , zoals klustape en latex handschoenen, en dat heeft verdachte toen gehaald. Daarna zijn ze richting Goes gereden. In Goes zei één van de medeverdachten dat hij nog kleding nodig had. Verdachte zei dat hij dat wel voor hem kon halen bij [winkel 2] . Vervolgens werd tegen verdachte gezegd dat hij moest gaan kijken in de [bank 1] of je daar geld kunt opnemen. Toen zag hij een handvuurwapen. Verdachte is naar de [bank 1] gegaan om dat te doen en was erg nerveus op dat moment in de bank. Daarna is hij teruggelopen en de auto ingestapt. Gevraagd werd of je daar geld kon opnemen. Een van de medeverdachten zei dat als het zou lukken, hij € 30.000,- zou krijgen. De medeverdachten gingen uit het voertuig. Na een tijdje kwamen ze terug gerend en zeiden ze dat hij de boedelbak moest openen. Verdachte reed weg en werd vervolgens aangehouden.15

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij verdachte [medeverdachte 1] kent en dat verdachte [medeverdachte 1] degene is van wie hij de opdrachten om de boedelbak en overige spullen te halen, heeft gekregen. Ook werd tegen verdachte gezegd dat hij de [bank 1] binnen moest gaan om te kijken of er geld opgenomen kon worden. Hij is de [bank 1] binnen gegaan en heeft daarna, toen hij weer bij de auto kwam met daarin verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , verslag gedaan van zijn bevindingen.16

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het plegen van de overval, zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair. De rechtbank stelt vast dat de uiterlijke verschijningsvorm van de overval wijst op een vooraf gemaakt plan.

Met betrekking tot de rol van verdachte merkt de rechtbank het volgende nog op. Verdachte werd telkens gebruikt in de voorfase. Door hem werden voorafgaand aan de overval een boedelbak gehuurd, benodigdheden en kleding aangeschaft en door hem werd een voorverkenning gedaan bij de [bank 1] . Ook zorgde verdachte voor het vervoer naar de plaats delict en daar vandaan. Hiervoor werd verdachte bijna een derde deel van de verwachte opbrengst in het vooruitzicht gesteld. Verdachte speelde door deze handelingen uit te voeren een cruciale rol bij deze overval. Bovendien was hij degene met een rijbewijs. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat verdachte initiërend was in het contact met hem in het kader van het lenen van de rode Seat met trekhaak. Verdachte verklaarde verder veel contact te hebben met verdachte [medeverdachte 1] , hetgeen ook blijkt uit het onderzoek van de telefoons van verdachten. Dat verdachte deze handelingen onder dwang en bedreiging van een vuurwapen zou hebben gepleegd, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig, gelet op de telefonische contacten tussen verdachte en verdachte [medeverdachte 1] en ook gelet op het tapgesprek in de Penitentiaire Inrichting, waarin verdachte tegen zijn ex-vriendin zegt verblind te zijn geweest door het geld. Ter zitting met deze telefonische contacten geconfronteerd, kon verdachte hier ook geen verklaring voor geven. Voorts stelt de rechtbank in dat kader vast dat verdachte ter zitting over bepaalde onderwerpen een andersluidende verklaring heeft afgelegd dan hij bij de politie heeft gedaan. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat hij een bedrag van € 30.000,- zou krijgen en verklaarde hij ter zitting dat er geen sprake was van een dergelijke belofte. Ook heeft verdachte wisselend verklaard over het moment waarop hij met een vuurwapen zou zijn bedreigd door een van de medeverdachten, eerst was dat voordat hij naar de [bank 1] was gegaan en ter zitting werd dat nadat hij van de [bank 1] terug kwam om verslag te doen. Tevens heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij erg nerveus was toen hij in de [bank 1] was en verklaarde hij ter zitting dat hij zich niet kan herinneren nerveus te zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat verdachte zijn verklaringen op deze punten heeft aangepast, kennelijk om hiermee de schijn op te wekken dat hij tot aan het moment dat hij terug kwam van zijn bezoek aan de [bank 1] , geen wetenschap zou hebben gehad van de ophanden zijnde overval. De rechtbank gaat er echter vanuit dat verdachte van meet af aan wist wat de bedoeling was en dit wetende de hiervoor genoemde handelingen verrichtte.

De overval werd vervolgens verder in gezamenlijke uitvoering gepleegd door verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 2] . Bij medeverdachte [medeverdachte 2] werd een geldbedrag van € 1.300,- aangetroffen, ongeveer een derde van de opbrengst van de overval. Ook hij deelde naar het oordeel van de rechtbank dus gelijkelijk mee in de gerealiseerde buit.

Verdachte [medeverdachte 1] had naar het oordeel van de rechtbank de leidende rol. Hij onderhield de contacten met de medeverdachten, gaf de opdrachten en is degene geweest die met het vuurwapen de [bank 1] binnen is gegaan.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande, van oordeel dat sprake is van het medeplegen van afpersing van de telefoon van [slachtoffer 2] en diefstal onder bedreiging met geweld van een geldbedrag van ongeveer € 4.560,- van [bank 1] en van de telefoon van [slachtoffer 1] , zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair.

feit 2

Op 14 maart 2019 deed [slachtoffer 4] mede namens [bedrijf] aangifte van een overval. Hij verklaarde dat hij die dag aan het werk was bij [bedrijf] aan [adres bedrijf] met zijn collega [slachtoffer 3] .

Er kwamen twee gasten binnen via de voordeur. Beide mannen hadden een slank, dun postuur. Een van hen was donker getint. Deze negroïde man had een muts die autocoureurs dragen over zijn hoofd, waarbij zijn ogen en een stukje daarnaast waren te zien. De getinte man liep voorop en richtte een wapen op hen. Het was een klein zilverkleurig pistool. De andere man liep achter de man met het pistool. De man richtte het pistool naar het hoofd van aangever en zei tegen hem dat hij moest gaan liggen en niet naar hem moest kijken. Ook hoorde hij hem zeggen: ‘Ik ga je schieten’. Dit heeft hij meerdere malen herhaald. De negroïde man controleerde zijn zakken en pakte zijn telefoon en sleutelbos uit zijn zakken. Op tafel lagen twee portemonnees, in de ene portemonnee zat afgerond € 160,- en in de andere € 69,25. Aangever zei daarna: ‘Je hebt nu je geld en wegwezen’, waarna hij de negroïde man het volgende hoorde zeggen: ‘Nee boven ligt in een van de drie kasten nog meer geld’ of woorden van gelijke strekking. Hierna moesten [slachtoffer 3] en hij mee naar boven. Ze zijn met zijn vieren naar boven gegaan. Aangever wilde naar de kast lopen, maar toen deed de negroïde man zelf die deur open. Hierna pakte hij een blauw geldkistje en deed het kistje in een rugzak. Hierna zag hij een aantal fooienpotjes liggen die hij ook allemaal in de rugzak deed. Ze lagen boven op de grond en aangever hoorde de negroïde man het volgende zeggen: ‘We gaan nu weg maar komen over vijf minuten terug dus zorg dat je hier blijft’ of woorden van gelijke strekking. De andere man heeft weinig tot niets gezegd.17

Ook [slachtoffer 3] deed aangifte van de overval, gepleegd op dinsdag 14 maart 2019. Zij verklaarde dat er om ongeveer 20.50 uur twee mannen binnen kwamen bij [bedrijf] . Eén man liep met uitgestrekte arm en had een pistool in zijn hand. Eén man was blank en de ander was negroïde. Beide mannen hadden een tenger postuur. Die donkere man riep iets van ‘we willen geld’ of iets dergelijks. Die blanke man liep er wat achter. De donkere man deed de hele tijd het woord en nam het voortouw. Ze voelde dat de donkere man haar aan de knoop van haar schort vastpakte en haar voor zich uit naar de voorzijde van het pand dirigeerde. Hij voelde in haar broekzakken. Ze voelde dat hij haar telefoon uit haar broekzak pakte. Ze hoorde dat één van de personen riep: ‘Waar zijn de portemonnees?’ en hoorde haar collega roepen ‘Die liggen daar’. Korte tijd later hoorde ze een stem zeggen: ‘Ik ga hem gebruiken’ of woorden van gelijke strekking. De portemonnees lagen op de tafel. Toen wilden ze naar boven. Ze werd opgetild of in de richting van de trap geduwd. Ze hoorde dat er gezegd werd: ‘We gaan naar boven want daar staan drie kasten’. Ze is toen achter haar collega aan meegegaan naar boven. Boven moesten ze naar het kantoor. In het kantoor deed deze donkere man zelf de kast open. Ze heeft later gehoord dat er geld dat in die kast lag weggenomen is.18

Op 15 maart 2019 gaf [slachtoffer 4] aan dat hij zich herinnerde dat hij op 14 maart 2019 omstreeks 15.15 uur over de [straat] liep en dat hij een goudkleurige Fiat Punto voorbij zag rijden in de richting van de [bedrijf] . Vervolgens zag hij dat het voertuig voorbij de [bedrijf] reed en bij de loods verderop keerde. Hierna kwam het voertuig weer terug in de richting van aangever. Hij wist op dat moment dat er niemand aanwezig was bij de [bedrijf] . Op het moment dat het voertuig terugreed in zijn richting en hem vervolgens passeerde, zag hij twee manspersonen in het voertuig zitten. Hij herkende de bestuurder als [verdachte] . [verdachte] heeft een blanke huidskleur. Hij heeft hetzelfde postuur als de blanke verdachte van de overval.19 Op de camerabeelden van [bedrijf] van 14 maart 2019 was te zien dat er omstreeks 15:13 uur van links over de [straat] een grijze Fiat Punto de zaak voorbij reed. Een paar seconden later was een grijze Fiat Punto te zien waarvan een gedeeltelijk kenteken te lezen was, namelijk [gedeeltelijk kenteken] , die terug kwam rijden richting de N57. Achter het stuur zat een persoon met een lichte huidskleur. De bestuurder keek in de richting van [bedrijf] toen hij voorbij reed. Uit het RDW bleek dat verdachte een grijze Fiat Punto, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , op naam had staan.20

De eigenaar van [bedrijf] verklaarde dat [verdachte] bij hem heeft gewerkt in de periode van 19 januari 2019 tot 14 februari 2019. Hij zat op dat moment nog in zijn proefperiode en werd in eerste instantie contant betaald. Hij is de enige werknemer geweest die contant betaald werd en dus ook de enige die wist dat er boven contant geld lag. De overige werknemers weten wel van de fooienpotjes maar niet van het overige geld. [verdachte] heeft op 9 februari 2019 een appje gestuurd waarin hij aangeeft krap bij kas te zitten. Vervolgens vroeg hij of hij voor een avond zwart uitbetaald kon worden. Er is in totaal een geldbedrag van ongeveer € 600,- weggenomen.21

Tijdens het forensisch onderzoek bij [bedrijf] werden schoensporen aangetroffen die vermoedelijk afkomstig waren van de daders. In het gangpad gezien vanaf de ingang richting de keuken werd een schoenspoor veilig gesteld onder SIN AAMH5581NL.22

Dit schoenspoor werd vergeleken met een paar schoenen, merk Nike, type Air Force 1, kleur wit, maat EUR 42, afkomstig van verdachte [medeverdachte 1] . Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds de onderzochte plaatsing van het schoenspoor en anderzijds de zool van de rechterschoen en de daarmee vervaardigde proefsporen is gebleken dat het profiel overeenkomt, de afmetingen praktisch overeenkomen en de slijtageverschijnselen aan de rechterschoen, ook voor zover zichtbaar, zijn waargenomen in de onderzochte plaatsing van het schoenspoor. Onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen. Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzochte plaatsing van het schoenspoor is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de onderzochte rechterschoen. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kon niet worden vastgesteld dat de onderzochte plaatsing van het schoenspoor daadwerkelijk is veroorzaakt met deze rechterschoen.23

In de woning van verdachte [medeverdachte 1] werd een zwarte trainingsbroek van het merk Adidas aangetroffen, waarbij op de linker broekspijp het logo van Adidas gedrukt stond en op de rechterbroekspijp het ronde logo van de voetbalclub Real Madrid. Bij nader onderzoek naar de foto’s afkomstig van de camerabeelden van de overval op [bedrijf] bleek dat een van de overvallers een broek droeg die sterk lijkt op deze broek. De broek heeft de drie verticale strepen aan de zijkant van de broekspijpen, een logo op de linker broekspijp en een rond logo op de rechter broekspijp.24 Op een screenshot van de overval was te zien dat een van de daders lichtblauwkleurige handschoenen droeg. In de auto van verdachte werden onder andere lichtblauwkleurige latex handschoenen aangetroffen van het merk HY@PRO.25

Onderzoek naar de historische verkeersgegevens telefonie betreffende het telefoonnummer van verdachte wees uit dat zijn telefoonnummer op 14 maart 2019 omstreeks 19.47 uur contact maakte met de zendmast aan [straat 2] te Middelburg. Vervolgens is te zien dat de telefoon omstreeks 20.53 uur contact maakt met de zendmast aan [straat 3] nabij nummer 12 te Middelburg.26 Het telefoonnummer van verdachte maakte gebruik van provider KPN. Uit een netwerkmeting is naar voren gekomen dat wanneer men zich op de locatie [adres bedrijf] bevindt, een telefoon met provider KPN contact maakt met de zendmast aan [straat 3] nabij nummer 12.27

De rechtbank stelt vast dat het dossier ten aanzien van onderhavig feit geen zogenoemd direct bewijs omvat tegen verdachte aangezien de daders door de slachtoffers niet zijn herkend, maar wel is sprake van omringend bewijs, zogenoemd ‘circumstantial evidence’. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband gezien, kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die zich met een mededader schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

De rechtbank stelt in dit kader allereerst vast dat door aangevers wordt verklaard dat de negroïde man een klein zilverkleurig wapen op hen gericht hield. Door verdachte [medeverdachte 1] is vijf dagen later, bij de overval op de [bank 1] , zoals weergegeven in de bewijsmiddelen onder feit 1, eveneens een klein zilverkleurig wapen gebruikt. Verder is gebleken dat een van de verdachten een broek droeg die sterk leek op een in de woning van verdachte [medeverdachte 1] aangetroffen broek. Ook werd bij [bedrijf] een schoenspoor aangetroffen dat is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan een onderzochte schoen van verdachte [medeverdachte 1] , waarbij ook de slijtageverschijnselen aan de rechterschoen, voor zover zichtbaar, zijn waargenomen in het schoenspoor.

Er werden door een van de overvallers blauwe handschoenen gedragen, waarna in de auto van verdachte blauwe latex handschoenen werden aangetroffen. Bij de overvallers bleek voorkennis te zijn over waar er geld bij [bedrijf] lag, terwijl verdachte kort voor de overval een periode bij [bedrijf] heeft gewerkt, contant kreeg uitbetaald en volgens de eigenaar wist dat het contante geld boven lag. Aangever [slachtoffer 4] herkent daarbij het postuur van verdachte als hetzelfde postuur als van de blanke verdachte van de overval. Verdachte bleek in de periode voorafgaand aan de overval ook een dringende noodzaak aan geld te hebben. De rechtbank neemt ook de WhatsApp-gesprekken uit de telefoon van verdachte, zoals opgenomen onder feit 1, in ogenschouw, waaruit blijkt dat verdachte op 13 maart 2019 aan verdachte [medeverdachte 1] vroeg of ‘hij al iets voor morgen heeft gehoord’. Op 14 maart 2019 vroeg verdachte [medeverdachte 1] aan verdachte of ‘ze nog dingen gaan checken of niet’. Verdachte zei daarop dat hij er over een half uurtje is. Vervolgens is verdachte die middag voor de [bedrijf] heen en weer gereden. De rechtbank neemt daarbij tenslotte nog in aanmerking dat de telefoon van verdachte ten tijde van de overval contact maakte met de zendmast waarmee, volgens de netwerkmeting bij gebruik vanaf de locatie van [bedrijf] door een telefoon met provider KPN, contact wordt gemaakt.

Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank het scenario dat verdachte en verdachte [medeverdachte 1] degenen zijn geweest die de overval bij [bedrijf] hebben gepleegd, het meest waarschijnlijke scenario. Bovendien hebben verdachten vijf dagen later, zoals bewezen verklaard onder feit 1, weer als medeplegers een overval gepleegd. Zij waren in die periode klaarblijkelijk nauw op elkaar betrokken en hun handelen was duidelijk op het verkrijgen van geldelijk gewin gericht. Uit de verklaringen van aangevers blijkt voorts dat de negroïde man met het wapen de regie had en de blanke, slanke man niets gezegd heeft. Ook dit past naar het oordeel van de rechtbank bij het scenario dat deze man verdachte is. Enerzijds omdat zwijgen verstandig was zodat zijn stem niet herkend zou worden door zijn oud-collega’s en anderzijds omdat dit een rolverdeling is overeenkomstig de rolverdeling bij de uitvoering van de overval op de [bank 1] , waar verdachte [medeverdachte 1] naar het oordeel van de rechtbank ook de leidende rol had.

De rechtbank onderkent dat de bewijsmiddelen op zichzelf beschouwd niet voldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Naar het oordeel van de rechtbank laten de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband gezien, echter geen andere conclusie toe dan dat het verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] moeten zijn geweest die in gezamenlijke uitvoering de overval op de [bedrijf] hebben gepleegd. Verdachte en verdachte [medeverdachte 1] hebben zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal onder bedreiging met geweld van een geldbedrag van ongeveer € 600,- en een fooienpot van eigenaar [slachtoffer 5] van [bedrijf] , een telefoon en een sleutelbos van [slachtoffer 4] en een telefoon van [slachtoffer 3] , zoals ten laste gelegd onder feit 2.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 19 maart 2019 te Goes tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM, toebehorende aan [slachtoffer 2] ,

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

ongeveer 4.560 euro, toebehorende aan [bank 1] ,

en een GSM toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat zijn mededader die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een vuurwapen toonde en daarmee zwaaide en daarbij heeft geroepen “ik wil geld, maak de kluis open”;

2.

op 14 maart 2019 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

ongeveer 600 euro en een fooienpot en GSM‘s en een sleutelbos,

toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] ( [bedrijf] ),

welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een vuurwapen toonde en daarmee dreigde en daarbij heeft geroepen “ik ga je schieten”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de beperkte rol van verdachte bij de overval op de [bank 1] . Ook verzoekt de verdediging rekening te houden met het reclasseringsrapport over verdachte en aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest met daaraan gekoppeld een forse voorwaardelijke straf met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een bankoverval en een bedrijfsoverval. Hij heeft bij de bankoverval een belangrijke rol gespeeld door te zorgen voor vervoer met een door hem gehuurde boedelbak waarin de mededaders ongezien weg hoopten te komen, kleding en overige benodigdheden en hij heeft ook een voorverkenning verricht. Bij de overval op een bedrijf waar hij zelf nota bene gewerkt heeft, is hij samen met de mededader naar binnen gegaan, waarna de mededader onder bedreiging van een vuurwapen geld en de telefoons van de aanwezige medewerkers heeft meegenomen. De rol van verdachte bij deze overval was, gelet op zijn voorkennis over het bedrijf, essentieel. Het spreekt voor zich dat de op deze manier uitgevoerde overvallen voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moeten zijn geweest. Zij ondervinden hiervan nog steeds, ook in hun privéleven, de nadelige gevolgen. Dat blijkt onder meer uit de ter zitting door aangever [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring dat alles anders is voor hem na de overval. Aangeefster [slachtoffer 3] sprak ter zitting uit dat heel haar leven is verwoest door wat zij mee moest maken die avond. Ze zag heel haar leven aan zich voorbij gaan, en dat alleen maar omdat verdachte zo nodig snel geld wilde verdienen. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld te komen.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Uit het rapport van de reclassering van 20 juni 2019 blijkt dat verdachte een bewogen jeugd heeft gehad. Het afgelopen jaar heeft hij een zwervend bestaan geleid. Hij heeft zijn VMBO-diploma behaald, maar heeft daarna nooit een baan gevonden waarmee hij een eigen inkomen kon verdienen. Verdachte is een kwetsbare jongeman. Zijn psychisch functioneren en zijn belaste verleden hebben hieraan bijgedragen. Het lijkt erop dat verdachte mede daardoor niet in staat is om zijn leven richting te geven. Hij is opgegroeid in verschillende gezinnen en is met regelmaat verhuisd. Dit heeft verdachte gevormd en het is de vraag of en in welke mate deze ervaringen hebben bijgedragen tot de huidige situatie. Doordat verdachte ontkent financiële problemen te hebben, kan zijn levensstijl niet direct in verband worden gebracht met het ten laste gelegde en kan er geen adequate inschatting worden gemaakt van het recidiverisico. Wel kan worden vastgesteld dat er maar enkele beschermende factoren aanwezig zijn, zoals de huidige band met zijn ouders en het feit dat verdachte op een normaal begaafd niveau lijkt te functioneren. Hierdoor heeft hij de mogelijkheden om andere keuzes te maken. Bij verdachte lijkt er sprake te zijn van problematiek op verschillende gebieden, waarbij psychisch functioneren, sociaal netwerk en financiën de belangrijkste risicofactoren vormen. Er zijn op dit moment zorgen op verschillende leefgebieden van verdachte zoals huisvesting, dagbesteding, financiën en de gezinssituatie. Verdachte staat open voor eventuele behandeling en begeleiding door de reclassering om weerbaarder te worden tegen negatieve invloeden en om hulp te krijgen bij het nastreven van (positieve) levensdoelen. De reclassering adviseert bij de strafoplegging het commune strafrecht (volwassenenstrafrecht) toe te passen. Er is geen sprake van een licht verstandelijke beperking en verdachte komt niet jonger dan zijn kalenderleeftijd over. Er is geen sprake van voortzetting van scholing en er is geen specifieke interventie vanuit het jeugdstrafrecht geïndiceerd. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met de mededaders en de slachtoffers in het strafdossier, de verplichting tot inspanning voor het vinden, krijgen en behouden van een dagbesteding en een locatieverbod met elektronische controle, waarbij verdachte zich niet zal begeven bij de plaatsen delict, zijnde [bank 1] in Goes en [bedrijf] in Middelburg. Hierbij wordt de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht geadviseerd. Vanwege de impact van de delicten wordt het noodzakelijk geacht dat verdachte snel zorg, begeleiding en controle krijgt.

De rechtbank zal, nu er ook geen specifieke interventie vanuit het jeugdstrafrecht is geïndiceerd, niet overgaan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht maar het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel zal de rechtbank voor wat betreft de strafduur rekening houden met de nog jeugdige leeftijd van de verdachte op de wijze als hierna aangegeven.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en de aard van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en noodzakelijk is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het LOVS en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het uitgangspunt voor een bedrijfsoverval, zonder (ernstig) geweld is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.

De rechtbank ziet echter straf verminderende factoren. Zij houdt in straf verminderende zin rekening met het blanco strafblad van verdachte en zijn jonge leeftijd ten tijde van het plegen van beide overvallen. Verdachte was ten tijde van de feiten 18 jaar, waardoor de oriëntatiepunten voor minderjarigen, die bij een bedrijfsoverval een jeugddetentie van vier maanden als uitgangspunt geven, net niet meer voor hem van toepassing zijn. Ook houdt de rechtbank rekening met de belaste voorgeschiedenis van verdachte en zijn beperktere rol bij de overval op [bank 1] in vergelijking met de rol van de mededaders.

Dit alles maakt dat de rechtbank tot een aanzienlijk lagere straf komt dan de in de oriëntatiepunten als uitgangspunt voor dergelijke feiten vermelde straf. De rechtbank komt tot het opleggen van een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht te bevelen, gelet op de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen.

7 De benadeelde partijen

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 2.164,40, waarvan

€ 164,40 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens, zoals verzocht, de schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak tegen de medeverdachten. Verdachte wordt aldus veroordeeld aan de benadeelde partij het toegewezen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen voor zover deze vordering niet reeds door of namens een ander is betaald.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.850,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en daarnaast € 13,61 aan proceskosten voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens, zoals verzocht, de schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met uitzondering van voornoemde proceskosten, aangezien die volgens vaste rechtspraak niet kunnen worden betrokken bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak tegen de medeverdachten. Verdachte wordt aldus veroordeeld aan de benadeelde partij het toegewezen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen voor zover deze vordering niet reeds door of namens een ander is betaald.

[bank 1]

De benadeelde partij [bank 1] vordert een schadevergoeding van € 4.163,66 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.102,80 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit. Het betreffen redelijke kosten ten behoeve van het herstel van het gevoel van veiligheid van de medewerkers en daarmee ter beperking van psychische schade. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige gedeelte, betreffende de gevorderde niet-productieve uren, acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd aangezien niet duidelijk is in hoeverre dit heeft geleid tot gederfde winst, en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, evenals voor de aan de berekening van deze uren verbonden accountantskosten.

De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van het opleggen van de verzochte schadevergoedingsmaatregel. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de voorschotregeling van artikel 36f, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is als de benadeelde partij een rechtspersoon is, zoals in het onderhavige geval. Dit maakt dat de benadeelde partij het schadebedrag niet van de staat uitgekeerd zal krijgen als verdachte niet binnen acht maanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. De benadeelde partij heeft om die reden onvoldoende baat bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij voor zover toegewezen hoofdelijk toewijzen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak tegen de medeverdachten. Verdachte wordt aldus veroordeeld aan de benadeelde partij het toegewezen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen voor zover deze vordering niet reeds door of namens een ander is betaald.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 2.655,14, waarvan

€ 905,14 ter zake van materiële schade en € 1.750,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de verzochte schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak tegen de medeverdachte. Verdachte wordt aldus veroordeeld aan de benadeelde partij het toegewezen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen voor zover deze vordering niet reeds door of namens een ander is betaald.

[slachtoffer 4]

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.419,87, waarvan € 669,87 ter zake van materiële schade en € 1.750,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, en daarnaast € 7,45 aan proceskosten voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de verzochte schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met uitzondering van voornoemde proceskosten, aangezien die volgens vaste rechtspraak niet kunnen worden betrokken bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien deze vordering tevens is ingediend in de strafzaak tegen de medeverdachten. Verdachte wordt aldus veroordeeld aan de benadeelde partij het toegewezen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, te betalen voor zover deze vordering niet reeds door of namens een ander is betaald.

[bedrijf]

De benadeelde partij [bedrijf] vordert een schadevergoeding van € 22.443,58, waarvan € 7.443,58 ter zake van materiële schade en € 15.000,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, voor feit 2.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en wat de materiële schade betreft niet onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, zijnde een geldbedrag van € 75,-, aan verdachte, aangezien het voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14d, 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaar, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich uiterlijk binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33, 4337 EA Middelburg en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, waarbij de behandeling de gehele proeftijd duurt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling;

* dat verdachte gedurende de proeftijd, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten bij Stichting Door of een soortgelijke instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, waarbij het verblijf de gehele proeftijd duurt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en waarbij verdachte zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag medeverdachte 1] 1987;

- medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag medeverdachte 2] 1993;

- aangever [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag slachtoffer 1] 1961;

- aangeefster [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag slachtoffer 2] 1976;

- [bank 1] , gevestigd te [adres bank 1] ;

- aangever [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedag slachtoffer 4] 1985;

- aangeefster [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag slachtoffer 3] 1985;

- [bedrijf] , gevestigd te [adres bedrijf] ;

zo lang het Openbaar Ministerie en de reclassering dit verbod noodzakelijk achten, waarbij de politie toeziet op handhaving van dit contactverbod;

* dat verdachte zich zal inspannen voor het vinden, krijgen en behouden van een dagbesteding;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden bij de plaatsen delict, zijnde [bank 1] in [plaats] en [bedrijf] in [plaats] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat verdachte zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde betreffende het locatieverbod, waarbij de mogelijkheid van elektronische controle zal moeten worden onderzocht, zodra duidelijk is dat verdachte in vrijheid gesteld zal worden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 2.164,40, waarvan € 164,40 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.850,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 13,61;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bank 1] van € 1.102,80 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 2.655,14, waarvan € 905,14 ter zake van materiële schade en € 1.750,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] van € 2.419,87, waarvan € 669,87 ter zake van materiële schade en € 1.750,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 7,45;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij [bedrijf] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen;

- bepaalt dat bij niet betaling het daarbij vermelde aantal dagen gijzeling kan worden toegepast;

* benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1), € 2.164,40, 31 dagen gijzeling, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

* benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1), € 1.850,-, 28 dagen gijzeling, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

* benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2), € 2.655,14, 36 dagen gijzeling, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

* benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 2), € 2.419,87, 34 dagen gijzeling, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 75,- (G2012739).

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. A.L. Hoekstra en

mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.E.A.M. van der Ven - van de Riet, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 februari 2020.

Mrs. Hoekstra en Kempen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer ZB1R019032/AQUINO van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 1007. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] mede namens [bank 1] van 19 maart 2019, pagina 675, tweede en vierde alinea, pagina 676, eerst tot en met vijfde en achtste alinea, en pagina 677, eerste, tweede en zevende alinea.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2019, pagina 681, vijfde alinea.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 20 maart 2019, pagina 686, tweede alinea, pagina 687, tweede tot en met vierde alinea, en pagina 688, vierde en zesde alinea.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, pagina 698, eerste alinea.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, pagina 712, vijfde alinea, pagina 713, eerste, vierde en achtste alinea, en pagina 714, eerste alinea.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2019, pagina 719, zesde tot en met elfde alinea, en pagina 720, eerste en tweede alinea.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van 27 maart 2019, pagina 670.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 8 april 2019, pagina 793, tweede, vierde, vijfde, zevende en achtste alinea, pagina 794, vierde alinea, en pagina 795, eerste alinea.

9 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2019, pagina 67, derde alinea.

10 Het proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2019, pagina 96, vierde alinea.

11 Het proces-verbaal telefoon [verdachte] , pagina 437, derde alinea, pagina 438, negende en tiende alinea, en pagina 439, eerste, tweede en zevende alinea.

12 Het proces-verbaal opname telecommunicatie [verdachte] van 28 juni 2019, pagina 441, eerste en laatste alinea, pagina 442, eerste alinea, en pagina 447.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2019, pagina 663, eerste en vierde tot en met zevende alinea, pagina 665 en pagina 666.

14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 23 mei 2019, pagina 559, twaalfde en dertiende alinea.

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 24 juli 2019, pagina 431, eerste en derde alinea, en pagina 432, tweede, zevende en tiende alinea.

16 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 10 februari 2020.

17 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] mede namens [bedrijf] van 15 maart 2019, pagina 827, derde alinea, pagina 828, eerste en tweede alinea, en pagina 829, tweede, derde en vijfde alinea.

18 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 14 maart 2019, pagina 832, derde alinea, en pagina 833, eerste, tweede en vijfde tot en met zevende alinea.

19 Het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2019, pagina 841, eerste en tweede alinea.

20 Het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2019, pagina 842, eerste en tweede alinea, en pagina 843, derde alinea.

21 Het proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer 5] van 13 april 2019, pagina 838, eerste en derde alinea, en pagina 839, eerste tot en met derde alinea.

22 Het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres bedrijf] ) van 18 maart 2019, pagina 871, tweede en vijfde alinea.

23 Het schriftelijk stuk, inhoudende een rapport vergelijkend schoensporenonderzoek naar aanleiding van een overval op een bedrijf te [adres bedrijf] , gepleegd op 14 maart 2019, van Team Forensische Opsporing van 20 mei 2019, pagina 875, tweede en derde alinea, en pagina 876, eerste tot en met vijfde alinea.

24 Het proces-verbaal bevindingen van 21 maart 2019, pagina 888, eerste alinea, en pagina 889, eerste alinea.

25 Het proces-verbaal van bevindingen van 25 maart 2019, pagina 38, tweede en zevende alinea.

26 Het proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2019, pagina 89, eerste en tweede alinea.

27 Het proces-verbaal netwerkmeting van 12 april 2019, pagina 92, eerste tot en met derde alinea.