Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7101

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
AWB- 19_3772
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3772 PW

uitspraak van 3 november 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat te Middelburg,

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2019 (primair besluit I) heeft Orionis het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 maart 2019 opgeschort.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Bij besluit van 22 maart 2019 (primair besluit II) heeft Orionis de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 4 september 2014 ingetrokken en is de aan haar verleende bijstand over de periode van 4 september 2014 tot en met 28 februari 2019 teruggevorderd, zijnde een bedrag van € 68.262,88 bruto.

Eiseres heeft ook tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 2 juli 2019 (bestreden besluit) heeft Orionis het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I niet ontvankelijk verklaard en dat tegen primair besluit II ongegrond.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 2 oktober 2020. Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde, [gemachtigde], tolk, alsmede haar zoon. Voor Orionis was aanwezig [aanwezige Orionis].


Overwegingen

1. Feiten

1.1

Eiseres ontving sinds 4 september 2014 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2

Naar aanleiding van een anonieme melding dat de ex-partner dagelijks bij eiseres zou zijn, heeft Orionis een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij diverse instanties en is het internet geraadpleegd. Tevens is eiseres bij brief van 11 februari 2019 uitgenodigd voor een gesprek op 21 februari 2019. Hierbij is eiseres onder meer verzocht afschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen vanaf
4 september 2014 mee te nemen alsmede de administratie van [bedrijfsnaam] vanaf 4 september 2014. Eiseres heeft naar het gesprek de gevraagde informatie meegebracht, behalve de administratie van [bedrijfsnaam]. Over [bedrijfsnaam] heeft eiseres tijdens het gesprek de volgende verklaring afgelegd: “U vraagt mij naar de administratie van het bedrijf [bedrijfsnaam]. Ik heb geen eigen bedrijf. Ik heb in het verleden eens mensen geholpen met het aanvragen van een visum voor Rusland. Hier heb ik geen geld voor gekregen. Ik kan u geen administratie overleggen hiervan.”

1.3

Bij primair besluit I heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2019 opgeschort. Orionis heeft eiseres in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Hiertoe is zij uitgenodigd voor een gesprek op 11 maart 2019, waarbij opnieuw is verzocht de eerdergenoemde administratie van [bedrijfsnaam] mee te nemen. Tijdens het gesprek op 11 maart 2019 heeft eiseres over [bedrijfsnaam] het volgende verklaard:“U heeft mij gevraagd stukken mee te brengen van bedrijf [bedrijfsnaam]. Ik heb u bij het vorige gesprek reeds duidelijk gemaakt dat ik geen bedrijf en dus geen administratie heb. Ik heb dit ook nooit gehad.”

1.4

De onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in een rapport van de Sociale Recherche, zijn voor Orionis aanleiding geweest om bij primair besluit II, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van
4 september 2014 tot en met 28 februari 2019 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 68.262,88 bruto van haar terug te vorderen.
Orionis heeft aan de besluitvorming -voor zover thans van belang- ten grondslag gelegd dat het onderzoek naar [bedrijfsnaam], in combinatie met de buitenlandse trips van eiseres waarvan financiering en geldstromen onduidelijk zijn en haar bankafschriften, voldoende grondslag biedt om te concluderen dat de inlichtingenplicht is geschonden. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand volgens Orionis niet worden vastgesteld.

2. Beroepsgronden

Eiseres is het op de hieronder (in onderdeel 4.) nog te bespreken gronden niet eens met de intrekking en terugvordering van haar uitkering.

3. Wettelijk kader

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.


In artikel 54, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat het college een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand.


In artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet is bepaald dat het college de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

In het achtste lid is bepaald dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te verzamelen. Dit betekent dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan op Orionis rust. De te beoordelen periode loopt van 4 september 2014 tot en met 28 februari 2019 (hierna aangeduid als: de beoordelings-periode).

4.2

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zij heeft geen inkomen gegenereerd met het bedrijf [bedrijfsnaam]. De onderneming is nooit daadwerkelijk gestart. Daarom is ook geen administratie van het bedrijf gevoerd.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een e-mail van 11 februari 2019overgelegd van haar schoonzoon [naam schoonzoon], gericht aan de Sociale Recherche van Orionis.
Deze e-mail luidt als volgt: “Vanochtend heb ik uw brief ontvangen inzake domeinnaam [domeinnaam], u heeft mij gevraagd aantal vragen te beantwoorden betreft [domeinnaam] en mevrouw [eiseres]. [eiseres] is mijn schoonmoeder, tijdje terug wilde ik haar helpen aan het werk door een bedrijfje op te starten, [domeinnaam]. Het idee zelf is nooit verder gekomen dan een marktonderzoek en een website. En na haar scheiding aantal jaar terug is het idee helemaal van de baan.

Hierbij uw vragen:

- Welke onderneming/natuurlijk persoon heeft de domeinnaam [domeinnaam] laten registreren?

[dienstverlening] Dienstverlening/[naam schoonzoon] heeft domein geregistreerd

- Per welke datum is de domeinnaam [domeinnaam] geregistreerd en website actief ?

Op 04-04-2011 heb ik domein geregistreerd, wanneer de website gemaakt was weet ik niet precies, het heeft in ieder geval een geruime tijd geduurd voordat kwam.

- Wat zijn de periodieke kosten van [domeinnaam] en hoe en door wie worden deze voldaan ?

Webhosting en domeinregistratie kost ongeveer 120 euro per jaar en wordt door mij ([naam schoonzoon]) betaald.

- Zijn er meerdere websites gerelateerd aan de persoon achter [domeinnaam] ?

[bedrijfsnaam] staat op mijn naam geregistreerd, ik heb meerdere zakelijke en privé domennamen op mijn naam staan. Die hebben verder niets te maken met [domeinnaam]. Er zijn ook geen andere domeinen of websites die een relatie hebben met [domeinnaam]

- Alle andere mogelijke informatie betreffende [domeinnaam] of de persoon achter [domeinnaam]?

Zoal ik eerder hebt verteld, is [domeinnaam] een opzetje geweest om mijn schoonmoeder,
[eiseres] aan het werk te helpen door haar eigen bedrijf te starten. Daar is uiteindelijk niets van gekomen en is het idee in vergetelheid geraakt.

Bij deze hoop ik uw vragen te hebben beantwoord, mocht er iets ontbreken of niet duidelijk zijn dan kunt u met mij contact opnemen (…)”.

4.3

Uit het onder 1.4 vermelde rapport van de Sociale Recherche blijkt onder meer het volgende:
a. eiseres heeft op Facebook een profiel onder haar eigen naam, [eiseres]. Op de pagina zijn enkel de profielfoto’s openbaar, en een korte persoonsbeschrijving. De omslag-foto van de Facebookpagina van eiseres is een afbeelding van een Russisch visum. Ook plaatst eiseres foto’s van een stapel paspoorten.

b. Op de Facebook pagina [naam facebook pagina] wordt eiseres in april 2018 verkozen tot

“specialist van de maand” met haar bedrijf in visa services. Dit staat beschreven in een post

van 15/05/2018.
c. Op 17/04/2018 schrijft [naam1] een post op Facebook. De heer [naam1] moet

naar Rusland en weet niet hoe hij met spoed een visum moet regelen. [naam2]

reageert op dit bericht: “You dont need any invitation. All you need is a medical insurance,

pasport and a new photo (and also money of course;)). [eiseres] made a visum to my husband in 3 days.” Eiseres reageert hierop als volgt: “Hello if your passport

tomorow will be with me, on your hands, then next Wednesday 25-4 it will be ready with a visa, but you will have to take it yourself, since I’m 20-4 flying to Moscow, let him write in

a personal.”

d. Op de Facebook pagina van eiseres wordt ook nog een website [domeinnaam] genoemd.
Op de pagina van die website staat het volgende beschreven:“[bedrijfsnaam] is opgericht door [eiseres]. Door onze kleinschaligheid en goede contacten met consulaat zijn wij in staat snel en gegarandeerd een Russische visum voor u regelen. Ook voor grote groepen. Neem vrijblijvend contact met ons op voor meer informatie”.

De prijzen, die gevraagd worden voor het regelen van een visum, variëren van € 225,- tot
€ 375,-. Op de contactpagina van de website staat als telefoon/Whatsapp nummer
[telefoonnummer] vermeld, dat is het telefoonnummer dat eiseres aan Orionis heeft doorgegeven als het nummer waarop zij telefonisch bereikbaar is.

e. Eiseres heeft een profiel aangemaakt op Linkedin, waarbij een foto van haarzelf is geplaatst. Zij geeft hier aan directeur te zijn van [bedrijfsnaam] en sinds augustus 2008 deze werkzaamheden te verrichten. De beschrijving op Linkedin luidt als volgt (vertaling vanuit het Russisch): “Diensten in de formulering van visa in de Russische Federatie voor de Europese Unie en staatlozen, meer dan 10 jaar op de visummarkt. Het verstrekken van visa in de kortst mogelijke tijd”.
f. Op of omstreeks 11 februari 2019, de dag van de ontvangst van de e-mail van [naam schoonzoon], is de Facebook-pagina van eiseres van internet verwijderd en is de website [domeinnaam].nl uit de lucht verdwenen.

4.4

De rechtbank is van oordeel dat de onder 4.3 weergegeven onderzoeksresultaten een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van Orionis dat eiseres zich in de beoordelingsperiode bezig heeft gehouden met een eigen bedrijf ([bedrijfsnaam]) en in dat kader op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht.

Aan de hierboven onder 3.2 vermelde verklaring van [naam schoonzoon] dat [bedrijfsnaam] nooit verder is gekomen dan een marktonderzoek en een website gaat de rechtbank voorbij, gelet op de hoeveelheid informatie vermeld onder 4.3. die op het tegendeel wijst.

Dat eiseres, naar zij stelt, geen inkomsten heeft ontvangen, staat haaks op de online vermelde prijzen. Verder betekent dit niet dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Uit vaste rechtspraak van de hoogste rechter in bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), blijkt immers dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die activiteiten worden verricht en ongeacht of uit die activiteiten daadwerkelijk inkomsten worden genoten (zie bijvoorbeeld recent de uitspraak van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB: 2020:825). Voor de verlening van bijstand is volgens de CRvB niet alleen van belang het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover betrokkene redelijkerwijs kan beschikken.

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de activiteiten niet heeft gemeld bij Orionis. Zij had dit echter wel moeten doen, omdat zoals onder 4.4 is overwogen het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn. Eiseres heeft de inlichtingenplicht hierdoor geschonden (daarnaast is overigens ook nog sprake van schending van de inlichtingenplicht omdat eiseres haar buitenlandse reizen niet aan Orionis heeft gemeld).
4.6 Schending van de inlichtingenverplichting is een rechtsgrond om de bijstandsuitkering in te trekken wanneer door die schending niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Betrokkene moet dan aannemelijk maken dat zij over de beoordelingsperiode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad, wanneer zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan.

4.7

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dat niet aannemelijk kunnen maken. Eiseres heeft van haar activiteiten voor [bedrijfsnaam] geen administratie, boekhouding of andere objectieve en controleerbare bewijsstukken overgelegd waaruit valt af te leiden welke omvang de werkzaamheden hadden en hoe hoog de inkomsten daaruit zijn geweest. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of zij over de beoordelingsperiode (gedeeltelijk) recht had op een uitkering, ook niet schattenderwijs. Orionis was daarom gehouden de bijstand over die periode in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van eiseres.

4.8

Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen de berekening van het teruggevorderde bedrag. Wel heeft zij een beroep gedaan op dringende redenen op grond waarvan Orionis van terugvordering zou moeten afzien. De terugvordering brengt haar in een uitzichtloze financiële situatie. Zij heeft inmiddels weer een bijstandsuitkering, maar is niet in staat het teruggevorderde bedrag te voldoen.

4.9

Dringende redenen doen zich volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie opnieuw de hierboven onder 4.4 vermelde uitspraak van de CRvB van 31 maart 2020) alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is.

4.10

Wat eiseres heeft aangevoerd vormt geen dringende reden als bedoeld onder 4.9. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich verder in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij heeft eiseres als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De beslagvrije voet is dat deel van het inkomen waarop geen beslag kan worden gelegd en wat iemand altijd moet overhouden om van te kunnen leven, ook als er schulden moeten worden afbetaald. Met deze beslagvrije voet moet het college ook rekening houden bij de invordering van de te veel betaalde bijstand of bij het vaststellen van een betalingsregeling.
4.11 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel en behoeft daarom geen verdere bespreking. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 3 november 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

*griffier rechter


De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.