Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7045

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
AB- 19_4457
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZORG

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4457 ZORG

uitspraak van 30 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 28 mei 2019 (primair besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen eiseres meegedeeld dat [naam partner] geheel 2017 meetelt als toeslagpartner bij de berekening van haar toeslagen.

In een besluit van 27 juli 2019 (bestreden besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 19 augustus 2020.

Hierbij waren aanwezig eiseres en mr. A.R. Sheichot namens de Belastingdienst/Toeslagen.

Overwegingen

1. Bij voorschotbeschikking van 28 december 2016 is aan eiseres een voorschot kindgebonden budget 2017 verleend van € 195,-. Dit is gebaseerd op een schatting van het inkomen van haar en haar echtgenoot.

Op 29 oktober 2017 heeft eiseres aan de Belastingdienst/Toeslagen een melding doorgegeven van scheiding van tafel en bed van de heer Huisman ingaande 1 november 2017.

Op 2 november 2017 heeft eiseres aan de Belastingdienst/Toeslagen een melding van verhuizing doorgegeven van [naam partner] per 1 november 2017.

Bij voorschotbeschikking van 29 december 2017 is aan eiseres een voorschot kindgebonden budget 2017 verleend van € 920,-.

Op 20 april 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen eiseres gevraagd om meer informatie te geven over de wijziging van haar partnerschap.

Bij reactie van 8 mei 2019 heeft eiseres aangegeven geen bewijsstukken te hebben van de wijziging van het partnerschap.

Op 23 mei 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen op basis van de verklaring van eiseres de wijziging van het partnerschap ongedaan gemaakt en is op 28 mei 2019 het primair besluit genomen, gevolgd op 27 juli 2019 door het bestreden besluit.

2. Tussen partijen is in geschil of de Belastingdienst/Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat [naam partner] geheel 2017 als de toeslagpartner van eiseres dient te worden aangemerkt.

3. Eiseres voert in beroep aan dat zij een melding heeft gedaan van de scheiding van tafel en bed en dat zij en [naam partner] apart zijn gaan wonen. Als [naam partner] als toeslagpartner wordt aangemerkt, betekent dit dat zij niet zelfstandig kan wonen. Eiseres stelt dat zij niet wist dat ze de echtscheiding bij de rechtbank moest aanvragen. Eiseres stelt niet te kunnen terug betalen, omdat zij maar net genoeg geld heeft om van te leven.

4. Het recht op en de hoogte van toeslagen is afhankelijk van de draagkracht van de belanghebbende. Ter bepaling van de draagkracht wordt het toetsingsinkomen van de belanghebbende en dat van de partner (hierna: toeslagpartner) in aanmerking genomen. Dit is geregeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De echtgenoot van de belanghebbende wordt als toeslagpartner aangemerkt op grond van artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Dat is slechts anders indien een verzoek tot echtscheiding, als bedoeld in artikel 1:150 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) dan wel een verzoek tot scheiding van tafel en bed, als bedoeld in artikel 1:169 van het BW, is gedaan en de echtgenoot in de Basisregistratie personen (Brp) niet meer op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven (artikel 5a, vierde lid, van de Awr).

Niet in geschil is dat eiseres in 2017, 2018 en het grootste deel van 2019 geen verzoek tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed in de hiervoor bedoelde zin heeft gedaan. Dat zij en haar echtgenoot niet op hetzelfde adres woonachtig waren, is onvoldoende om geen sprake meer te zijn toeslagpartners. De rechtbank begrijpt dat eiseres door de turbulente periode zich wellicht niet heeft verdiept in de betreffende regelgeving. Echter op de website van de Belastingdienst/Toeslagen was ook destijds duidelijk aangegeven wat eiseres moest doen om er voor te zorgen dat [naam partner] niet meer als toeslagpartner zou worden aangemerkt. Het niet inwinnen van voldoende informatie, hoe begrijpelijk dat gelet op de situatie misschien ook was, dient juridisch voor rekening en risico van eiseres te blijven.

Artikel 3 van de Awir is dwingendrechtelijk van aard, zodat afwijking hiervan niet mogelijk is en geen ruimte laat om rekening te houden met de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden.

Gelet hierop heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres en haar echtgenoot ook na 1 november 2017 toeslagpartners zijn, zodat bij de vraag of eiseres in aanmerking komt voor inkomensafhankelijke regelingen (toeslagen) zowel haar inkomen als dat van haar echtgenoot in aanmerking moeten worden genomen.

Voor zover eiseres nog een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, omdat zij voor
1 september 2018 aangifte inkomstenbelasting 2017 heeft gedaan waarbij zij heeft aangegeven nog niet te zijn gescheiden van [naam partner] , kan dit beroep niet slagen. Immers, in het systeem van bevoorschotting wordt in beginsel uitgegaan van de door de aanvrager overgelegde gegevens. Daarbij komt dat de Belastingdienst/Toeslagen ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Awir het voorschot kinderopvangtoeslag kan herzien, bijvoorbeeld naar aanleiding van een verzoek om wijziging of later gebleken feiten. Een eenmaal verstrekt voorschot kan dus worden gewijzigd. Verder vindt de controle op het recht op een toeslag pas na afloop van het berekeningsjaar plaats. Eerst dan wordt de toeslag berekend en definitief vastgesteld. Op grond van vaste rechtspraak van de hoogste rechter in toeslagzaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, vloeit uit artikel 16, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met het vijfde en zesde lid van de Awir, voort dat aan het verlenen van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:240).

Ter zitting is namens de Belastingdienst/Toeslagen ook uitgelegd waarom pas na een geruime tijd door de Belastingdienst/Toeslagen om nadere informatie is gevraagd, namelijk omdat echtscheidingsprocedures vaak langere tijd in beslag nemen en dat via de Brp automatisch een bericht wordt verkregen zodra de echtscheiding is uitgesproken.
De rechtbank kan deze uitleg volgen en billijken. Dat eerdere berichtgeving van de Belastingdienst/Toeslagen had kunnen leiden tot een lagere terugvordering voor eiseres, maakt dit niet anders.

5. Het bovenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 30 september 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.