Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7044

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_1091
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WGS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/1091 WGS


uitspraak van 4 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , wonende te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. C. van der Ent, advocaat te Breda

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 februari 2020 (bestreden besluit) van het college over het beëindigen van schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs).

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 29 juli 2020. Aanwezig waren eiser en drs. F. Kaloudis (kantoorgenoot van eisers gemachtigde) en voor het college [naam vertegenwoordiger college] .

Overwegingen

1. Feiten

Op 19 november 2018 heeft eiser een aanvraag schuldhulpverlening ingediend op grond van de Wgs. Op 2 januari 2019 heeft het college besloten om de aanvraag toe te wijzen.
Bij besluit van 2 mei 2019 (primair besluit) heeft het college besloten de schuldhulp-verlening te beëindigen.


Eiser heeft daar op 11 juni 2019 bezwaar tegen gemaakt.

Het college heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 18 februari 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Beroepsgronden

Eiser heeft aangevoerd dat het college niet heeft gemotiveerd waarom is besloten om de aanvraag te beëindigen. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat in een wettelijk schuldsaneringstraject een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule uit de Faillissementswet. Gelet op de situatie van eiser had het college die hardheidsclausule moeten toepassen. Eiser heeft namelijk verschillende betalingsregelingen getroffen en als gevolg daarvan kan hij niet het maximaal mogelijke bedrag aflossen op de vordering schadevergoedingsmaatregel. Het zal nog lang duren voordat die vordering volledig is afgelost en eiser opnieuw schuldhulpverlening aan kan vragen. Een schuldhulpverlenings-traject zou ertoe leiden dat de schulden sneller worden afgelost. De vordering schadevergoedingsmaatregel kan na afloop daarvan worden afbetaald. Dat is volgens eiser ook gunstiger voor het CJIB en voor de overige schuldeisers. Zijn persoonlijke en financiële situatie is de afgelopen jaren bovendien ook verbeterd en gestabiliseerd. Nakoming van de verplichtingen uit een schuldsaneringsregeling zullen dus gewaarborgd zijn.

3. Wettelijk kader

De van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.


4. Beoordeling

4.1 Ter beoordeling aan de rechtbank ligt de vraag voor of het college in redelijkheid de schuldhulpverlening aan eiser heeft kunnen beëindigen.


Waarom is de schuldhulpverlening beëindigd ?

4.2 Ter zitting heeft het college toegelicht dat de schuldhulpverlening is beëindigd op grond van artikel 3, derde lid, van de Wgs, omdat in het schuldenpakket van eiser een niet saneerbare vordering (schadevergoedingsmaatregel) van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van € 8.191,31 is aangetroffen. Wanneer een dergelijke vordering bestaat kan alleen een schuldhulpverleningstraject worden gestart, wanneer het CJIB akkoord gaat met het bevriezen van de vordering gedurende het traject. In dit geval heeft het CIJB aangegeven daar niet aan mee te willen werken. Gelet daarop staat de vordering aan het schuldhulpverleningstraject in de weg.


Heeft het college de schuldhulpverlening kunnen beëindigen ?

4.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de schuldhulpverlening van eiser in redelijkheid niet kunnen beëindigen op grond van artikel 3, derde lid, van de Wgs. Het college was daar op grond van dat artikel niet toe bevoegd. In die bepaling is aan het college de bevoegdheid toegekend om schuldhulpverlening te weigeren in het geval een persoon fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en die persoon in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd.
Die bepaling ziet dus uitsluitend op een weigering van schuldhulpverlening en niet op een, zoals in het geval van eiser, beëindiging van een al toegewezen aanvraag schuldhulpverlening. De beëindigingsgronden voor een lopende schuldhulpverlening zijn opgenomen in artikel 6 van de Beleidsregels Schuldhulpverlening Breda (de beleidsregels). Alleen al daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Kunnen de rechtsgevolgen in stand worden gelaten ?

4.4 De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. In artikel 6, onder c, van de Beleidsregels staat dat het college bevoegd is om een schuldhulpverleningstraject te beëindigen indien op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan betrokkene is toegekend, terwijl een andere beslissing zou zijn genomen indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college. Naar het oordeel van de rechtbank had het college de schuldhulpverlening in redelijkheid op grond van die bepaling mogen beëindigen. Ter zitting heeft het college namelijk toegelicht dat de niet saneerbare vordering pas na het toewijzen van de schuldhulpverlening bij het college bekend is geworden. Wanneer dat bekend zou zijn geweest ten tijde van de initiële besluitvorming, had dat meteen geleid tot een weigering van de schuldhulpverlening. De rechtbank stelt vast dat dit in overeenstemming is met het door de gemeenteraad van Breda vastgestelde “Meerjarenplan schuldhulpverlening”1, waarin staat dat voor een schuldhulpregeling is vereist dat alle schuldeisers bereid zijn om mee te werken en dat een niet saneerbare vordering in de weg kan staan aan schuldhulpverlening.

De rechtbank is verder van oordeel dat het


5. Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal het college ook veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.
Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,‑ en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.100,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 4 september 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wettelijk kader

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs)

Artikel 1 van de Wgs definieert ‘schuldhulpverlening’ als: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.

In artikel 2, eerste lid, van de Wgs staat: De gemeenteraad stelt een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Het tweede lid voegt daar aan toe dat het plan telkens voor een periode van ten hoogste vier jaren wordt vastgesteld. In het derde lid staat dat het plan de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid bevat betreffende integrale schuldhulpverlening en het voorkomen dat personen schulden aangaan die ze niet kunnen betalen.

In artikel 3, derde lid, van de Wgs staat: Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en die persoon in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd.

Beleidsregels Schuldhulpverlening Breda (beleidsregels)

Onverminderd de overige bepalingen in deze beleidsregels, kan het college op grond van artikel 6 van de beleidsregels besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening indien:

  1. het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgerond;

  2. de schuldenaar zijn beschikbare aflossingscapaciteit niet wil gebruiken voor de aflossing van schulden;

  3. op grond van – zo later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening aan betrokkene is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;

  4. belanghebbende zich ten opzichte van de medewerkers, belast met werkzaamheden die voortkomen uit het schuldhulpverleningstraject, misdraagt;

  5. de schuldenaar in staat is om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;

  6. de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar, niet (langer) passend is;

  7. indien de schuldhulpverlening door het college niet langer noodzakelijk wordt geacht.

Het college kan op grond van artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregels in zeer bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze regeling, indien onverkorte toepassing daarvan aanleiding geeft of zou leiden tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid. Het tweede lid voegt daar aan toe: in gevallen waarin deze regeling niet voorzien, beslist het college.

1 Pagina 10, paragraaf 2.2. van het Schuldhulpverleningsplan.