Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7039

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_181
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ZW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/181 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. F.Ergec,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (UWV, kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2019 (primair besluit) heeft het UWV eiser hersteld verklaard en zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 14 oktober 2019.

Bij besluit van 10 december 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van de rechtbank op 20 augustus 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en mr. N. Regragui namens het UWV.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is werkzaam geweest als machineschoonmaker voor 9 uur per week. Vervolgens heeft het UWV eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit die situatie heeft eiser zich op 17 september 2018 ziekgemeld in verband met vermoeidheidsklachten, forse keelpijn en hoofdpijn door de ziekte van Pfeiffer.

Het UWV heeft eiser met ingang van 21 september 2018 een ZW-uitkering toegekend.

Bij besluit van 25 januari 2019 heeft het UWV eiser hersteld verklaard en de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 4 februari 2019.

Op 1 april 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Bij besluit van 13 juni 2019 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en gesteld dat de ZW-uitkering onterecht is beëindigd.

Bij het primaire besluit (van 15 oktober 2019) heeft het UWV eiser hersteld verklaard en de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 14 oktober 2019.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. In geschil is of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft

beëindigd per 14 oktober 2019.

3. De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).

Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.

Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft, wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan: de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid (artikel 19, vijfde lid, van de ZW).

4. De rechtbank stelt vast dat het werk als schoonmaker van machines als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt.

5. Het bestreden besluit is gebaseerd op rapportages van een arts onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

5.1

Primaire arts L.C. Waaijer heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur van 9 oktober 2019. Zij heeft op 15 oktober 2019 gerapporteerd dat de energetische klachten van eiser eerst leken te verbeteren, maar weer toenamen na een gebeurtenis in de privésfeer. Na opnieuw een periode van verbetering, waarbij eiser sport- en schoolactiviteiten oppakte, namen de klachten richting het einde van het schooljaar opnieuw toe, samenhangend met schoolomstandigheden. Deze periode viel ongeveer samen met de Ramadan. Sinds de Ramadan heeft eiser niet meer gesport. Het is aannemelijk dat eiser nog energetische belemmeringen ervaart, maar deze belemmeringen zijn niet van die mate dat daaruit arbeidsongeschiktheid voor de maatgevende functie van machineschoonmaker voor 8-9 uur per week volgt. Uit het dagverhaal blijkt dat eiser gemiddeld 20-25 uur per week naar school gaat en daarnaast in de avonduren en in het weekend nog activiteiten onderneemt. Deze uren zijn te vervangen door betaalde arbeid. Dat eiser door zijn schoolbezigheden geen energie overhoudt om te participeren in betaalde werkzaamheden is geen argument voor arbeidsongeschiktheid, maar is een persoonlijke afweging die eiser zelf dient te maken. Het werk van eiser biedt gezien de omvang van 8-9 uur per week voldoende recuperatiemogelijkheden, waarbij het vroege opstaan op één dag per week mogelijk moet zijn. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat het ziekteproces dusdanig is dat eiser voldoende belastbaar is om de maatgevende arbeid te hervatten. De beperkingen die bij onderzoek kunnen worden vastgesteld zijn dusdanig verminderd dat er geen medisch objectiveerbare belemmering meer bestaat om dit werk te verrichten.

Verzekeringsarts b&b C.H.C. Lemmers heeft het dossier bestudeerd en de hoorzitting op 21 november 2019 bijgewoond. Hij heeft op 22 november 2019 gerapporteerd dat hij de visie van de primaire arts deelt en hij ziet geen medische bezwaren tegen het hervatten van de maatgevende arbeid. Eiser is zijns inziens behoorlijk actief op micro, meso en macro niveau, rijdt auto, gaat regelmatig naar school en heeft betekenisvolle contacten met zijn ouders. Van een rouwproces na het overlijden van zijn vriend kan wel sprake zijn, maar Lemmers ziet geen tekenen van pathologische rouw. De verzekeringsarts b&b acht het opvallend dat afwezigheid uit het arbeidsproces niet heeft geleid tot klachten reductie. Hij acht het hervatten van de scholings- en arbeidsrol en het sterk vasthouden aan een regulier werk- en schoolritme juist herstel bevorderend werken.

5.2

Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de gezondheidsklachten en de medische beperkingen zijn toegenomen. Hij heeft psychische en lichamelijke problemen als gevolg van de ziekte van Pfeiffer. De psychische klachten zijn toegenomen nadat hij op 9 januari 2019 een goede vriend verloor door een verkeersongeval. Daarnaast zijn meer zaken niet goed gegaan in zijn leven, zoals zijn managementopleiding die hij nog niet heeft kunnen afronden en niet kan voortetten. Eiser verzoekt een nader medisch onafhankelijk onderzoek.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de artsen van het UWV blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, zowel de psychische klachten als de vermoeidheidsklachten. Verder hebben die artsen voldoende gemotiveerd waarom zij van mening zijn dat eiser geschikt is zijn eigen arbeid te verrichten. De informatie die eiser in beroep heeft overgelegd geeft geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de UWV-artsen. De ter zitting nog overgelegde informatie met schoolresultaten maakt dit niet anders. Die informatie zegt immers niets over de medische situatie en de schoolresultaten kunnen niet afdoen aan de medische rapportages uit 2019.

De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de artsen van het UWV. Om deze reden zal de rechtbank het verzoek om een nader medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige dan ook niet inwilligen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per 14 oktober 2019.

6. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.