Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7011

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5386
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5386

uitspraak van 28 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser (gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 februari 2019 (hierna: bestreden besluit) inzake beslissingen op verzoeken om handhavend op te treden tegen rookoverlast, geluidsoverlast en illegale bouwwerken op het perceel van zijn buurman.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 juli 2020.

Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Jansen.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd met twee weken.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Eiser is eigenaar van, en woont op, het perceel [Adres] te [plaatsnaam] (kadastraal bekend als gemeente Westland, [kadastrale gegevens] , nummer [kadastrale gegevens] ). Dit perceel is te bereiken via een doodlopend pad dat aansluit op een doorgaande weg met twee rijbanen (hierna: pad). De doorgaande weg staat plaatselijk bekend als [plaatselijke naam doorgaande weg] .

1.2.

[naam buur] en [naam buur 2] zijn eigenaren van, en wonen op, het perceel [adres 2] te [plaatsnaam] (kadastraal bekend als gemeente Westland, sectie [kadastrale gegevens 2] ). Ook dit perceel is via het pad te bereiken.

1.3.

Het pad is deels gesitueerd op de percelen [kadastrale gegevens 3] en [kadastrale gegevens 2] ( [adres 2] ) en deels op perceel [kadastrale gegevens] ( [Adres] ). Het pad fungeert als in- en uitrit voor de woningen met de huisnummers [Adres] (eiser) en [adres 2] ( [naam buur] en [naam buur 2] ) aan de noordzijde en voor de woning met huisnummer [adres 3] aan de zuidzijde. Het pad wordt ook gebruikt door derden – zoals vrienden, postbodes en maaltijdbezorgers – die één van de zojuist bedoelde woningen willen bereiken.

1.4.

Tussen perceel [adres 2] en de doorgaande weg ligt een ventweg (die wordt gebruikt voor langzaam verkeer) en een strook grond (die wordt gebruikt voor het kweken van gewassen).

1.5.

De percelen [Adres] en [adres 2] grenzen aan elkaar. Eiser is dus de buurman van [naam buur] en [naam buur 2] .

1.6.

Op perceel [adres 2] staat een woning. Het betreft een langwerpig gebouw waarvan de lange zijde (de zuidgevel) is gekeerd naar het pad, en de korte zijde (de oostgevel) naar de doorgaande weg, [plaatselijke naam doorgaande weg] . De woning is met een schuur verbonden aan de woning van eiser op het perceel [Adres]

1.7.

Op perceel [adres 2] staan ook andere bouwwerken. Het gaat om twee met elkaar verbonden vogelhokken, twee aangebouwde bijgebouwen, een vrijstaande berging, een schutting en een veranda. Op het platte dak van één aangebouwd bijgebouw staat een pijp die fungeert als afvoerkanaal van de daar geplaatste houtkachel annex haard. In de kooien worden diverse vogels gehouden. De zojuist bedoelde objecten worden hierna gezamenlijk aangeduid als: bouwwerken.

1.8.

Eiser ervaart overlast van (het gebruik van) de bebouwing op perceel [adres 2] . Het gaat met name om:

- rook en roet- en stofdeeltjes die vrijkomen door het gebruik van één of meer houtkachels;

- het geluid van vogels; en

- bouwwerken die het zicht op het pad belemmeren.

Procedure

2.1.

In drie afzonderlijke brieven van 5 april 2018 heeft eiser aan verweerder gevraagd om handhavend op te treden tegen de zojuist aangeduide situaties. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder onderzoek door een gemeentelijke toezichthouder laten verrichten, wat heeft geresulteerd in een rapportage gedateerd 25 juli 2018. Bij deze rapportage zijn diverse foto’s en kaartjes gevoegd.

2.2.

Bij besluit van 27 juli 2018 (hierna: primair besluit) heeft verweerder geen van de drie handhavingsverzoeken toegewezen, met de kanttekening dat hij wel wil optreden tegen de aanwezigheid van een schutting op de grens tussen de percelen [adres 2] en [Adres] Daartoe heeft verweerder, kort gezegd, aangevoerd dat hij slechts bevoegd is om tegen de schutting handhavend op te treden.

2.3.

Eiser heeft bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder nader onderzoek laten verrichten, wat heeft geresulteerd in een rapportage gedateerd 19 september 2018. Ook bij deze rapportage zijn diverse foto’s en kaartjes gevoegd.

2.4.

Het bezwaar is behandeld door de daarvoor bestemde adviescommissie, die op

27 november 2018 heeft geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Volgens de commissie is het primaire besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en beschikt verweerder wel over de bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de situaties die eiser in diens verzoeken van 5 april 2018 heeft genoemd.

2.5.

Vervolgens heeft verweerder nog meer onderzoek laten verrichten, wat heeft geresulteerd in rapportages gedateerd 4 januari 2019, 11 januari 2019 en 1 februari 2019. Bij deze rapportages zijn eveneens diverse foto’s en kaartjes gevoegd.

2.6.

Op basis van de zojuist bedoelde rapportages heeft verweerder – in afwijking van het op 27 november 2018 uitgebrachte advies – het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, zo leert het bestreden besluit. Verweerder blijft van mening dat hij niet handhavend mag optreden tegen de situaties die eiser in diens verzoeken van 5 april 2018 heeft genoemd.

Omvang van het geschil

3.1.

Eiser staat op het standpunt dat verweerder was en is gehouden om zijn verzoeken van 5 april 2018 toe te wijzen, door aan [naam buur] en/of [naam buur 2] lasten onder dwangsom of onder bestuursdwang op te leggen teneinde:

- de rook en de roet- en stofdeeltjes wegens het gebruik van één of meer houtkachels van [naam buur] en [naam buur 2] (hierna: houtkachels) te verminderen;

- het geluid van de vogels op perceel [adres 2] te beperken; en

- de in overweging 1.7 van deze uitspraak aangeduide bouwwerken te verwijderen en verwijderd te houden.

3.2.

Eiser berust in de beslissing van verweerder om niet handhavend op te treden tegen het geluid van de vogels, zo heeft zijn gemachtigde ter zitting uitdrukkelijk verklaard.

3.3.

Eiser betoogt, kort gezegd, dat dat het Bouwbesluit 2012 (hierna: Bouwbesluit) handvatten biedt om de rook- en stofoverlast te verminderen en dat voor de aanwezigheid van de bouwwerken een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is vereist maar niet verleend.

3.4.

Eiser wil dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit vernietigt en verweerder veroordeelt tot vergoeding van de proceskosten die tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure zijn gemaakt. Verder verzoekt eiser de rechtbank om te bepalen dat verweerder te laat op zijn bezwaar heeft beslist en om die reden dwangsommen heeft verbeurd.

Wettelijk kader

4. De tekst van de wettelijke voorschriften die in deze uitspraak worden genoemd, is te vinden in de bijlage die bij deze uitspraak behoort.

Houtkachels

5. Dit deel van het geschil heeft betrekking op de vraag of het gebruik van houtkachels op het perceel [adres 2] voor eiser als gebruiker van het perceel [Adres] zoveel overlast – in de vorm van rook, roet, walm en/of stof – veroorzaakt, dat strijd ontstaat met artikel 7.22 van het Bouwbesluit.

Kachelpijpen

6.1.

Verweerder heeft gesteld en onderbouwd dat alle op perceel [adres 2] aanwezige kachelpijpen voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit daaraan stelt. Eiser heeft volstaan met een, welbeschouwd, ongemotiveerde betwisting van die stelling. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat het Bouwbesluit geen grondslag biedt om handhavend op te treden tegen één of meer van de zojuist bedoelde kachelpijpen. Hierbij betrekt zij nog het volgende.

6.2.

Eiser verwijst naar de artikelen 2.59 en 3.51 van het Bouwbesluit, maar de daar geformuleerde eisen gelden slechts voor nieuwbouw.

6.3.

Artikel 3.59 van het Bouwbesluit geldt voor bestaande situaties. Die bepaling beoogt echter slechts de belangen van de gebruikers van houtkachels, en niet tevens die van omwonenden, te beschermen. Dit betekent dat eventuele strijd met artikel 3.59 van het Bouwbesluit – waarvan dus niet is gebleken – niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

6.4.

De beroepsgrond slaagt niet.

Overlast

7.1.

Partijen zijn het erover eens – en de rechtbank constateert – dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit onder omstandigheden een grondslag biedt voor handhavend optreden tegen het gebruik van houtkachels.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder (de heroverweging van) de beslissing om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van één of meer houtkachels op perceel [adres 2] , voldoende zorgvuldig voorbereid. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

7.3.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende en op verkeerde momenten heeft gecontroleerd. De rechtbank stelt vast dat eiser op zichzelf terecht stelt dat het op 25 juli 2018 uitzonderlijk warm was en dat het geen verbazing kan wekken dat op perceel [adres 2] toen geen houtkachels werden gestookt. De procedure bij de rechtbank gaat echter over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en daarmee over de wijze waarop dit besluit is voorbereid. De rechtbank moet dan ook nagaan wat verweerder op 18 februari 2019 heeft gedaan, of laten doen, om te bepalen of artikel 7.22 van het Bouwbesluit een geldige grondslag voor handhavend optreden tegen [naam buur] en/of [naam buur 2] zou kunnen vormen.

7.4.

Vervolgens constateert de rechtbank – onder verwijzing naar overweging 2 van deze uitspraak – dat verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit op diverse data en uiteenlopende tijdstippen onderzoek heeft laten verrichten door gemeentelijke toezichthouders en dat van die onderzoeken in rapportages verslag is gedaan. Op geen van deze data is vermeld dat er sprake was van rook(overlast). De rechtbank neemt dan ook aan dat er op deze momenten dus geen rook is geconstateerd. Van het op hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof verspreiden in de zin van artikel 7.22 van het Bouwbesluit was dus geen sprake. Eiser heeft gesteld dat verweerder had kunnen verzoeken om de kachel aan te zetten om zo te controleren hoe het met de rookontwikkeling is ten opzichte van het perceel van eiser. Verweerder heeft terecht gesteld dat de toezichthouders vrijheid hebben om de manier van controle te bepalen. Naar het oordeel van de rechtbank is de gehanteerde methode om overmatige hinder vast te stellen niet ontoereikend. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser op de gemaakte rapportages – die als op de zaak betrekking hebbende stukken onderdeel van het procesdossier vormen – heeft kunnen reageren. Al met al is de rechtbank van oordeel dat verweerder ter voorbereiding van het bestreden besluit redelijkerwijs niet meer actie had hoeven te ondernemen dan hij tussen 25 juli 2018 en 1 februari 2019 heeft gedaan.

7.5.

In aansluiting hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder op 18 februari 2019 – toen hij het bestreden besluit nam – uit de diverse rapportages mocht concluderen dat eiser geen onevenredige last ondervond van het gebruik van de houtkachels, en dat dit gebruik voor eiser en/of zijn huisgenoten niet schadelijk is.

7.6.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder het verzoek om handhavend optreden tegen het gebruik van de houtkachels mocht afwijzen op grondslag van de in het bestreden besluit gegeven motivering. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat verweerder – na kennisneming van op 27 november 2018 uitgebrachte advies – nog aanvullend onderzoek naar de situatie op en rond perceel [adres 2] heeft laten verrichten. Bezien vanuit die invalshoek, valt niet staande te houden dat verweerder de opvatting van de bezwaaradviescommissie geheel heeft genegeerd.

7.7.

De beroepsgrond slaagt niet.

Bouwwerken

8. Eiser heeft gesteld dat meerdere bouwwerken ten onrechte zonder omgevingsvergunning zijn opgericht. Verweerder stelt dat voor deze bouwwerken geen omgevingsvergunning nodig is omdat zij vergunningvrij zijn omdat deze zijn gelegen in het achtererfgebied. Dit deel van het geschil spitst zich dus toe op de vraag of de bouwwerken zijn gesitueerd op een achtererfgebied als bedoeld 1 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor), bezien in samenhang met de artikelen 2 en 3 van deze bijlage (hierna: Bijlage), artikel 2.3 van het Bor en artikel 2.1 van de Wabo.

Achtererfgebied

9.1.

Om de begrenzing van het achtererf op perceel [adres 2] te kunnen bepalen, moeten drie vragen worden beantwoord. Ten eerste: welk gebouw is het belangrijkste gebouw op perceel [adres 2] ? Ten tweede: welk aan perceel [adres 2] grenzend terrein kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied? Ten derde: welke gevel van het hoofdgebouw kan worden aangemerkt als voorgevel in de zin van artikel 1 van de Bijlage?

9.2.

Buiten twijfel staat dat de woning het belangrijkste gebouw op perceel [adres 2] is, gelet op de bouwmassa, de uitstraling en het gebruik ervan.

Verweerder stelt dat de korte zijde van de woning (de oostgevel) de voorgevel is, terwijl eiser stelt dat de lange zijde (de zuidgevel), die is gekeerd naar het pad, de voorgevel is. Eiser stelt dat het pad kwalificeert als openbaar toegankelijk gebied.

9.3.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1 van de Bijlage moet worden afgeleid dat het begrip ‘openbaar toegankelijk’ een feitelijke en geen juridische betekenis heeft. Dit betekent dat de juridische status van het pad niet doorslaggevend is bij de beantwoording van de vraag of dit stuk grond kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied. Het antwoord op de vraag of het pad een openbare weg (in de zin van de Wegenwet) is, heeft dan ook minder betekenis dan partijen lijken te veronderstellen. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag of het pad een voor het openbaar verkeer openstaande weg (in de zin van de Wegenverkeerswet 1994) is.

9.4.

Op het eerste oog manifesteert het pad zich als een weg waarvan iedereen vrijelijk gebruik kan maken, mede omdat bordjes als ‘eigen weg’ en ‘toegang verboden’ ontbreken. Bij nader inzien gaat het echter om een ruim uitgevallen in- en uitrit, omdat al snel duidelijk is dat het pad slechts leidt naar drie woningen. Daarom wordt het pad niet gebruikt door relatief veel personen die er zonder duidelijke reden komen, maar slechts door een beperkt aantal personen met een specifiek doel. Hierbij moet worden bedacht dat de hoofdgebouwen op de percelen [Adres] , [adres 2] en [adres 3] geen publieke, medische, maatschappelijk en/of religieus getinte functie hebben. Het gaat om woningen die elk door slechts één huishouden worden gebruikt. Verweerder heeft dus terecht gesteld dat het pad uitsluitend is bedoeld om de percelen te ontsluiten die aan het pad liggen.

9.5.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat het pad niet kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied in de zin van artikel 1 van de Bijlage. Buiten twijfel staat echter dat de doorgaande weg ( [plaatselijke naam doorgaande weg] ) wèl kan worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied in de zin van artikel 1 van de Bijlage.

9.6.

In aansluiting hierop is de rechtbank van oordeel dat niet (zoals eiser betoogt) de lange zuidgevel langs het pad, maar (zoals verweerder stelt) de korte oostgevel parallel aan [plaatselijke naam doorgaande weg] moet worden aangemerkt als voorgevel in de zin van de Bijlage. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat de hoofdgebouwen op de percelen [Adres] (eiser), [adres 2] ( [naam buur] en [naam buur 2] ) en [adres 3] min of meer in één lijn langs deze doorgaande weg zijn geprojecteerd. De omstandigheid dat verweerder in het verleden is uitgegaan van een andere definitie van achtererf doet hier niet aan af. Verweerder is niet gehouden in deze procedure vast te houden aan een foute uitleg van de regels van de ruimtelijk ordening in het verleden.

9.7.

De beroepsgrond slaagt niet.

Vergunningplicht?

10.1.

Op basis van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verreweg de meeste bouwwerken zijn gesitueerd op een achtererfgebied als bedoeld in artikel 1 van de Bijlage.

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ heeft aan perceel [adres 2] de bestemming ‘Wonen’ gegeven. Buiten twijfel staat dat het gebruik van de bouwwerken past binnen de grenzen die de planregels aan gronden met de bestemming ‘Wonen’ stelt. Dit betekent dat voor de aanwezigheid van de bouwwerken geen omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan (artikel 2.1, onder c, van de Wabo) is vereist. Niet in geschil is, en ook de rechtbank stelt vast dat, de gebouwen, met uitzondering van een deel van de schutting, voldoen aan de voorwaarden voor vergunningvrije bouwwerken die zijn omschreven in artikel 2 en artikel 3 van de Bijlage.

10.2.

Met verweerder stelt de rechtbank op basis van de gedingstukken vast dat een deel van de schutting hoger is dan de Bijlage toestaat. Voor de aanwezigheid van een deel van de schutting is dan ook een omgevingsvergunning vereist. Verweerder heeft dit onderkend en stelt in het primaire besluit dat hij daartegen handhavend zal optreden. Voorts stelt de rechtbank vast dat in het controlerapport van 25 juli 2018 is vastgesteld dat de veranda 40 cm achter de voorgevel is geplaatst en dus gelegen is in het voorerf, en dus in strijd is met vergunningvrij bouwen. Ten aanzien van de veranda heeft verweerder echter geen handhavingsbeslissing genomen.

10.3.

Eiser stelt terecht dat de wijze van handhaven ten aanzien van de schutting volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraak van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:219), niet is toegestaan. Uit artikel 7:11 van de Awb vloeit voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het besluit waartegen het bezwaar is gericht, niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan, behoudens in het (zich hier niet voordoende) geval waarin enkele herroeping van dat besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet stellen. Dit heeft verweerder nagelaten. Ook ten aanzien van de veranda heeft verweerder geen handhavingsbesluit genomen. Daarom kan het bestreden besluit op deze onderdelen niet in stand blijven.

10.4.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

11.1.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover dit strekt tot instandlating van de afwijzing van het verzoek tot handhavend optreden tegen de bouwwerken.

11.2.

De rechtbank ziet geen ruimte om het geschil definitief te beslechten, aangezien zij niet beschikt over voldoende kennis van de relevante feiten en af te wegen belangen die nodig is voor een juridisch houdbaar antwoord op de vraag of verweerder ‘toch’ niet tegen aanwezigheid van de schutting en veranda hoeft op te treden.

11.3.

De rechtbank ziet evenmin ruimte voor toepassing van de zogeheten ‘bestuurlijke lus’, door verweerder de gelegenheid te bieden om het in overweging 10.3 van deze uitspraak te herstellen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de uitkomst van de te plegen heroverweging nog onvoorspelbaar is, mede nu de standpunten van [naam buur] en [naam buur 2] in dezen onbekend zijn.

11.4.

Het vorenstaande betekent dat verweerder wederom moet beslissen op het bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op de weigering van verweerder om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de schutting en veranda, met inachtneming van wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen. Verweerder krijgt hiervoor twaalf weken de tijd, te rekenen vanaf de datum waarop deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

Dwangsommen wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar?

12.1.

Eiser heeft nog gesteld dat te laat op het bezwaar is beslist, en hieraan de conclusie verbonden dat verweerder om die reden dwangsommen heeft verbeurd.

12.2.

Eiser stelt op zichzelf terecht dat verweerder voor de heroverweging van het primaire besluit meer tijd heeft benut dan artikel 7:10 van de Awb toestaat. Daarmee is echter niet gezegd dat verweerder ‘dus’ dwangsommen heeft verbeurd. Die situatie doet zich namelijk pas voor indien een belanghebbende een ingebrekestelling aan het bestuursorgaan heeft verzonden en het bestuursorgaan vervolgens meer dan twee weken wacht met het nemen van de gevraagde beschikking, zo vloeit voort uit artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

12.3.

Eiser heeft niet gewezen op de verzending van een ingebrekestelling aan verweerder, en de gedingstukken geven geen aanleiding tot het vermoeden dat zo’n document aan verweerder is verzonden. Daarom heeft verweerder in dit geval geen dwangsommen verbeurd. Een daartoe strekkende beslissing van de rechtbank blijft dan ook achterwege.

Griffierecht en proceskosten

13.1.

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet verweerder het voor de behandeling van dit geschil betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

13.2.

De rechtbank zal verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiser voor het voeren van deze procedure heeft gemaakt, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt deze kosten vast op een bedrag van € 1.050, wegens de rechtsbijstand die de gemachtigde van eiser heeft verleend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek om handhavend op te treden tegen de schutting en veranda;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- draagt verweerder op om – binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak aan partijen, en met inachtneming van deze uitspraak – nogmaals te beslissen op het bezwaar, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek om handhavend op te treden tegen de schutting en veranda;

- gelast verweerder om het voor de behandeling van dit beroep betaalde griffierecht, zijnde een bedrag van € 174, aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de tijdens dit beroep gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 1.050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M. Koenraad, griffier op 28 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 3:2

Artikel 3:2 luidt als volgt:

“Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.”

Artikel 4:17

Artikel 4:17, derde lid, luidt als volgt:

“De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”

Artikel 7:10

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, beslist het bestuursorgaan dat gebruik maakt van een externe bezwaaradviescommissie (in de zin van artikel 7:13, eerste lid), binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Artikel 7:10, tweede lid, geeft aan onder welke voorwaarden de termijn voor het beslissen op bezwaar wordt opgeschort.

Artikel 7:10, derde en vierde lid, verschaft het bestuursorgaan de bevoegdheid tot verlenging van de termijn voor het beslissen op bezwaar, mits aan enige nader omschreven voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 7:11

Artikel 7:11, eerste lid, luidt als volgt:

“Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.”

Artikel 7:11, tweede lid, luidt als volgt:

“Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.”

Artikel 7:12

De eerste volzin van artikel 7:12, eerste lid, luidt als volgt:

“De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.”

Artikel 8:69a

Artikel 8:69a luidt als volgt:

“De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.”

Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit)

Artikel 3.59

Artikel 3.59 luidt als volgt:

“1. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht en een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van meer dan 130 kW hebben een zodanige capaciteit, dat de verbranding doeltreffend kan plaatsvinden.

2. Een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft ten minste de volgens tabel 3.50.1 benodigde capaciteit, bepaald volgens NEN 8087.

3. Een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een verbrandingstoestel met een nominale belasting van niet meer dan 130 kW heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de met formule 3.50 bepaalde normaalvolumestroom van het rookgas.

4. In afwijking van het derde lid heeft een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel met ventilator en een nominale belasting van niet meer dan 130 kW, een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.

5. Een combinatie luchttoevoer- verbrandingsgasafvoersysteem heeft een volgens NEN 8757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rookgas en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.

6. Een combinatie van een voorziening voor de afvoer van rookgas met een voorziening voor de afvoer van binnenlucht heeft een volgens NEN 8757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de afzonderlijke voorzieningen.”

Artikel 7.22

Ingevolge artikel 7.22 – voor zover hier relevant – is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein handelingen te verrichten of na te laten, waardoor:

a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of

d. of ander gevaar wordt veroorzaakt.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning van een bestemmingsplan af te wijken.

Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Wabo kan bij algemene maatregel van bestuur – dit is het Besluit omgevingsrecht – worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 2.3

Artikel 2.3, eerste lid, van het Bor – voor zover hier relevant – bepaalt dat geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is vereist, voor de categorieën die zijn genoemd in artikel 3 van bijlage II.

Artikel 2.3, tweede lid, van het Bor – voor zover hier relevant – bepaalt dat geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is vereist, voor de categorieën die zijn genoemd in artikel 3 van bijlage II.

Bijlage II bij het Bor (Bijlage)

Artikel 1

Achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

Artikel 2

Volgens artikel 2, onder 3, van de Bijlage – voor zover hier relevant – is geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is vereist voor de realisering van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits dit bouwwerk voldoet aan de daar genoemde voorwaarden.

Artikel 3

Volgens artikel 3, onder 1, van de Bijlage – voor zover hier relevant – is geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is vereist voor de realisering van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits dit bouwwerk voldoet aan de daar genoemde voorwaarden.