Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7009

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_4751
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/4751 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. R.V. Paniagua,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 17 juni 2019 (primair besluit) heeft het UWV eiser desgevraagd een toeslag op zijn Wajong-uitkering toegekend (van bruto € 18,14 per dag exclusief vakantiegeld) met ingang van 21 mei 2018.

In het besluit van 26 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven om het beroep af te doen zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser ontving een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) van het UWV toen hij op 17 november 2016 meldde dat zijn leefsituatie was veranderd nu hij getrouwd of gelijkgesteld met getrouwd is met een partner.

Op 8 februari 2017 heeft eiser daarom een toeslag op grond van de Toeslagenwet aangevraagd.

Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het UWV die aanvraag afgewezen omdat eiser en zijn partner geen huishouden delen.

Tegen dat besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden.

Op 22 mei 2019 heeft eiser wederom een toeslag aangevraagd bij het UWV met als reden dat hij op 15 november 2016 is getrouwd met zijn partner.

Bij brief van 17 juni 2019 heeft het UWV eiser gevraagd aan te geven waarom hij niet als voorgeschreven binnen zes weken na 15 november 2016, maar pas op 22 mei 2019 om een toeslag wegens het op 15 november 2016 trouwen met een partner heeft gevraagd.

Bij het primaire besluit (van 17 juni 2019) heeft het UWV eiser een toeslag toegekend met ingang van 21 mei 2018.

Op 2 juli 2019 heeft het UWV eiser meegedeeld dat eiser zich weliswaar niet heeft gehouden aan de regels van de Wajong-uitkering en de toeslag, maar dat hij desondanks geen maatregel of waarschuwing krijgt opgelegd.

Op 12 juli 2019 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend bij het UWV tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het UWV de bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank staat voor het antwoord op de vraag of het UWV terecht heeft besloten niet méér terugwerkende kracht aan het toekennen van de toeslag aan eiser toe te kennen dan één jaar voorafgaand aan de aanvraag.

3. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de TW stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag vast of recht op toeslag bestaat. De aanvraag wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Ingevolge artikel 11, zevende lid, van de TW kan het recht op toeslag niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om toeslag werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van de vorige zin.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser eerst op 22 mei 2019 bij het UWV een aanvraag voor een toeslag heeft ingediend. Het UWV heeft met toepassing van artikel 11, zevende lid, van de TW de toeslag per 21 mei 2018 toegekend.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, om de aanvang van de toeslag eerder te doen ingaan dan één jaar voor de datum van de indiening van de aanvraag. Volgens eiser dient die toeslag te worden verleend per 15 november 2016.

5. Standpunt eiser

Eiser voert aan dat er bijzondere redenen zijn die vragen om toepassing van de (anti-) hardheidsclausule als bedoeld in artikel 11, lid 7, van de Toeslagenwet. Voorts is eiser van mening vanwege de gebrekkige motivering van het primaire besluit in ieder geval recht te hebben op een vergoeding van zijn kosten in bezwaar.

Verder is volgens eiser in het bestreden besluit evenmin duidelijk gemaakt waarom eiser niet zou kwalificeren voor een bijzonder geval waarvoor de (anti-) hardheidsclausule is bedoeld.

In dat verband wijst eiser er op al in 2017 om deze toeslag te hebben verzocht, maar onder de indruk van de deskundigheid bij het UWV, zich ten onrechte bij de weigering te hebben neergelegd. Hij heeft destijds nog telefonisch bij verweerder gevraagd of die afwijzing van de toeslag destijds wel goed was en kreeg toen de verzekering dat dat klopte.

Onder deze omstandigheden en nu vast staat dat het besluit destijds fout was, is het onredelijk hem nu te verwijten dat hij destijds geen rechtsmiddel had ingesteld. Daarbij is van belang dat eiser een Wajong-uitkering juist heeft vanwege zijn beperkte geestelijke vermogens. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 april 2008 (ECLI:NL:RBROE:2008:BD1947) en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van16 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA0921).

Daarbij stelt eiser bij gebreke van de toeslag met zijn gezin onder erbarmelijke omstandigheden te hebben moeten leven, mede omdat zijn zoon speciale voeding moest hebben vanwege een groeiachterstand. Die voeding was vaak te duur voor eiser, waardoor eiser nog schulden en betaalachterstanden heeft.

Omdat bij behoorlijke toetsing en motivering wel de beoogde terugwerkende kracht zou zijn toegepast acht eiser het bestreden besluit ook op formele gronden in aanmerking komen voor vernietiging.

6. Standpunt UWV

Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser in beroep geen nieuwe gronden heeft aangevoerd maar slechts de bezwaargronden heeft herhaald die in het bestreden besluit al zijn weerlegd.

7. Oordeel van de rechtbank

Eiser heeft zich gebaseerd op de door hem genoemde uitspraak van de CRvB van 16 maart 2007, waarin naar het oordeel van de CRvB sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 11, lid 7, van de Toeslagenwet. Eiser acht de situatie in die uitspraak vergelijkbaar met zijn situatie. Naar het oordeel van de rechtbank verschilt het in die uitspraak aan de orde zijnde geval echter van de onderhavige. In de aangehaalde uitspraak ligt vast dat appellante zich vanaf een bepaald moment verschillende malen nadrukkelijk heeft gewend tot het UWV zowel als tot de Gemeentelijke Sociale Dienst ondanks dat zij van het kastje naar de muur werd gestuurd. In het hier ter beoordeling voorliggende geval is niet gebleken dat na een telefoontje aan het UWV met het verzoek om toelichting van het besluit van 14 februari 2017 eiser verder vragen heeft gesteld die het UWV er toe hadden moeten aanzetten hem een nieuwe mogelijkheid voor een aanvraag van toeslag te moeten bieden, zodat eiser op een eerder moment dan nu een aanvraag had kunnen doen.

Eiser heeft daarnaast nog gewezen op zijn gebrekkige geestelijke vermogens, die er samen met de gestelde erbarmelijke omstandigheden toe zouden moeten leiden dat een bijzonder geval moet worden aangenomen als bedoeld in de tweede volzin van artikel 11, lid 7, van de Toeslagenwet. De beperking van eisers geestelijke vermogens is met niet meer onderbouwd dan een enkele verwijzing naar de aanleiding voor de eiser toegekende Wajong-uitkering.

In het besluit van 14 februari 2017 is de gevraagde toeslag afgewezen met de duidelijke motivering “omdat u en uw partner geen huishouden delen”. Zeker nu eiser daarover nog telefonisch contact heeft gehad met het UWV had hij naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval moeten kunnen beoordelen of die motivering correct was.

De omstandigheden die eiser verder heeft aangevoerd, zijn onderbouwd met de enkele stelling dat eiser te weinig geld had voor zijn gezin. Enkel die omstandigheid vormt geen reden die bij het onderzoek in het kader van de (anti-) hardheidsclausule uit artikel 11, lid 7, van de Toeslagenwet gewicht in de schaal kan leggen.

Voorts is de rechtbank niet gebleken dat eiser – zoals wel het geval was bij de eiseres in de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Roermond – kennelijk niet in staat was hulp van een derde in te roepen, voor taken die hem te moeilijk zouden zijn.

8. Onder deze omstandigheden heeft het UWV op juiste gronden onvoldoende reden gezien de terugwerkende kracht van de toegekende toeslag verder te laten teruggaan dan een jaar, gemeten vanaf de aanvraag. Nu ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

9. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.