Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:7008

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_6009 en 20_5112
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO15

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/6009 WMO15 en 20/5112 WMO15

uitspraak van 25 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , wonende te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen, advocaat te Roosendaal

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 7 mei 2019 (primaire besluit 1) heeft het college aan eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Begeleiding Thuis Plus toegekend in de vorm van zorg in natura voor de periode van 22 april 2019 tot en met 6 oktober 2019. Tegen dat besluit heeft eiser op 14 juni 2019 bezwaar gemaakt.

In het besluit op bezwaar van 17 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 21 november 2019 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd met procedurenummer 19/6009 WMO15.

In een besluit van eveneens 17 oktober 2019 (primaire besluit 2), dat is verzonden op
28 oktober 2019, heeft het college op grond van de Wmo 2015 aan eiser begeleiding in de vorm van Waakvlambegeleiding toegekend voor de periode van 15 juli 2019 tot en met
6 oktober 2019. Tegen dat besluit heeft eiser op 21 november 2019 bezwaar gemaakt bij het college. Omdat de rechtbank dit bezwaar heeft aangemerkt als een beroep in de zin van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is hieraan een apart procedure-nummer toegekend, namelijk 20/5112 WMO15.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn gelijktijdig besproken op de zitting van de rechtbank op 14 juli 2020.

Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [naam begeleidster] , die hem als vrijwilligster begeleidt. Namens het college waren [vertegenwoordiger verweerder] en mr. Y. Bons aanwezig.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser ontving vanaf 2015 individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015. De indicaties waren tijdelijk en in de vorm van zorg in natura.

De laatste indicatie voordat het primaire besluit 1 van 7 mei 2019 werd genomen, betrof begeleiding thuis plus in de vorm van zorg in natura voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 27 januari 2019 door [bedrijfsnaam] . De zorg werd feitelijk verleend door [naam zorgverlener] (hierna: [naam zorgverlener] ) van [bedrijfsnaam 2] als onderaannemer van [bedrijfsnaam] .

Eiser heeft zich op 29 november 2018 bij het college gemeld voor voortzetting van de indicatie.

De onderaannemingsovereenkomst van [bedrijfsnaam] met [bedrijfsnaam 2] / [naam zorgverlener] is geëindigd op 1 april 2019.

In het primaire besluit 1 heeft het college eiser over de periode van 22 april 2019 tot en met 6 oktober 2019 geïndiceerd voor begeleiding thuis plus in de vorm van zorg in natura door [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3] ).

Op 24 mei 2019 heeft eiser laten weten dat hij geen begeleiding meer wil ontvangen van [bedrijfsnaam 3] .

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit 1 en daarin laten weten dat hij een pgb wil om begeleiding in te kopen bij [naam zorgverlener] .

In een brief van 1 juli 2019 heeft het college aan eiser laten weten dat het team [naam team] met hem wil kijken naar een gecontracteerde zorgaanbieder die voor hem acceptabel is.

In het besluit op bezwaar van 17 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

In het primaire besluit 2 heeft het college aan eiser begeleiding toegekend in de vorm van Waakvlambegeleiding door middel van zorg in natura door [bedrijfsnaam 3] voor de periode van
15 juli 2019 tot en met 6 oktober 2019.

2. Standpunt van het college

Het college heeft in het bestreden besluit eisers bezwaren tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard. Volgens het college is er terecht zorg in natura toegekend. Eiser heeft voor het eerst in het bezwaar tegen het primaire besluit 1 aangegeven dat hij een pgb wil, maar dat is geen aanvraag. Verder heeft het college voor de toekomst bij wijze van overweging ten overvloede aangegeven waarom een eventuele aanvraag om een pgb zal worden afgewezen.

Het primaire besluit 2 is genomen omdat eiser geen gebruik maakte van de toegekende indicatie. Omdat [bedrijfsnaam 3] wel telefonisch met eiser contact heeft gehouden, wordt de indicatie afgeschaald naar Waakvlambegeleiding.

3. Standpunt van eiser

Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat hij het er niet mee eens is dat [bedrijfsnaam 3] is ingeschakeld. Het college heeft onvoldoende onderzocht hoe hij het beste geholpen kan worden. Er is geen sprake van maatwerk. Het college had eisers bezwaren tegen het primaire besluit 1 ook moeten opvatten als een aanvraag om een pgb. Het college stelt in het bestreden besluit dat eiser niet pgb-vaardig is, maar heeft dat niet onderzocht. Eiser wil met een pgb [naam zorgverlener] als niet-professionele zorgverlener inzetten. [naam zorgverlener] is hiertoe bereid. Eiser heeft de afgelopen jaren vooruitgang geboekt. Voor zover zijn doelen niet zijn behaald, betwist hij dat dit aan [naam zorgverlener] te wijten zou zijn.

Eiser voert tegen het primaire besluit 2 aan dat het college zonder onderzoek aan hem Waakvlambegeleiding heeft opgelegd. Ook hier is geen sprake van maatwerk.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1

Primair besluit 2

Eiser heeft in zijn bezwaar tegen het primaire besluit 2 aan het college gevraagd om in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb. De rechtbank had uit de brief van het college van 5 december 2019 begrepen dat het college daarmee had ingestemd, en daarom aan dit beroep een nieuw procedurenummer toegekend (20/5112 WMO15) en van eiser een griffierecht van € 47,00 geheven. Het college heeft de rechtbank in het verweerschrift van 12 maart 2020 echter laten weten dat er geen sprake is van rechtstreeks beroep tegen primair besluit 2, maar dat dit besluit moet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb waarmee het primaire besluit 1 is gewijzigd.

De rechtbank stelt vast dat met het primaire besluit 2 het primaire besluit 1 wordt gewijzigd over de periode van 15 juli 2019 tot en met 6 oktober 2019. Omdat in het bestreden besluit het primaire besluit 1 is gehandhaafd, is met het primaire besluit 2 ook het bestreden besluit over deze periode gewijzigd.

Het primaire besluit 2 moet dan ook worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Eisers beroep tegen het bestreden besluit heeft daarom ook betrekking op het primaire besluit 2, als eiser daarbij voldoende belang heeft.

4.2

Procesbelang

De rechtbank moet ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen. Daarvoor is van belang of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Eiser stelt dat hij procesbelang heeft, omdat hij voor de toekomst wil weten of hij aanspraak kan maken op een pgb voor begeleiding waarbij [naam zorgverlener] de begeleider zal zijn.

Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter in Wmo-zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een inmiddels verstreken periode, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel wanneer een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit, zoals dat gewijzigd is in het primaire besluit 2, gaat over de toekenning van de maatwerkvoorziening begeleiding in de vorm van zorg in natura over de periode van 22 april 2019 tot en met 6 oktober 2019. De periode waarover de maatwerkvoorziening is toegekend is dus afgesloten. Weliswaar heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank in zijn bezwaar tegen het primaire besluit 1 gevraagd om een pgb, maar het college heeft daarover niet beslist in het bestreden besluit zoals dat gewijzigd is in het primaire besluit 2. Verder heeft eiser vanaf eind mei 2019 geen gebruik meer gemaakt van de maatwerkvoorziening begeleiding en wordt hij sindsdien begeleid door een vrijwilligster. Gelet hierop heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 22 april 2019 tot en met 6 oktober 2019 financiële of andere schade heeft geleden.

De rechtbank is bovendien niet gebleken dat een inhoudelijk oordeel van belang kan zijn voor toekomstige aanspraken van eiser op individuele begeleiding. Daarvoor is van belang dat hij voor de periode na 6 oktober 2019 geen nieuwe melding of aanvraag heeft gedaan bij het college voor de maatwerkvoorziening begeleiding. Bovendien heeft [naam zorgverlener] op 6 augustus 2019 aan het college laten weten dat hij zich terugtrok en zijn diensten niet langer aan eiser zou aanbieden. Het latere aanbod van [naam zorgverlener] aan eisers gemachtigde om tegen het tarief van een niet-professionele begeleider eiser te willen begeleiden dateert van ná het bestreden besluit. Bij een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening voor begeleiding zal het college een geheel nieuwe beoordeling moeten verrichten op basis van de situatie die op dat moment aan de orde is, waarbij alle omstandigheden moeten worden meegewogen.

Eiser heeft ook aangevoerd dat niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep in strijd zal zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en heeft daarbij gewezen op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 17 juli 2018 inzake Ronald Vermeulen – België (ECLI:CE:ECHR:2018:0717). De rechtbank is van oordeel dat, anders dan in dat arrest aan de hand was, er in het geval van eiser geen sprake is van verlies van procesbelang gedurende de procedure bij de rechtbank.

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande niet in dat eiser nog een procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Overweging ten overvloede

Met het oog op een eventuele nieuwe aanvraag van eiser om begeleiding, merkt de rechtbank ten overvloede nog het volgende op.

Artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

In het tweede lid is bepaald dat een pgb wordt verstrekt indien:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

In het derde lid is bepaald dat bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, het college mee weegt of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

Uit eveneens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3102) over artikel 2.3.6 van de Wmo 2015, volgt dat indien een cliënt verlening van een pgb wenst, hij moet motiveren waarom een pgb een passende vorm van ondersteuning is. Hij hoeft niet te motiveren waarom zorg in natura niet passend is. Wanneer een cliënt gemotiveerd de wens te kennen geeft dat hem een pgb wordt verstrekt, moet het college toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van het tweede lid van dat artikel. Gelet op het derde lid van dat artikel moet het college bij zijn beoordeling van de kwaliteit van de met het pgb in te kopen diensten meewegen of deze in redelijkheid geschikt zijn voor het doel van het gevraagde pgb.

De rechtbank merkt ook op dat wanneer eiser onvoldoende informatie geeft, het college hem gelegenheid moet geven om de informatie aan te vullen.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1

Omdat het college met het primaire besluit 2 het bestreden besluit heeft gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep gemaakt heeft. Die kosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en stelt de rechtbank vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 525,- en een wegingsfactor 1).

De rechtbank ziet geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten die eiser in bezwaar gemaakt heeft. In het primaire besluit 2 is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een herziening als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wmo 2015. Er is dus geen sprake van een herroeping van het primaire besluit 1 of het bestreden besluit wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

Ook moet het college aan eiser het griffierecht vergoeden dat hij betaald heeft voor het instellen van beroep tegen het bestreden besluit.

6.2

Verder heeft de rechtbank niet op tijd onderkend dat eisers bezwaar tegen het primaire besluit 2 niet als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Awb moest worden aangemerkt, maar dat het primaire besluit 2 een besluit is in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Daardoor is van eiser ten onrechte een griffierecht van € 47,- geheven voor de procedure tegen het primaire besluit 2. De rechtbank zal daarom haar griffie opdracht geven om dit bedrag aan eiser terug te betalen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.;

  • -

    zal de griffie opdragen het door eiser betaalde griffierecht van € 47,- in de procedure tegen het primaire besluit 2 aan eiser terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier, op 25 augustus 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mee te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.