Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:700

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
02/820621-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:742, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag baby van 4 maanden. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/820621-16 (hoofdzaak) en 02/109076-15 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag verdachte] 1996 te [geboorteplaats verdachte] ,

wonende te [adres verdachte] ,

raadsman mr. J.C.B. Dionisius, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2020, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 3 februari 2020.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te

Domburg, gemeente Veere, in elk geval in Nederland, zijn kind, [naam kind]

(geboren op [geboortedag kind] 2016) opzettelijk van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet in of omstreeks de periode van 20 mei

2016 tot en met 21 mei 2016 (het hoofd van) voornoemde [naam kind] met

kracht heen en weer geschud en/of een of meer vórmen van uitwendig en/of

mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd, van die [naam kind]

uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [naam kind]

op 24 mei 2016 is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 24 mei 2016 te

Domburg, gemeente Veere, in elk geval in Nederland, aan zijn kind [naam kind]

(geboren op [geboortedag kind] 2016) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te

weten; schedelhersenletsel), heeft toegebracht door met dat opzet in of

omstreeks de periode van 20 mei 2016 tot en met 21 mei 2016 (het hoofd van)

voornoemde [naam kind] met kracht heen en weer te schudden en/of een of

meer vormen van uitwendig en/of mechanisch geweld op en/of tegen het hoofd van

die [naam kind] uit te oefenen, terwijl het feit op 24 mei 2016 de dood

van die [naam kind] ten gevolge heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam kind] (hierna: [naam kind] ) om het leven heeft gebracht en heeft gevorderd het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De officier van justitie heeft daartoe - kort gezegd - betoogd dat uit de rapporten en verklaringen van de deskundigen volgt dat het letsel dat de dood van [naam kind] heeft veroorzaakt, toegebracht moet zijn na het laatste moment van normaal functioneren in de nacht van 20 op 21 mei 2016 en dat de gevolgen van dit letsel zeer snel na het toebrengen daarvan zijn ingetreden. Omdat verdachte de enige was die thuis was met [naam kind] op het moment dat de verschijnselen intraden, komt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte degene moet zijn geweest die de fatale letsels heeft veroorzaakt die hebben geleid tot de dood van [naam kind] . Verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [naam kind] door te handelen zoals hij heeft gedaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is in de eerste plaats aangevoerd dat internationaal discussie bestaat over de vraag of de trias (een combinatie van geconstateerd letsel, te weten bloedingen onder het harde hersenvlies, netvliesbloedingen en zwelling van de hersenen) in medische zin al dan niet bewijzend is voor toegebracht letsel. Nu de rechtbank deze vraag bij gebrek aan medische kennis niet met overtuiging kan beantwoorden, en daarmee evenmin de strafrechtelijke bewijsvraag, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Daarnaast is aangevoerd dat het onderzoek naar de toedracht van het geconstateerde letsel niet voldoende zorgvuldig is geweest. Er is onder meer niet uitputtend onderzoek gedaan naar mogelijke andere oorzaken voor het geconstateerde letsel. Omdat het onderzoek naar de toedracht van het geconstateerde letsel niet met de voor een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijke zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ook is bepleit dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat het letsel moet zijn toegebracht. De medische bevindingen op zich zeggen niets over de ontstaanswijze van het letsel, terwijl andere mogelijke oorzaken dan kindermishandeling onvoldoende zijn uitgesloten. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

Verder blijkt uit onderzoeken (Starling, Adamsbaum en Biron) dat niet in alle gevallen de klinische verschijnselen optreden kort na het laatste moment van normaal functioneren. Daarnaast heeft professor [naam 6] verklaard dat sprake kan zijn geweest van een sluimerend verloop van de bloeding in het neomembraam. Het is daarom zeer wel mogelijk dat de tweede bloeding eerder is ontstaan dan het tijdstip waarop verdachte in de nacht van 20 op 21 mei 2016 alleen thuis was met [naam kind] , maar dat de klinische verschijnselen zich pas openbaarden toen verdachte alleen met [naam kind] was. Er kan daarom niet bewezen worden dat verdachte degene is geweest die het letsel moet hebben toegebracht, zodat vrijspraak dient te volgen.

Ten slotte is door de verdediging aangevoerd dat – indien wordt uitgegaan van toegebracht letsel door verdachte – de tenlastegelegde opzet niet bewezen kan worden. In ieder geval kan onvoorwaardelijk opzet niet worden bewezen, en voorwaardelijk opzet evenmin. Uit het dossier blijkt niet van specifieke handelingen die verdachte zou hebben verricht die vervolgens tot het fatale letsel zouden hebben geleid. Verdachte heeft ontkend enige potentieel letsel veroorzakende handelingen te hebben verricht, terwijl er ook geen getuigen zijn. Zonder de concrete handelingen en de daarmee gepaard gaande kracht te kennen kan niet worden beoordeeld of door die handelingen een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Er kan dan ook geen sprake zijn van een bewuste aanvaarding van die kans. Nu het tenlastegelegde opzet – in zowel het primaire als het subsidiair tenlastegelegde feit – niet bewezen kan worden dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst weergeven van welke feiten en omstandigheden zij uitgaat. Daarna zal het bij [naam kind] geconstateerde letsel worden genoemd en vervolgens de interpretatie van dat letsel door de diverse deskundigen. De rechtbank zal oordelen over de vragen of het geconstateerde letsel is toegebracht of niet en op welk tijdstip het fatale letsel is ontstaan. Gaandeweg zal worden gereageerd op de verweren van de verdediging.

4.3.1

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die zij relevant acht voor de beoordeling van de zaak.

Geboorte [naam kind] en gezin

Op [geboortedag kind] 2016 is [naam kind] geboren, twee maanden vóór de uitgerekende datum. Zijn ouders zijn [moeder kind] (hierna: [moeder kind] ) en verdachte. In verband met de prematuriteit heeft [naam kind] enkele weken verbleven op de afdeling kindergeneeskunde van het [ziekenhuis 1] in Goes, waarna hij op 29 februari 2016 in goede gezondheid naar huis is gegaan. Ouders, [naam kind] , oudere zus [naam zus] en de moeder van verdachte wonen dan samen op het adres [adres] .

Het verloop van de avond van 20 mei 2016 en de nacht van 20 op 21 mei 2016

Verdachte moest op 20 mei 2016 werken om 17:00 uur. [moeder kind] en de moeder van verdachte hebben de kinderen rond 20:00 uur bij de buurvrouw gebracht om op te passen. [moeder kind] en de moeder van verdachte zijn toen uit eten gegaan in Domburg. Daarna hebben ze verdachte opgehaald van zijn werk en omstreeks 23:00 uur hebben ze de kinderen opgehaald bij de buurvrouw. Thuis heeft de moeder van verdachte [naam kind] een flesje gegeven1. Op een foto die is gemaakt met de telefoon van [moeder kind] om 23:45 uur die avond is te zien dat de moeder van verdachte met [naam kind] op schoot zit2. Omstreeks 24:00 uur zijn [moeder kind] en de moeder van verdachte naar een terras gegaan. Verdachte bleef thuis.3+ 4 Volgens verdachte begon [naam kind] om 02:30 uur te huilen. Hij was heel stijf en koud en hij ademde heel raar. Ook draaide een oog weg. Hij heeft toen [moeder kind] een WhatsApp-bericht gestuurd met de vraag of ze naar huis kwamen. Hij heeft geprobeerd de stijfheid weg te knijpen.5 Toen [moeder kind] en de moeder van verdachte thuiskwamen, leek het volgens [moeder kind] of [naam kind] bewusteloos was6. Op een gegeven moment ging hij heel hard huilen7. De huisartsenpost is gebeld. Uiteindelijk zijn ze niet naar de huisartsenpost gegaan omdat de moeder van verdachte niet meer kon autorijden omdat ze alcohol had gedronken op het terras. Er is niet op een andere wijze in medische hulp voor [naam kind] voorzien. [naam kind] is in slaap gewiegd en iedereen is gaan slapen. Rond 08:30 - 09:00 uur begon [naam kind] weer hard te huilen. Hij wilde niet drinken. Daarna kreeg hij epileptische aanvallen.8+9 De huisartsenpost is gebeld en daarna zijn verdachte, [moeder kind] en de moeder van verdachte om ongeveer 11.30 uur naar het ziekenhuis in Goes gereden.

Uit de gegevens van de gsm van verdachte komt naar voren dat verdachte op 21 mei 2016 om 02:40 uur naar [moeder kind] een WhatsApp-bericht heeft gestuurd met de tekst ‘hoe laat komen jullie ongeveer thuis?’ Om 02:50 uur stuurt hij haar een bericht met daarin ‘?’10.

[moeder kind] heeft verklaard dat zij en de moeder van verdachte tussen 02:30 uur en 02:45 uur weer thuis waren11.

Anderhalf uur later, om 04:02 uur is met de telefoon van verdachte op Google gezocht op de zoekterm ‘huisartsenpost’. Om 04:02 uur wordt met de telefoon van verdachte gebeld naar de huisartsenpost. Om 05:29 uur en 05:38 uur wordt door de huisartsenpost naar de telefoon van verdachte gebeld. Om 10:20 uur wordt met de telefoon van verdachte op Google gezocht met de zoekterm ‘baby houd tong omhoog’. Om 11:29 uur wordt met de telefoon van verdachte gebeld naar de huisartsenpost.12 Om 11:50 uur is [naam kind] opgenomen op de afdeling spoedeisende hulp van het [ziekenhuis 1] te Goes.13

Verloop na opname in ziekenhuis

Op 21 mei 2016 is [naam kind] na aanhoudende convulsies en status epilepticus (aanhoudende trekkingen door epileptische activiteit) en met een sterke verdenking voor aangebracht letsel om 17:30 uur op transport vertrokken naar het [ziekenhuis 2] in Rotterdam14, waar hij werd opgenomen op de Intensive Care Kinderen. Op een mri van 23 mei 2016 is zoveel hersenschade te zien dat de behandelaars het erover eens zijn dat sprake is van medisch zinloos handelen, waarna wordt besloten de behandeling te staken15. [naam kind] is overleden op 24 mei 2016.16

4.3.2

Letsel en doodsoorzaak

In de diverse deskundigenrapporten en het pathologisch onderzoek die het dossier bevat, zijn de bij [naam kind] aangetroffen letsels weergegeven.

De patholoog die de sectie heeft verricht, heeft in haar rapport van 19 augustus 2016 opgenomen dat, naast botfracturen van oudere datum op diverse plaatsen in het lichaam, sprake was van:

- vier vaag omschreven rode huidverkleuringen, onderhuidse bloeduitstortingen, links aan de romp (A7);

- in relatie met de letsels links aan de romp beschreven onder A7 was een groot gebied van bloeduitstorting, maximaal 10 x 3 cm. Er waren genezende ribbreuken van de 6e tot en met de 10e rib links achter, met recente bloeduitstortingen in/naast de vier genezende ribfracturen linksachter, passend bij een trauma van enkele dagen oud (B2);

- een bloeding onder het harde hersenvlies beiderzijds van één tot enkele weken oud met recente re-bloeding rechts (vermoedelijk enkele dagen oud) (C1);

- traumatische bloedingen rechts in de grote en kleine hersenen in de zachte hersenvliezen (C1);

- schade van zenuwbanen en secundaire weefselschade rechtsachter in de grote hersenen (meerdere dagen oud) (C1);

- hersenzwelling (C1);

- bloedingen in de oogzenuwschede met een ouderdom van tenminste twee tot drie dagen (C2).17

Als oorzaak van de schedel-, hersen- en oogzenuwletsels dient op grond van de sectiebevindingen herhaalde acceleratie-deceleratie-impact trauma op het hoofd overwogen te worden. De schedelhersenletsels verklaren het overlijden zonder meer

door functieverlies van de hersenen. De bij de sectie gevonden dubbelzijdige longontsteking vormt een verwikkeling van de hersenschade en heeft door opgetreden functieverlies van de longen aan het intreden van de dood bijgedragen. De patholoog heeft geconcludeerd dat [naam kind] is overleden als gevolg van verwikkelingen van schedelhersenletsel in het kader van repeterend acceleratie/deceleratie/impact trauma.18

Gelet hierop staat voor de rechtbank vast dat [naam kind] is overleden door hersenletsel als gevolg van herhaald acceleratie-deceleratie-impacttrauma op het hoofd.

4.3.3

Is letsel toegebracht of door een andere oorzaak ontstaan?

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of dit hersenletsel aan [naam kind] is toegebracht of dat dit door een andere oorzaak is ontstaan (accidenteel of niet-accidenteel letsel). Hierover hebben (forensisch) medisch deskundigen gerapporteerd en verklaard.

4.3.3.1 De deskundigen

Forensisch arts dr. [naam 3] heeft medisch forensisch onderzoek verricht, waarbij de vraagstelling luidde: forensische duiding van de medische bevindingen vanaf de geboorte. Hiertoe heeft hij alle relevante medische gegevens, pathologische gegevens, het groeiboekje van [naam kind] , getuigenverklaringen uit het dossier en onderzoeksgegevens betreffende de gsm’s van verdachte, [moeder kind] en de moeder van verdachte bestudeerd en forensisch geïnterpreteerd.

Toen [naam kind] in Goes werd opgenomen in de ochtend van 21 mei 2016 was, kort gezegd, sprake van hersenfunctiestoornissen (encefalopatisch beeld).19 Er werden in de kliniek en bij sectie geen aanwijzingen verkregen voor een onderliggende ziekte of toxicologische oorzaak. Op een CT-scan van 21 mei 2016 en een MRI-scan van 23 mei 2016 werden subdurale bloedingen en zeer uitgebreide afwijkingen als gevolg van doorgemaakt zuurstoftekort gezien. Als verwikkelingen van een subdurale bloeduitstorting is epileptische activiteit mogelijk.

Over het hersenletsel

Bloedingen onder het harde hersenvlies kunnen ontstaan als de schedel en de hersenen ten opzichte van elkaar bewegen, en als sprake is van herhaalde voor-achterwaartse en rotatoire bewegingen van het hoofd. Dergelijke mechanismen kunnen optreden in een niet-accidenteel kader (zoals bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma en/of contacttrauma) of in een accidenteel kader (zoals bij heftig botsend geweld op het hoofd, bijvoorbeeld bij een val van grote hoogte of een ernstig verkeersongeval).20 Voor het ontstaan van subdurale bloeduitstortingen door voornoemde mechanismen is veel kracht nodig. Krachten die ontstaan bij vallen van beperkte hoogte (tot circa 1,5 meter) en bij gebruikelijke huis-, tuin- en keukenongevallen en daarmee ook bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen, zijn onvoldoende voor het ontstaan van een bloeding onder het harde hersenvlies, tenzij sprake is van complicerende factoren, zoals bijvoorbeeld een val van enige hoogte op een voorwerp, of een metabole stoornis of stollingsstoornis. Een mogelijke uitzondering hierop kan zijn de aanwezigheid van een neomembraam, als herstelreactie na een eerdere subdurale bloeduitstorting. Nieuw aangelegde bloedvaatjes in een neomembraam kunnen relatief gemakkelijk bloeden. Een dergelijke bloeding wordt aangeduid met de term ‘re-bleed’. Een re-bleed gaat doorgaans niet gepaard met een (acuut) ernstig encefalopathisch beeld.21

De hiervoor genoemde type krachtsinwerkingen kunnen ook gepaard gaan met macroscopisch zichtbare subarachnoïdale bloeduitstorting (SAB) (plaatselijke of over het hersenoppervlak verspreid), kleine (punt)bloedingen, bloederige kneuzingshaarden en/of verscheuringen van hersenweefsel, en microscopisch zichtbare zenuwbaanbeschadiging op specifieke plaatsen in de hersenen (axonale schade) (zoals in dit geval vastgesteld bij de hersenbalk en (het ruggenmerg) in de hals). Subarachnoïdale (onder het spinnenwebvlies) bloedingen bij jonge kinderen worden meestal veroorzaakt door trauma. SAB wordt vaker gezien na een niet-accidenteel trauma dan na een accidenteel trauma. Als niet-accidenteel kader voor SAB op jonge leeftijd kan gedacht worden aan repeterende acceleratie/deceleratie/impact krachten (bijvoorbeeld bij een heftig schudincident).22

Voor de bevindingen in/bij de hersenen en hersenvliezen is geen verklaring gemeld. Het enige gemelde, eventueel relevante, trauma betreft de val op 29 april 2016.

Er waren in relatie tot het ontstaan van het subduraal hematoom, SAB en hersenletsel (kneuzingen) op basis van de verstrekte gegevens geen relevante bijzonderheden afleidbaar vanaf de geboorte t/m 20 mei 2016.23

Volgens de afgelegde verklaringen functioneerde het kind normaal tot na de laatste

voeding omstreeks 00:00 uur (in de nacht van 20 op 21 mei 2016).

Uit neuropathologisch lichtmicroscopisch onderzoek bleken twee ontstaansmomenten voor SDH, namelijk één hooguit enkele weken geleden en één van enkele dagen geleden.

Axonale schade aan het halsruggenmerg, en traumatische schade rechtsachter in de

hersenen, werd neuropathologisch gedateerd op 1 tot enkele/meerdere dagen vóór

het overlijden, met andere woorden als tamelijk recent letsel. Gezien het voorgaande kan een geboortetrauma worden uitgesloten als oorzaak voor de beschreven afwijkingen in/bij de hersenen.

Klinisch en radiologisch onderzoek, en gerechtelijke sectie (met diverse aanvullende

onderzoeken), leverden geen aanwijzingen op voor een ziekelijke oorzaak.

Hiermee resteert een trauma na de geboorte als oorzaak voor de bevindingen in/bij

de hersenen en hersenvliezen. Een voor dit type bevindingen passend trauma

(accidenteel of niet-accidenteel) is in dit geval niet gemeld.

De door vader genoemde val van circa 1,20 m hoogte op vloeroppervlak circa vier

weken eerder (uitgaande van alleen een val van het kind), is op basis van literatuur

en naar mijn oordeel als deskundige niet passend als verklaring voor het ontstaan

van de combinatie van de hiervoor beschreven afwijkingen in/bij de hersenen,

gezien het normale functioneren van het kind nadien tot 21 mei 2016 (volgens

verklaringen, en bij onderzoek door artsen).

De neuropathologische datering van het niet recente subduraal hematoom bedroeg

1 tot hooguit enkele weken. De val op 29 april 2016 valt hier qua datum iets buiten.

Echter, ook al zou uitgegaan worden van een iets langere termijn (gezien de marges

in neuropathologisch dateren), dan is het naar mijn oordeel nog zeer onaannemelijk

dat zich bij deze val een subdurale bloeduitstorting heeft voorgedaan, gezien het

ontbreken van relevante klinische verschijnselen nadien.

De klinische verschijnselen vanaf 21 mei 2016 kunnen achteraf bezien geduid worden als een ernstig encephalopathisch beeld, gezien de noodzaak tot overplaatsing naar een kinder intensive-care, de aard van de uiteindelijk vastgestelde medische bevindingen en het fatale beloop. In dit geval werden in de kliniek en bij sectie geen aanwijzingen verkregen voor een onderliggende ziekte of toxicologische oorzaak.

Verder, ook al zou er door deze val een subduraal hematoom zijn ontstaan met een neomembraan als herstelreactie, dan zou een bloeding (re-bleed) uit deze neomembraan of anderszins, zonder substantieel trauma geen verklaring kunnen vormen voor het ontstaan van ernstig hersenletsel (omdat een re-bleed, 'spontaan' danwel na 'minor trauma', geen tot hooguit geringe klinische verschijnselen oplevert).24

Ondergetekende concludeert op basis van het voorgaande dat de vanaf 21/22 mei

2016 vastgestelde afwijkingen in/bij de hersenen, afzonderlijk beschouwd, zeer veel

waarschijnlijker zijn bij meer dan één substantieel trauma aan het hoofd

(contacttrauma, acceleratie-deceleratie trauma, of combinatie daarvan), dan bij een

aandoening of andere (al dan niet minor) traumata (waaronder bijvoorbeeld de

gemelde val op 29 april 2016). Deze conclusie is in overeenstemming met die van de patholoog.25

Over de ribbreuken

Verder concludeert [naam 3] dat de aangetroffen ribbreuken van de 6e t/m 10e rib

linksachter, met zowel genezende als recente (refractuur) kenmerken, afzonderlijk

beschouwd, zeer veel waarschijnlijker zijn in het geval van tenminste twee ruim in de tijd gescheiden momenten met substantiële krachtsinwerkingen op de ribbenboog

(in het kader van repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma aan het

hoofd of combinatie van beide), dan bij een aandoening of een ander trauma.

Deze conclusie is in overeenstemming met die van de patholoog.26

Over de benodigde kracht voor het ontstaan van de letsels

Het is niet goed mogelijk om de noodzakelijk benodigde kracht voor het ontstaan

van de klinische verschijnselen in combinatie met de medische bevindingen exact

aan te geven, omdat er geen studies mogelijk zijn bij levende kinderen bij wie

hersenletsel (en ander bijpassend letsel) wordt toegebracht en omdat het

traumatisch moment vrijwel altijd zonder getuigen is.

Om toch enig inzicht te krijgen in de benodigde krachten, kan zowel gekeken

worden naar studies van al dan niet geobjectiveerde vallen van beperkte hoogte als

naar studies waarin daders bekennende verklaringen hebben afgelegd.

Vallen van beperkte hoogte (tot circa 1,5 meter) van jonge kinderen leiden zeer

zelden tot ernstige of fatale letsels in het hoofd.

In verklaringen van bekennende daders wordt gesproken van (zeer) gewelddadig

schudden, geregeld vaker dan eens. Er wordt aangenomen dat een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa 2-5 bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa 5 seconden) vereist is ingeval schudden (zonder impact) de oorzaak is van ernstig hersenletsel. Als niet-krachtdadig schudden ('gentle shaking') zou leiden tot zeer ernstig of fataal letsel, dan zou men mogen verwachten dat dit dagelijks zou voorkomen. Het toebrengen van ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact (contacttrauma aan het hoofd), is dusdanig heftig dat omstanders dergelijke handelingen direct als gevaarlijk zouden kwalificeren.27

[naam 3] concludeert dat de combinatie van bevindingen in/aan de hersenen, de ogen en het skelet, geconstateerd vanaf 21 mei 2016, zeer veel waarschijnlijker is bij tenminste twee ruim in de tijd gescheiden niet-accidentele geweldsinwerkingen bestaande uit substantieel

trauma aan het hoofd (repeterend acceleratie-deceleratietrauma, contacttrauma of

combinatie daarvan) dan bij een aandoening (waaronder prematuriteit van 32

weken met een iets ondergemiddeld geboortegewicht) of een ander trauma

(waaronder een geboortetrauma, regulier uitgevoerde verzorgingshandelingen en de

gemelde val van 29 april 2016).28

Professor [naam 5] , senior arts bij het Instituut voor forensische geneeskunde te Hamburg, is door de verdediging voorgedragen als deskundige om een contra-expertise uit te voeren. Hij heeft zijn onderzoek uitgevoerd op basis van de ziekenhuisstukken, postmortale onderzoeksbevindingen, getuigenverklaringen en andere relevante documenten, alsmede op basis van de drie cd-roms die ook [naam 3] heeft betrokken bij zijn onderzoek. [naam 5] heeft in zijn rapport van 6 april 2019 over de letsels bij [naam kind] en de wijze van ontstaan daarvan het volgende opgemerkt.

[naam kind] is zonder redelijke twijfel aan de gevolgen van een traumatische

hersenbeschadiging overleden. De oorzaak was met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heftig schudden in de zin van een shakenbabysyndroom.29 Terwijl geen van de gedane bevindingen op zichzelf shakenbabysyndroom aantoont, is de combinatie van subdurale bloedingen, encefalopathie en netvliesbloedingen bij tevoren gezonde kinderen buitengewoon typisch voor het shakenbabysyndroom en kan nauwelijks door een onbekende, tevoren bestaande inwendige aandoening worden verklaard. Als er tegelijkertijd nog botfracturen (van verschillende leeftijd) en uitwendig letsel optreedt, dan kan bij gebrek aan een plausibele verklaring (ongeval) mishandeling als oorzaak met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geconstateerd. In de zogenoemde premobiele fase waarin [naam kind] zich bevond, dus in een levensfase waarin het kind net leert om het hoofd op te tillen, kan de zuigeling zich helemaal niet zelf verwonden (afgezien van schrammetjes in het gezicht).

[naam kind] had enerzijds een typisch klinisch en autoptisch aspect van een geschud kind - afgezien van het ontbreken van retinale bloedingen waarvan niet noodzakelijker-

wijze sprake hoeft te zijn - en had bovendien talrijke botfracturen die deels buitengewoon typisch waren voor mishandeling (ribfracturen, bijzonderheden bij de groeikernen). Door ongeval veroorzaakte botfracturen zijn in die leeftijdsgroep uit de aard der zaak zelden en betreffen, als het om een val gaat, niet verschillende botten op verschillende momenten. Zo zou een val op het hoofd vanaf de arm van de vader, die ongeveer een maand voor de dood zou hebben plaatsgevonden, geen fracturen van de ribben 6 tot en met 10 links, de linkerellepijp, beide dijbeenderen, het schaambeen rechts, het derde middenvoetsbeentje links, het linkerscheenbeen en het eerste lendenwervellichaam veroorzaken (in principe gaat het om acht van elkaar onafhankelijke botfracturen als je ribfracturen als één fractuur ziet). Voor een verhoogde broosheid van de botten in de zin van een mineralisatiestoornis bestonden geen aanwijzingen.30

Het totale beeld van het letsel wijst erop dat [naam kind] op ten minste twee verschillende momenten is geschud. Eén incident moet in de nacht van 20 op 21 mei hebben plaatsgevonden.31

Samenvattend heeft [naam 5] geconcludeerd dat [naam kind] is overleden aan de gevolgen van shakenbabysyndroom dat hij in de nacht van 20 op 21 mei en/of in de ochtend van 21 mei had opgelopen.32

In antwoord op aanvullende vragen van de verdediging heeft [naam 5] in zijn brief van 10 oktober 2019 opgemerkt dat plooien in het netvlies, zoals bij [naam kind] geconstateerd, typisch zijn voor non-accidental head injury (NAHI). Verder heeft hij verklaard dat er geen stofwisselingsziekte bekend is die het bij [naam kind] gediagnosticeerde symptomen- en letselpatroon veroorzaakt. Van de stofwisselingsziekten waarop zuigelingen normaal gesproken worden getest, kon er geen worden aangetoond. Bloedstollingsstoornissen, waarvoor bij [naam kind] geen laboratorisch bewijs was, kunnen in zeer zeldzame gevallen spontane bloedingen - ook binnenin de schedel - verklaren. Ze leiden echter nooit tot botbreuken. Een geboortetrauma als oorzaak voor het vastgestelde letselbeeld kan eveneens als uitgesloten worden beschouwd.33

Professor [naam 6] , neuropatholoog bij het NFI, heeft in het kader van de sectie de hersenen van [naam kind] onderzocht. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat het concept van de triade (subdurale bloedingen, oogbloedingen en encefalopathie) (als bewijzend voor shaken baby syndroom; Rb) achterhaald is, omdat inmiddels is gebleken dat er veel meer hoort bij acceleratie-deceleratie geweld, namelijk ribbreuken, specifieke breukjes in de lange pijpbeenderen van de armen en benen, traumatische axonale schade en traumatische vasculaire schade.34 Bij [naam kind] was sprake van traumatische axonale schade35. In haar onderzoek heeft zij andere verklaringen voor encefalopathie uitgesloten36. In het geval van [naam kind] ziet zij de mogelijkheid van accidenteel trauma niet37. Op het gebied van neuropathologisch onderzoek zijn er volgens haar geen bevindingen die abusive head trauma (ABT) tegenspreken.38

Forensisch kinderpatholoog bij het NFI dr. [naam 7] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat bij [naam kind] sprake was van een subduraal hematoom. Dat is een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies. Er waren twee componenten aanwezig, een ouder component en een recent component. Dit recente component heeft geleid tot het uiteindelijke overlijden. Er was uitbreiding van dat subdurale hematoom naar een sub arachnoïdale bloeding. Daarnaast had het kind schade in de hersenen, namelijk in de axonen. Die axonen rekken op bij mechanische beschadigingen. Dit wordt aangetoond met bepaalde kleuringen. In de ogen zaten bloedingen in de zenuwschede en ook was er van alles aan de hand in het beenderstelsel. Het feit is dat er een kind is van vier maanden met al deze traumatische letsels, waar geen ziekelijke oorzaak voor gevonden kan worden op geen enkel niveau, niet op het niveau van organen, de hersenen en het beenderstelsel, maakt dat hier sprake is van toegebracht letsel leidend tot de dood, aldus [naam 7] .39

Oogpatholoog dr. [naam 8] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat bij [naam kind] een peri maculaire plooi is gezien. Dat is een gedeeltelijke loslating van het netvlies in een bepaalde configuratie. Hij dateert dit letsel op een aantal dagen. Dit letsel is volgens hem sterk gerelateerd aan een shaken- en/of een impacttrauma.40

Kinderradioloog [naam 9] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [naam kind] intracranieel letsel had, dat is ontstaan door een acceleratie decelaratie trauma of door een stomp botsend inwerkend geweld:

- bilateraal subduraal hematoom (bloeding in het harde hersenvlies);

- sub arachnoïdaal bloed bilateraal (bloeding tussen het harde hersenvlies en de

hersenen);

- hemorragische contusiehaard links occipitaal (een bloedende hersenkneuzing);

- uitgebreide gebieden van cytotoxisch oedeem, supratentieel (zeer ernstig

hersenletsel van de grote hersenen).41

4.3.3.2 Oordeel over de verweren op dit punt

Internationale discussie

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat internationaal discussie bestaat over de vraag of de trias of triade – waaraan ook [naam 5] en [naam 6] refereren – in medische zin al dan niet bewijzend is voor toegebracht letsel, onvoldoende is om de bevindingen van de deskundigen, waaronder de door de verdediging voorgestelde deskundige, terzijde te schuiven en tot een vrijspraak te komen.

Onderzoek naar het ontstaan van het letsel onvoldoende zorgvuldig

De stelling van de verdediging dat het onderzoek naar de toedracht van het geconstateerde letsel niet met de voor een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijke zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden volgt de rechtbank niet. De door de verdediging aangedragen deskundige [naam 5] heeft in zijn rapport opgemerkt dat deze zaak zowel klinisch als postmortaal buitengewoon zorgvuldig en uitgebreid is onderzocht. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat naast de behandeling van de klinische verschijnselen, in ieder geval de volgende onderzoeken zijn verricht:

- een screenend en aanvullend stollingsonderzoek, dat geen afwijkingen liet zien42+43;

- uitgebreid bloedonderzoek in de periode dat [naam kind] in het [ziekenhuis 2] verbleef44;

- onderzoek naar een luchtweginfectie45;

- onderzoek aan het hersenvocht 46;

- onderzoek verricht door een oogarts (bij leven);

- onderzoek naar een stofwisselingsziekte, maar daarbij werd geen resultaat vermeld. De hielprik waarin dit ook onderzocht wordt, leverde geen afwijkende vermeldingen op.47

Verder zijn een CT-scan, een MRI-scan en een röntgenfoto gemaakt.

Al dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode dat [naam kind] was opgenomen in het [ziekenhuis 2] , te weten van 21 mei 2016 (in de avond) tot en met 24 mei 2016, waarbij op 24 mei 2016 overdag geen onderzoeken meer zijn verricht.

Na postmortaal onderzoek van het skelet door kinderradioloog professor [naam 9] in het kader van de sectie is zijn algemene indruk dat sprake is van een normale aanleg, zonder aanwijzing voor stoornissen in de mineralisatie. Verder zijn er geen aanwijzingen voor skeletdysplasie48.

Op basis van al deze informatie zijn de deskundigen [naam 3] en [naam 5] gekomen tot hun hierboven genoemde standpunt over de vraag of het aangetroffen letsel al dan niet was toegebracht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek naar de toedracht van het bij [naam kind] geconstateerde letsel met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer.

In de verrichte onderzoeken zijn andere oorzaken voor het aangetroffen letsel naar het oordeel van de rechtbank met voldoende zekerheid uitgesloten.

Geen bewijs dat het letsel is toegebracht

De deskundigen hebben als wijze van ontstaan van het aangetroffen hersenletsel benoemd dat sprake is geweest van repeterend acceleratie-deceleratie en/of impact trauma. Deze bewegingen moeten volgens [naam 3] en [naam 5] met een zekere kracht uitgevoerd worden om het letsel te laten ontstaan. Het toebrengen van ernstig hersenletsel bij kleine kinderen door middel van schudden en/of impact (contacttrauma aan het hoofd), is dusdanig heftig dat omstanders dergelijke handelingen direct als gevaarlijk zouden kwalificeren.

Gelet hierop en het met voldoende zekerheid uitsluiten van een andere ontstaansoorzaak – die niet is gevonden – en de recente refractuur van vier ribben links achter, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het oordeel dat het bij [naam kind] aangetroffen hersenletsel dat heeft geleid tot de dood, is toegebracht, en wel door hem heftig heen en weer te schudden.

4.3.4

Op welk moment en door wie is het letsel toegebracht?

4.3.4.1 De deskundigen

Diverse deskundigen hebben zich uitgelaten over het moment waarop het letsel moet zijn toegebracht.

Forensisch arts [naam 3] heeft hierover in zijn rapport van 23 september 2016 het volgende opgenomen.

Op basis van studies naar de tijdsduur tussen een traumatisch incident en het

ontstaan van klinische verschijnselen (deels gebaseerd op verklaringen van

bekennende daders) bij toegebracht ernstig hersenletsel, kan worden geconcludeerd

dat het traumatische incident juist voor (ordegrootte: seconden) het ontstaan van

de klinische verschijnselen zoals bijvoorbeeld een onmiddellijke daling van het

bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid), onregelmatige ademhaling,

moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten, moet

hebben plaatsgevonden.

Bovendien wordt aangenomen dat bij een kind dat direct na het ontstaan van

hersenletsel gezond en normaal functioneert, het bijzonder onwaarschijnlijk is dat in

latere instantie zonder nieuw incident alsnog ernstig (fataal of bijna-fataal)

hersenletsel wordt geconstateerd.

Het veroorzakend mechanisme voor het ontstaan van de combinatie van medische bevindingen moet qua moment geplaatst worden na het laatste moment van normaal functioneren.

Beoordeling situatie in dit geval:

Uitgaande van het beloop van het functioneren van het kind op basis van de

genoteerde verklaringen, en gezien de literatuur over datering van een dergelijke

combinatie aan medische bevindingen, moet een veroorzakend substantieel trauma

aan het hoofd zijn voorgevallen ergens in de periode na het laatste moment van

normaal functioneren (in dit geval na de voeding van omstreeks 00:00 uur in de

nacht van 20 op 21 mei 2016, ervan uitgaande dat afwijkend functioneren van het

kind toen herkend zou zijn).49

Professor [naam 5] heeft in zijn brief van 10 oktober 2019 over de datering van het hersenletsel op een aanvullende vraag daarover verklaard dat dodelijk hersenletsel zoals bij [naam kind] volgens de heersende academische leer niet gepaard gaan met een symptoomvrij interval. De axonale schade was volgens het neuropathologisch onderzoek op het moment van overlijden op 24 mei 2016 enkele dagen oud, en kan dus zeker in de nacht van 20 op 21 mei 2016 zijn ontstaan. Als het centrale zenuwstelsel op deze wijze wordt beschadigd, treden ernstige symptomen direct op. Er kan volgens hem worden geconcludeerd dat de schadelijke respectievelijk het overlijden veroorzakende gebeurtenis slechts kort (maximaal enkele uren) voor de ziekenhuisopname) plaatsvond.50

Kinderradioloog [naam 9] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [naam kind] niet normaal gefunctioneerd kan hebben met het geconstateerde hersenletsel, gezien de MRI-scan van 23 mei 2016 en de CT- scan van 21 mei 2016.51

Omdat tijdens de sectie ook een ouder subduraal hematoom was aangetroffen is door de verdediging aan de medisch deskundigen gevraagd of de recente bloeding die in de hersenen van [naam kind] is aangetroffen het gevolg kan zijn geweest van een her-bloeding van dat oudere subdurale hematoom.

[naam 6] heeft daarop geantwoord dat dunwandige bloedvaten in het neomembraam (bloedvaten die in het kader van genezing bij een andere bloeding gevormd zijn) spontaan kunnen optreden, ook tijdens verzorgingshandelingen.

Patholoog [naam 7] heeft hierover verklaard dat de bloedvaten die in het kader van genezing bij een andere bloeding gevormd zijn andere bloedvaten zijn dan de bloedvaten die scheuren in het kader van een rebloeding. Bij een rebloeding zijn het de ankervenen die scheuren tussen het harde hersenvlies en het hersenoppervlak. Volgens haar kan daarom in dit geval geen sprake zijn van een sluimerend beloop van de bloeding. Er zijn twee ontstaansmomenten van bloedingen gevonden. De bloedvaatjes die stuk gaan, gaan in één keer stuk op het moment dat de mechanische kracht inwerkt. Dit gebeurt dus niet stukje bij beetje, aldus [naam 7] .52

Ook volgens forensisch arts [naam 3] is het reactiveren van een eerdere bloeding geen verklaring voor het uiteindelijke fatale beloop. Nieuw aangelegde bloedvaatjes in een neomembraam als herstelreactie van een eerdere subdurale bloeduitstorting kunnen gemakkelijk gaan bloeden. Maar dit geeft volgens hem niet het beeld van een acuut ernstig encefalopatisch beeld, zoals bij [naam kind] het geval was. Ook kan het volgens hem niet zo zijn geweest dat de in tijd gescheiden bloedingen op zichzelf niet, maar in combinatie wel tot het fatale gevolg hebben geleid.53

Professor [naam 5] heeft over het sluimerend beloop verklaard dat dergelijke sluimerende belopen met een geleidelijke toename van de hersendruk bij abusive head trauma hem niet bekend zijn. Ook volgens hem kan het in het geval van [naam kind] niet zo zijn geweest dat de twee in tijd gescheiden bloedingen op zichzelf niet, maar in combinatie wel tot het fatale gevolg hebben geleid.54

4.3.4.2 Het functioneren van [naam kind] op 20 en 21 mei 2016

Over het functioneren van [naam kind] hebben verdachte, [moeder kind] , en de moeder van verdachte en de buurvrouw verklaringen afgelegd. De buurvrouw heeft verklaard dat [naam kind] normaal functioneerde toen zij die avond op hem paste tot het moment dat hij werd opgehaald om 23:00 uur door verdachte, [moeder kind] en de moeder van verdachte55. Verdachte en [moeder kind] hebben verklaard dat [naam kind] ook nadien normaal functioneerde56. [naam kind] had toen een flesje gekregen dat hij helemaal leeg had gedronken57 en daarna hebben zij nog tien minuten gezeten. Op de foto gemaakt met de gsm van [moeder kind] om 23:45 uur is te zien dat [naam kind] bij oma op schoot zit. Om ongeveer 24:00 uur zijn [moeder kind] en de moeder van verdachte naar het terras gegaan.58 Tussen 02:30 en 02:45 uur waren ze weer thuis. Gelet op deze verklaringen gaat de rechtbank als het laatste tijdstip waarop [naam kind] normaal functioneerde uit van 20 mei 2016, 24:00 uur. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte vanaf ongeveer 24:00 uur totdat [moeder kind] en zijn moeder terugkwamen om ongeveer 02:45 uur alleen is geweest met [naam kind] .

Verdachte heeft verklaard dat [naam kind] op 21 mei 2016 rond 02:30 uur begon te huilen. [naam kind] was toen heel stijf en koud. Even stopte hij met huilen en daarna ademde [naam kind] volgens verdachte alsof hij hyperventileerde. Ook viel hij weg. Zijn linkeroog week af naar buiten59.

[moeder kind] heeft verklaard dat zij bij thuiskomst zag dat [naam kind] suf was, hij leek bewusteloos. Verder waren de beentjes van [naam kind] stijf en stonden zijn voetjes naar buiten. Ook waren zijn armen gestrekt. Het lukte niet om de beentjes te buigen. Hij reageerde niet op kietelen en kriebelen aan zijn voetje. Op een gegeven moment ging hij uit het niets huilen60. Het was volgens [moeder kind] geen gewone huil, maar een schreeuw-huil, schel met lange uithalen61.

Om 04:02 uur is met de gsm van verdachte naar de huisartsenpost gebeld. Verdachte heeft verklaard dat [naam kind] op het moment dat gebeld werd hard aan het huilen was. Verdachte, [moeder kind] en de moeder van verdachte zijn wel met [naam kind] naar de auto gelopen, maar uiteindelijk zijn ze niet naar de huisartsenpost gegaan. De buurvrouw kwam toen naar buiten en toen zij [naam kind] uit de maxi-cosi had gehaald begon hij heel hard te huilen, zoals ze het nog nooit eerder had gehoord62. Ze ging met [moeder kind] de woning in en [naam kind] is op een gegeven moment in slaap gevallen. Hij is in de reiswieg bij de moeder van verdachte op de slaapkamer gelegd.

Verdachte denkt dat ze om 07:00 zijn gaan slapen. Om 08:30 uur hoorde [moeder kind] [naam kind] huilen63. Het was dezelfde schelle huil als die nacht64. Hij wilde niet drinken. Zijn tong was naar achteren tegen zijn gehemelte en hij maakte schokkende bewegingen met één kant van zijn lichaam65. Zijn armen en benen waren toen stijf66. Toen dat klaar was, staarde hij naar één punt67.

Om 11:29 uur is met de gsm van verdachte gebeld naar de huisartsenpost, en om 11:50 uur is [naam kind] opgenomen in het ziekenhuis in Goes.

4.3.4.3 Beoordeling van het verweer op dit punt

De rechtbank overweegt dat de klinische verschijnselen die bij [naam kind] te zien waren in de nacht van 20 op 21 mei 2016 vanaf 02:30 uur en in de ochtend van 21 mei 2016, zoals die door verdachte en [moeder kind] zijn omschreven, overeenkomen met de klinische verschijnselen bij toegebracht ernstig hersenletsel zoals door [naam 3] beschreven: onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand, onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau (lethargie of bewusteloosheid) en frequente insulten.

Gelet op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd en verklaard over het moment van ontstaan van klinische verschijnselen na het schudden van een baby, en de uitsluiting door hen van een sluimerend beloop en een combinatie van de twee in tijd gescheiden bloedingen als oorzaak voor het fatale beloop, is de rechtbank van oordeel dat het fatale hersenletsel bij [naam kind] moet zijn ontstaan kort vóór 02:30 uur, omdat de klinische verschijnselen die daarbij horen zich blijkens de verklaring van verdachte rond dat tijdstip voor het eerst voordeden. Drie van de genoemde deskundigen, waaronder [naam 5] , hebben een sluimerend beloop van een eerdere bloeding al dan niet in combinatie met een tweede bloeding uitgesloten als oorzaak voor het fatale beloop. [naam 6] heeft op vragen daarover geantwoord dat sprake kan zijn geweest van een bloeding in het neomembraam van een eerdere subdurale bloeding of van een sluimerend beloop, maar zij heeft daarover niet gezegd dat dit als oorzaak voor het fatale beloop kan worden gezien.

Op het moment van het ontstaan van de klinische verschijnselen was verdachte al enige tijd alleen met [naam kind] thuis. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die het fatale letsel bij [naam kind] heeft toegebracht.

Voor wat betreft de overtuiging kent de rechtbank belang toe aan de bij verdachte aanwezige agressieproblematiek. Ook de wijze waarop verdachte met [naam kind] omging, zoals die naar voren komt uit het dossier, draagt bij aan de overtuiging dat het verdachte was die het fatale hersenletsel aan [naam kind] heeft toegebracht. De rechtbank stelt in dat kader het volgende vast.

Agressieproblematiek

Vanwege een incident op 18 augustus 2015, waar verdachte in het bijzijn van zijn dochtertje, fysiek gewelddadig was tegen [moeder kind] en een vriendin van haar, is verdachte door de politierechter veroordeeld, waarbij als bijzondere voorwaarde onder meer werd opgelegd een ambulante behandeling bij De Waag in verband met zijn agressieproblematiek. Als gevolg van die zaak zijn hulpverlenende instanties betrokken bij verdachte en [moeder kind] , ook vanwege het welzijn van hun dochtertje, waaronder Veilig Thuis, stichting Intervence en Vraagkracht. In een rapport van 8 december 2015 van Veilig Thuis komt naar voren dat verdachte vier weken vóór 10 november 2015 nog verbaal en fysiek gewelddadig is geweest richting [moeder kind]68. De rechtbank stelt vast dat zij toen vijf maanden zwanger was van [naam kind] .

Op 2 februari 2016 heeft en familienetwerkberaad plaatsgevonden waar de betrokken hulpinstanties samen met verdachte, [moeder kind] , de moeder van verdachte en een vriendin van [moeder kind] (getuige [naam 14] ) aan deel namen. Vastgesteld is dat sprake was van terugkerend huiselijk geweld tussen de ouders. Veilig Thuis heeft aangegeven dat de situatie voor de kinderen op dat moment onvoldoende veilig is69 en dat de ouders om die reden niet samen kunnen wonen.

Bij een familienetwerkberaad van 11 februari 2016 is besloten dat verdachte en [moeder kind] met hun kinderen bij de moeder van verdachte in Domburg gaan wonen. Er is een veiligheidsplan opgesteld om de veiligheid van het gezin – [moeder kind] en kinderen – te waarborgen. Vraagkracht is dan van start gegaan en biedt hulp bij opvoeding in de thuissituatie. [moeder kind] heeft tijdens dat familienetwerkberaad naar voren gebracht dat zij verdachte de laatste tijd als agressiever ervaart. Verdachte heeft daar gezegd dat hij moeilijk met stress om kan gaan en dat hij de laatste tijd meer opgefokt is. Ook blijkt tijdens dat familienetwerkberaad dat verdachte [moeder kind] ‘vorige week’ nog bij de keel heeft gepakt70. De rechtbank stelt vast dat dat dan moet zijn geweest in de periode kort na de geboorte van [naam kind] . In het verslag van het familienetwerkberaad van 2 februari 2016 wordt tevens vermeld dat er een groot risico is dat er huiselijk geweld gaat plaatsvinden als [naam kind] naar huis komt, onder meer omdat er veel spanningen en stressoren zijn die niet snel opgelost kunnen worden71.

Uit onderzoek aan de gsm’s van verdachte en zijn moeder zijn diverse WhatsApp- of sms-berichten naar voren gekomen waarin niet alleen wordt gerefereerd aan huiselijk geweld, maar waarin door verdachte ook in agressieve termen wordt gesproken tegen zijn moeder en over de kinderen.

Verdachte heeft op de genoemde data de volgende WhatsApp- of sms-berichten verzonden/ontvangen:

- op 3 februari 2016, tussen verdachte en [moeder kind]72:

[moeder kind] ( [moeder kind] ): als ik nog 1x geslagen word

Ja dan is t gwn klaar tussen ons

Ja keel dichtknijpen

Me hard vastpakken

Mes pakken

[verdachte] (verdachte): heb het wek gedaan

- op 12 februari 2016, tussen verdachte en [moeder kind]73:

[verdachte] : ruzie hoort erbij

[moeder kind] : maar niet slaan

En schoppen etc

[verdachte] : oke die schop was gemeen van me

Ik ga je niet slaan of hameren

[moeder kind] : vuist

[verdachte] : denk je ik ga dat doen

[moeder kind] : ja heb je gedaan

[verdachte] : jij krikgt echt snel blauwe plekken zeg

- op 13 maart 2016, door verdachte verzonden naar zijn moeder74:

‘(…) die kut kanker kinderen zijn zo irritant’.

- op 22 maart 2016, door verdachte verzonden naar zijn moeder75:

‘Kutkind geeft ons geen minuut rust’.

- op 19 april 2016, door verdachte verzonden aan zijn moeder76:

‘Kuthoer (…)’.

- op 30 april 2016, door verdachte verzonden aan zijn moeder77:

‘Kkkk hoer kkkk hoer’.

‘ik ga jou de kk in slaan wacht maar kk hoer’.

In de nacht van 20 op 21 mei 2016 is verdachte niet alleen tegenover [naam kind] fysiek gewelddadig geweest, maar heeft hij ook zijn moeder geslagen. Bij de politie heeft verdachte immers verklaard dat hij zijn moeder in de nacht van 20 op 21 mei 2016 een ‘platte hand’ op het achterhoofd heeft gegeven toen zij ruzie hadden over het feit dat zijn moeder had gedronken78.

Wijze van omgaan van verdachte met [naam kind]

Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 april 2016 over een kabel in de woonkamer is gestruikeld terwijl hij [naam kind] in zijn handen had. [naam kind] is toen op de grond gevallen. Als gevolg daarvan had hij een blauwe plek en een bult op zijn hoofd aan de zijkant. Ook was hij ‘even weggevallen’, ‘een soort van bewusteloos’. De buurvrouw heeft bevestigd dat zij verdachte die dag heeft horen bellen naar zijn moeder waarbij hij had gezegd dat hij [naam kind] had laten vallen.

Uit de medische stukken blijkt niet dat verdachte en [moeder kind] met [naam kind] naar de huisarts zijn gegaan naar aanleiding van de val. Ook hebben zij niet tegen een arts of de hulpverlening verteld over het laten vallen van [naam kind] . [naam kind] is naar aanleiding van de val dus niet onderzocht.

Door getuige [naam 14] is verklaard dat zij een paar weken voordat [naam kind] naar het ziekenhuis ging, hoorde dat [naam kind] hard huilde. Ze zag dat verdachte [naam kind] hard bij het lichaam vastpakte en schreeuwde ‘dat kutkind huilt weer’. Ze zag dat verdachte daarbij het hoofdje niet ondersteunde.79

[moeder kind] heeft verklaard dat verdachte soms wat ongeduldig was met [naam kind] . Dat verdachte soms driftig is en dat zij het dan soms moet overnemen van verdachte. De rechtbank begrijpt uit de context van de verklaring dat zij met dat laatste bedoelt de zorg voor [naam kind] . Met de verzorging kon verdachte wat hardhandiger zijn dan zijzelf, aldus [moeder kind] .80

In een verslag van 2 mei 2016 van een hulpverleenster van Vraagkracht over een huisbezoek op die dag is onder meer opgenomen:

[verdachte] geeft aan het irritant te vinden als [naam kind] zeurt. (…) [verdachte] noemt dit zeuren: “ [naam kind] huilt nu gewoon om niks.” Ik geef aan dat dit zijn enige manier van communiceren is en dat het ook zo zou kunnen zijn dat hij gewoon wat aandacht wil als andere zaken als vieze luier, pijn, honger of moe uitgesloten zijn. [verdachte] zegt te snappen dat het aandacht vragen is maar geeft hier niet aan toe. De mediaplayer heeft zijn volle aandacht. Ondertussen maakt [moeder kind] voor [naam kind] de fles klaar en [verdachte] zegt dat hij de fles (met 60 cc melk) wil geven. Ik zie dat [verdachte] gefocust blijft op de tv en telefoon. (…)

Het drinken gaat langzaam, mogelijk door de toevoeging van Nutriton. De reactie van [verdachte] hierop is: “Jezus dan niet hoor!”. Hij buigt hierbij snel voorover om de fles op tafel te zetten. Kort tijd daarna hervat [verdachte] het voeden van [naam kind] en trekt hij op een gegeven moment de fles uit zijn mond. De beweging waarmee [verdachte] [naam kind] aan [moeder kind] wil overdragen is snel. (…) [moeder kind] zegt; “ [verdachte] , dit kun je niet maken, je zegt zelf dat je de fles wil geven dan maak je het af ook.” [verdachte] gaat ermee verder. (…)

Na de fles heeft [naam kind] de hik. Ik stuur [verdachte] [naam kind] anders vast te houden (bijvoorbeeld tegen hem aan zodat hij een boertje kan laten, dit wil [verdachte] niet want “anders kotst hij me weer helemaal onder”). Als [naam kind] spuugt (dan ‘een mondje’) reageert [verdachte] door te vloeken en poetst vrij hardhandig zijn mondje. [verdachte] pakt [naam kind] zo beet dat hij meer rechtop zit. [naam kind] blijft wat mopperen en jammeren, ik zie dat zijn oortje dubbel zit. Ik benoem dat ik schrik van de reactie van [verdachte] richting [naam kind] . Ik zie dat [verdachte] wat verstijft en vraag wat dit met hem doet als ik dit zeg. Hij zegt het niets te interesseren.

(…) Wanneer [moeder kind] [naam kind] van [verdachte] overneemt komt [naam kind] tot rust, hij ontspant.81

De gedragingen en uitspraken van verdachte zoals die blijken uit dit verslag getuigen naar het oordeel van de rechtbank van een weinig geïnteresseerde en weinig liefhebbende houding richting [naam kind] . Dit was de houding van verdachte relatief kort vóór het incident in de nacht van 20 op 21 mei 2016.

4.3.5

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte door het schudden van [naam kind] vol, onvoorwaardelijk, opzet had op de dood van [naam kind] . De rechtbank zal daarom vervolgens beoordelen of sprake was van voorwaardelijk opzet. Hiervoor moet worden getoetst of verdachte zich door het heftig schudden van [naam kind] willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [naam kind] daardoor zou komen te overlijden.

Allereerst zal worden beoordeeld of de kans op overlijden van een baby door deze baby heftig te schudden aanmerkelijk is. Algemene ervaringsregels leren dat de kans dat een baby door heftig schudden, dan wel door een contacttrauma op het hoofd komt te overlijden, aanmerkelijk is te achten. Baby’s zijn kwetsbaar waardoor ook bij de verzorging steeds voorzichtigheid moet worden betracht. Verdachte heeft verklaard dat hij weet welke gevolgen het schudden van een baby kan hebben.

Zoals eerder weergegeven is het dodelijke hersenletsel bij [naam kind] veroorzaakt door het hard heen en weer schudden. [naam 3] heeft hierover verklaard dat dit handelen dusdanig heftig is dat het door omstanders direct als gevaarlijk zou worden gekwalificeerd.

Het uitvoeren van dergelijke handelingen op een baby van 4 maanden – die vanwege zijn prematuriteit een lengte en gewicht had van een 2 maanden oude baby – kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden geïnterpreteerd dan dat verdachte met dit handelen, willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van [naam kind] heeft aanvaard.

De rechtbank acht voorwaardelijk opzet op de dood van [naam kind] daarom bewezen.

4.3.6

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [naam kind] van het leven heeft beroofd door hem op 21 mei 2016, kort vóór 02:30 uur met kracht heen en weer te schudden, waardoor het fatale hersenletsel is ontstaan waaraan [naam kind] op 24 mei 2016 is overleden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair:

op 21 mei 2016 te Domburg, gemeente Veere, zijn kind, [naam kind] (geboren op [geboortedag kind] 2016) opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op 21 mei 2016 (het hoofd van) voornoemde [naam kind] met kracht heen en weer geschud, tengevolge waarvan voornoemde [naam kind] op 24 mei 2016 is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Zij heeft tevens de gevangenneming van verdachte gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een geheel voorwaardelijke straf bepleit, eventueel in combinatie een werkstraf van maximale duur. Gewezen is op het feit dat verdachte moet leven met het gemis van zijn zoontje. Er is geen ruimte voor vergelding. Verder is sprake van een oud feit. Sinds 2016 heeft verdachte zijn leven inmiddels op de rit gekregen. Het nu nog opleggen van een gevangenisstraf zou dat allemaal teniet doen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vier maanden oude zoontje [naam kind] . Op een moment dat [naam kind] alleen aan zijn zorg was toevertrouwd, heeft hij [naam kind] heftig geschud. Baby’s zijn zeer kwetsbaar. Zo ook [naam kind] die vanwege zijn prematuriteit het gewicht en de lengte had van een twee maanden oude baby. [naam kind] was weerloos tegen het handelen van verdachte, van wiens zorg hij volledig afhankelijk was.

De rechtbank neemt verdachte dit handelen zeer kwalijk. Daarbij komt dat op het moment dat duidelijk werd dat [naam kind] medische hulp nodig had, deze hulp niet meteen is ingeschakeld. Dat de moeder van verdachte niet kon autorijden omdat zij alcohol had gedronken neemt niet weg dat verdachte een taxi of 112 had kunnen bellen. Iedereen is gaan slapen, terwijl [naam kind] in een medische noodtoestand verkeerde. Nadat in de ochtend om 09:00 uur duidelijk werd dat [naam kind] nog steeds de verschijnselen vertoonde als eerder die nacht werd pas om 11:30 uur naar de huisartsenpost gebeld. Door het gewelddadige handelen van verdachte en het niet adequaat inschakelen van medische hulp was [naam kind] kansloos en was zijn overlijden uiteindelijk niet meer af te wenden.

Het overlijden van [naam kind] brengt voor de naaste omgeving veel verdriet met zich mee. Het oudere zusje van [naam kind] zal nu verder opgroeien zonder haar broertje door toedoen van haar vader. Ook de maatschappij ervaart bij een dergelijk feit gevoelens van schok, verontwaardiging en verdriet.

Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft steeds ontkend dat hij [naam kind] hardhandig heeft geschud. Hij heeft geen openheid van zaken gegeven over wat zich heeft afgespeeld die avond toen zijn vriendin en zijn moeder niet thuis waren.

Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat hij eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten. Op 1 september 2015 is hij veroordeeld wegens mishandeling van zijn partner. Hiervoor is een voorwaardelijke taakstraf opgelegd, waarbij als bijzondere voorwaarden zijn gesteld een reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling bij De Waag. In 2012 is verdachte wegens een diefstal met geweld en een poging daartoe door de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken veroordeeld tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht is opgelegd. Daarnaast is een taakstraf opgelegd. Deze straffen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden om opnieuw een geweldsdelict te plegen. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van de strafmaat in negatieve zin rekening houden.

Reclassering Nederland heeft in haar adviesrapport van 31 december 2019 naar voren gebracht dat het algemene recidiverisico gemiddeld tot hoog is. De reclassering komt tot deze inschatting op basis van statische factoren (delictverleden), alsook de risico’s op de diverse leefgebieden.

Door dr. [naam 17] (psycholoog) en prof. [naam 18] (psychiater) is een persoonlijkheidsonderzoek verricht. Zij hebben hierover gerapporteerd op 30 december 2019. Zij hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en in mindere mate narcistische trekken. Daarnaast is sprake van een stoornis in alcoholgebruik. Ten tijde van het feit was de persoonlijkheidsstoornis aanwezig, de stoornis in alcoholgebruik niet. Omdat verdachte heeft ontkend het feit te hebben gepleegd hebben de gedragsdeskundigen geen uitspraken kunnen doen over het recidivegevaar en de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank gaat daarom uit van volledige toerekeningsvatbaarheid.

De psycholoog heeft opgemerkt dat de houding en het contact met verdachte zo op het oog moeilijk verenigbaar is met een verantwoordelijke en veeleisende rol als vader van een gezin met twee jonge kinderen.

In het afloopbericht van Reclassering Nederland van 13 oktober 2017, dat ziet op het verloop van het reclasseringstoezicht dat was opgelegd bij het vonnis van 1 september 2015, is opgenomen dat er veel zorgen zijn over de pedagogische kwaliteiten van verdachte en dat hij zich te weinig in staat toont zich in te kunnen leven in zijn dochter van dan 2 jaar oud.

De rechtbank is van oordeel dat de strafeis onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. De rechtbank overweegt dat in de rechtspraak voor een voltooide doodslag als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar wordt gehanteerd. Uit rechtspraak van gerechtshoven blijkt dat in dit type zaken veelal een lagere straf wordt opgelegd. Gelet hierop en op de omstandigheden van dit geval (recidive op het gebied van huiselijk geweld, de nalatige houding van verdachte na het toepassen van het geweld op

21 mei 2016) is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar passend en geboden is. De rechtbank houdt geen rekening met tijdsverloop in deze zaak, nu dit tijdsverloop in overwegende mate is toe te schrijven aan het door de verdediging verzochte onderzoek naar de letsels en de ontstaansoorzaak daarvan. Dit heeft veel tijd in beslag genomen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 100 uur taakstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 1 september 2015 (parketnummer 02/109076-15) ten uitvoer zal worden gelegd. De proeftijd is ingegaan op

1 september 2015 en duurde tot en met 31 augustus 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toe. De rechtbank zal de ten uitvoer te leggen 100 uur taakstraf vervangen door een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken (met aftrek van het in die zaak ondergane voorarrest) in verband met de in de hoofdzaak opgelegde strafmodaliteit.

8 De vordering tot gevangenneming

Door de officier van justitie is gevangenneming gevorderd.

Een bevel tot voorlopige hechtenis kan alleen worden gegeven wanneer is voldaan aan de ernstige bezwaren en gronden van artikelen 67 en 67a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Artikel 65, tweede lid, Sv bepaalt dat de rechtbank ook na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de gevangenneming kan bevelen.

Het door de rechtbank bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Aldus is voldaan aan artikel 67 Sv. Gelet op de beslissing van de rechtbank tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zijn ook de ernstige bezwaren, als bedoeld in artikel 67, derde lid, Sv tegen verdachte aanwezig. De ingevolge artikel 67a Sv benodigde gronden voor de voorlopige hechtenis zijn gelegen in de omstandigheden:

- dat er sprake is van een veroordeling voor een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt; en

- dat is gebleken van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, te weten het bestaan van de recidivegrond, die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld, aangezien verdachte eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten en er sprake is van agressieproblematiek bij verdachte.

Bij de vervolgvraag of de voorlopige hechtenis in dit geval moet worden toegepast, dient de rechtbank de belangen van de samenleving en de verdachte tegen elkaar af te wegen en na te gaan of voorlopige hechtenis ook wenselijk is. Mede gegeven de rechtmatige detentie na veroordeling, rechtvaardigt in dit geval de ernst van het bewezen verklaarde feit – ook in aanmerking genomen de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf – toewijzing van het gevorderde bevel.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: Doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 1 september 2015 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02/109076-15 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten taakstraf van 100 uur, indien het veroordelende vonnis in de zaak met parketnummer 02/820621-16 onherroepelijk is;

- gelast dat deze ten uitvoer te leggen taakstraf wordt vervangen door een gevangenisstraf van 7 (zeven) weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering gevangenneming

- beveelt de gevangenneming van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. J.M.P. Hopmans en

mr. I.M. Josten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 februari 2020.

mr. I.M. Josten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 507, derde alinea, en pagina 508, tweede alinea.

2 Dossierpagina 239, met daarbij weergegeven de data betreffende de foto, waarbij achter ‘capture time’ is opgenomen 20-5-2016 23:45:25.

3 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 508, tweede, de op twee na laatste alinea en de op één na laatste alinea.

4 Verklaring van verdachte van 7 juni 2016, pagina 417, laatste alinea.

5 Verklaring van verdachte van 7 juni 2016, pagina 417, laatste alinea, pagina 419, laatste alinea, en pagina 420, derde alinea.

6 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 509, dertiende alinea.

7 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 510, dertiende alinea.

8 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 515, zesde en dertiende tot en met zeventiende alinea.

9 Verklaring van verdachte van 8 juni 2016, pagina 425, laatste alinea, pagina 426, eerste alinea, en pagina 427, eerste alinea.

10 Bijlage 4 ‘Tijdlijn aan de hand van veilig gestelde gegevens uit telefoon’, pagina 244.

11 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 508, laatste alinea, en pagina 509, eerste alinea.

12 Bijlage 4 ‘Tijdlijn aan de hand van veilig gestelde gegevens uit telefoon’, pagina 244 en 245.

13 Brief van 22 mei 2016 van kinderarts [naam 1] ( [ziekenhuis 1] ) aan het [ziekenhuis 2] te Rotterdam, ter attentie van dr. [naam 2] . (pagina 2 van de stukken opgenomen bij de brief van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris met als onderwerp ‘verstrekking medische gegevens’).

14 Brief van 22 mei 2016 van kinderarts [naam 1] ( [ziekenhuis 1] ) aan het [ziekenhuis 2] te Rotterdam, ter attentie van dr. [naam 2] . (pagina 3 van de stukken opgenomen bij de brief van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris met als onderwerp ‘verstrekking medische gegevens’).

15 Stuk opgemaakt door het [ziekenhuis 3] op 24 mei 2016 (pagina 51 van de stukken opgenomen bij de brief van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris met als onderwerp ‘verstrekking medische gegevens’).

16 Verslag van de opnameperiode van [naam kind] in het [ziekenhuis 3] (pagina 85 van de stukken opgenomen bij de brief van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris met als onderwerp ‘verstrekking medische gegevens’).

17 NFI-rapport van 19 augustus 2016 ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, door patholoog [naam 4] , pagina 28 en 29 (bij genoemde letter-cijfer-combinaties).

18 NFI-rapport van 19 augustus 2016 ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’, door patholoog [naam 4] , pagina 30, laatste alinea, en pagina 31, eerste alinea en onder ‘7. Conclusie’.

19 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 78 onder 6.2.

20 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 81, onder 6.3, vierde, vijfde en zesde alinea, en pagina 82, eerste alinea.

21 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 82, laatste alinea, en pagina 83, eerste en tweede alinea.

22 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 83, onder ‘overige afwijkingen in/bij de hersenen’, en pagina 84, eerste alinea.

23 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 84, onder ‘gemelde toedracht’ en ‘- beoordeling in dit geval’.

24 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 85, eerste tot en met zesde alinea.

25 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 85, zevende alinea.

26 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 92, tweede alinea.

27 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 97, de vier alinea’s onder ‘6.8 Combinatie van bevindingen’.

28 NFI-rapport van 23 september 2016 ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’ door dr. [naam 3] , pagina 98, onder ‘beoordeling situatie in dit geval’, en pagina 99, eerste alinea.

29 Contra-expertise rapport van 6 april 2019, opgemaakt door prof. [naam 5] , pagina 12/16, eerste alinea onder ‘Discussie’.

30 Contra-expertise rapport van 6 april 2019, opgemaakt door prof. [naam 5] , pagina 14/16, tweede en derde alinea.

31 Contra-expertise rapport van 6 april 2019, opgemaakt door prof. [naam 5] , pagina 15/16, tweede alinea.

32 Contra-expertise rapport van 6 april 2019, opgemaakt door prof. [naam 5] , pagina 16/16, onder ‘samenvattend kan worden geconcludeerd’ en onder 1.

33 Brief van 10 oktober 2019 van prof. [naam 5] aan de rechter-commissaris, de antwoorden op de vragen 11 en 12.

34 Verklaring van prof. dr. [naam 6] op 11 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 30, tweede alinea.

35 Neuropathologisch onderzoek d.d. 3 augustus 2016 door prof.dr. [naam 6] , pagina 50.

36 Verklaring van prof. dr. [naam 6] op 11 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 30, eerste alinea

37 Verklaring van prof. dr. [naam 6] op 11 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 42.

38 Verklaring van prof. dr. [naam 6] op 11 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 46.

39 Verklaring van dr. [naam 7] op 11 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 18.

40 Verklaring van dr. [naam 8] op 10 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 20.

41 Verklaring van prof.dr. [naam 9] op 10 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op vraag 21.

42 Brief van arts-assistent [naam 10] aan huisarts dr. [naam 11] , pagina 18 (onder ‘Hematologisch’) van de brief met bijlagen van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris.

43 NFI-rapport van 23 september 2016, ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’, opgemaakt door dr. [naam 3] , pagina 66, tweede alinea.

44 Brief van arts-assistent [naam 10] aan huisarts dr. [naam 11] , pagina 35 tot en met 40 van de brief met bijlagen van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris.

45 Brief van arts-assistent [naam 10] aan huisarts dr. [naam 11] , pagina 41 tot en met 42 van de brief met bijlagen van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris.

46 Brief van arts-assistent [naam 10] aan huisarts dr. [naam 11] , pagina 91en 94 van de brief met bijlagen van 7 mei 2018 van dr. [naam 3] aan het kabinet van de rechter-commissaris.

47 NFI-rapport van 23 september 2016, ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’, opgemaakt door dr. [naam 3] , pagina 66, vijfde alinea.

48 Brief van 10 juni 2016 van professor [naam 9] aan forensisch patholoog dr. [naam 4] (NFI), pagina 55, de op één na laatste alinea.

49 NFI-rapport van 23 september 2016, ‘Medisch forensisch onderzoek van een 4 maanden oud geworden jongen’, opgemaakt door dr. [naam 3] , pagina 97, laatste alinea, pagina 98, eerste, tweede en vierde alinea, en pagina 99, tweede alinea.

50 Brief van 10 oktober 2019 van prof. [naam 5] aan de rechter-commissaris, de antwoorden op de vragen 15 en 26.

51 Verklaring van prof.dr. [naam 9] op 10 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, blad 5, antwoord op de vraag van de officier van justitie.

52 Verklaring van dr. [naam 7] op 11 juli 2019 tegenover de rechter-commissaris, antwoord op de vragen 18 en 23.

53 Brief van 8 augustus 2019 van dr. [naam 3] aan de rechter-commissaris, waarin hij antwoord op aanvullende vragen, antwoord op de vragen 28 en 31.

54 Brief van 10 oktober 2019 van prof. [naam 5] aan de rechter-commissaris, de antwoorden op de vragen 27 en 31.

55 Verklaring van [naam 12] op 6 maart 2018 tegenover de rechter-commissaris, blad 2, laatste alinea (“maar in grote lijnen ging het wel goed met [naam kind] ”).

56 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina

57 Verklaring van [naam 13] van 26 mei 2016, pagina 321, eerste alinea.

58 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 508, tweede alinea.

59 Verklaring van verdachte van 7 juni 2016, pagina 417, laatste alinea, en pagina 419, tweede alinea.

60 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 509, dertiende alinea, en pagina 510, derde, vijfde, elfde en dertiende alinea.

61 Verklaring van 6 maart 2018 van [moeder kind] tegenover de rechter-commissaris, blad 4, vierde alinea.

62 Verklaring van [naam 12] van 8 juni 2016, pagina 357, negende alinea.

63 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 515, zesde alinea.

64 Verklaring van 6 maart 2018 van [moeder kind] tegenover de rechter-commissaris, blad 4, laatste alinea.

65 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 516, derde en vierde alinea.

66 Verklaring van verdachte van 8 juni 2016, pagina 427, eerste alinea.

67 Verklaring van [moeder kind] van 7 juni 2016, pagina 516, vierde alinea.

68 Rapport Veilig Thuis van 8 december 2015, opgesteld door [naam 15] , pagina 75 van het dossier.

69 Verslag familienetwerkberaad 2 februari 2016, pagina 80, onder ‘veiligheidsschaal’.

70 Verslag familienetwerkberaad van 2 februari 2016, pagina 78 en 79.

71 Verslag familienetwerkberaad van 2 februari 2016, pagina 80.

72 Dossierpagina 258.

73 Dossierpagina 259.

74 Dossierpagina 294.

75 Dossierpagina 294.

76 Dossierpagina 187.

77 Dossierpagina 188.

78 Verklaring van verdachte van 8 juni 2016, pagina 427, de op één na laatste alinea.

79 Verklaring van getuige [naam 14] van 14 juni 2016, pagina 365, vijfde alinea.

80 Verklaring van [moeder kind] van 8 juni 2016, pagina 539, laatste alinea, pagina 540, tweede en zevende alinea.

81 Verslag van 2 mei 2016 hulpverleenster [naam 16] op pagina 158 en 159, als bijlage 2 bij het proces-verbaal van bevindingen van 2 juni 2016, pagina 136 tot en met 139.