Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6999

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5762
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO15

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5762 WMO15

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] te [plaatsnaam] , eiser/verzoeker

gemachtigde: mr. A. van 't Laar,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In de brief van 13 december 2018 is eiser geïnformeerd dat er ook het komend jaar niets zal veranderen in de bijdrage die hij betaalt voor de algemene voorziening ‘Hulp aan Huis’.

In het besluit van 10 april 2019 (primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek tot nihilstelling van zijn eigen bijdrage voor ‘Hulp aan Huis’ en tot restitutie van de reeds betaalde bijdragen in 2019 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), afgewezen.

In het besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de brief van 13 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2019 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Aan eiser was een voorziening toegekend in de vorm van hulp bij het huishouden. Bij besluit van 7 november 2014 is deze voorziening per 28 december 2014 beëindigd en vervangen door de voorziening ‘Hulp aan Huis’. Eiser valt in tariefgroep 4. Indien hij kiest voor een alfacheque betaalt hij een bedrag van € 13,50 per uur. Indien hij kiest voor de dienstencheque betaalt hij een bedrag van € 15,- per uur.

Bij brief van 13 december 2018 is eiser geïnformeerd dat er ook het komend jaar niets zal veranderen in de bijdrage die hij betaalt voor de algemene voorziening ‘Hulp aan Huis’. In de brief is uitgelegd dat er gemeenten zijn die de bijdrage voor ‘Hulp aan Huis’ via het CAK laten lopen en dat deze dan valt onder de maximale bijdrage van € 17,50 per vier weken. Dit is in [plaatsnaam] niet zo. In [plaatsnaam] is ‘Hulp aan Huis’ een algemene voorziening die laagdrempelig beschikbaar is. Daarom blijf eiser in 2019 voor ‘Hulp aan Huis’ een aparte rekening ontvangen.

Tegen deze brief heeft eiser bezwaar gemaakt en aangevoerd dat er geen rechtsgrond is om een eigen bijdrage, te innen via het CAK, te vragen voor ‘Hulp aan Huis’. Eiser betaalt thans € 162,- per vier weken aan 18k. Hij verzoekt de eigen bijdragen die hij heeft betaalt vanaf 1 januari 2019 terug te betalen en de eigen bijdragen voor het resterende deel van 2019 op nihil te stellen.

Bij het primaire besluit is eisers verzoek tot nihilstelling van de eigen bijdrage en de restitutie van reeds betaalde eigen bijdrage afgewezen. De voorziening waar eiser gebruik van maakt, ‘Hulp aan Huis’ betreft een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1., eerste lid, van de Wmo 2015. De gemeente kan voor het gebruik van een algemene voorziening een vergoeding vragen, indien dit is vastgelegd in de Verordening. De eigen bijdrage is vastgelegd in artikel 6.2 van de Verordening en wordt door 18k, aanbieder van de voorziening, geïnd namens de gemeente. Dit betekent dat de eigen bijdrage conform de regels is opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In aanvullend bezwaar heeft eiser verzocht alle eigen bijdragen betaald voor de voorziening ‘Hulp aan Huis’ (dus ook over voorgaande jaren) te restitueren.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen de brief van 13 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard. De brief is informatief van aard en niet op rechtsgevolg gericht en dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2019 is ongegrond verklaard. Volgens het college is ‘Hulp aan Huis’ terecht gekwalificeerd als een algemene voorziening, zodat daarvoor terecht aan eiser een eigen bijdrage is opgelegd. De door eiser aangehaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn niet één op één op zijn situatie van toepassing, omdat in de [plaatsnaam] Verordening wél voorschriften zijn opgenomen omtrent het verlenen van ‘Hulp aan Huis’ en omdat zijn financiële situatie wel voldoende is beoordeeld. Anders dan in de aangehaalde uitspraak, hoeft eiser niet zelf afspraken te maken met 18k, zodat zij een alfahulp kunnen sturen. Dit verschilt niet met het gebruik van Zorg in Natura. Niet de alfahulp, maar 18k dient als aanbieder aangemerkt te worden.

2.1

Eiser voert aan dat hij inhoudelijk weliswaar geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 13 december 2018 omdat het overeenkomt met het besluit van 10 april 2019, maar dat hij nog wel een belang heeft met betrekking tot de vergoeding van proceskosten. Daarover is in het bestreden geen besluit genomen, terwijl hij in bezwaar wel om heeft gevraagd.

Verder voert eiser aan dat de restitutie en nihilstelling van de eigen bijdrage voor de voorziening ‘Hulp aan Huis’ ten onrechte is afgewezen. ‘Hulp aan Huis’ kan niet worden beschouwd als een algemene voorziening in de zin van de Wmo 2015 en moet worden gekenschetst als een maatwerkvoorziening, waarbij eiser zelf contracteert met de alfahulp en afspraken maakt over de hoeveelheid en de aard van de te verrichten werkzaamheden. Op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van het Besluit MO [plaatsnaam] 2019 is de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening gelijk aan de totale kostprijs tot ten hoogste € 17.50 per vier weken. Op grond van artikel 2.4 van dit Besluit wordt de eigen bijdrage niet opgelegd voor de maatwerkvoorziening ‘Hulp aan Huis’. Er is op grond van de gemeentelijke regelgeving geen rechtsgrond om een eigen bijdrage, te innen via het CAK, te vragen voor de maatwerkvoorziening ‘Hulp aan Huis’. Eiser verwijst naar de uitspraak ECLI:NL:RBZWB:2018:6654. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd, omdat niet is ingegaan op het door eiser ingestelde aanvullende bezwaar van 15 juli 2019, waarbij hij heeft verzocht om alle eigen bijdragen die hij in de loop der tijd heeft betaald voor ‘Hulp aan Huis’ te restitueren. Eiser verzoekt de rechtbank te bepalen dat het bestreden besluit wordt vernietigd, het primaire besluit wordt herroepen en te bepalen dat de eigen bijdragen die zijn betaald vanaf 1 januari 2015 worden gerestitueerd, inclusief de wettelijke rente. Eiser heeft in zijn beroep verwezen naar een tweetal uitspraken van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2016:1404 en ECLI:NL:CRVB:2018:3139.

2.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Wmo voorziening ‘Hulp aan Huis’ wel degelijk een algemene voorziening is; dat eisers stelling dat hij zelf op de particuliere markt een alfahulp moet werven niet juist is omdat het 18k is die een alfahulp naar eiser stuurt; dat de betiteling van eiser als ‘werkgever’ (omdat hij aanwijzingen geeft aan de alfahulp met betrekking tot de uit te voeren huishoudelijke werkzaamheden) niet inhoudt dat hij feitelijk een werkgever is; dat de Wmo voorziening ‘Hulp aan Huis’ niet in strijd is met de Wmo 2015; en dat het feit dat ‘Hulp aan Huis’ in 2020 niet meer wordt aangeboden slechts om budgettaire redenen is gebeurd.

3.1

Onder verwijzing naar de uitspraak van vandaag van de meervoudige kamer in de zaak met zaaknummer 19/5254 Wmo15, overweegt de rechtbank als volgt.

Net als in de hiervoor genoemde zaak, merkt de rechtbank het beroep van eiser aan als een verzoek tot schadevergoeding op grond van titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Verzoek tot schadevergoeding

4.1

Per 1 juli 2013 is titel 8.4 van de Awb ingevoerd, inhoudende een verzoekschriftprocedure die het mogelijk maakt om aan de bestuursrechter een verzoek tot schadevergoeding te doen. Deze procedure is in de plaats gekomen van de in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid om op te komen tegen een zelfstandig schadebesluit en de schadeprocedure van artikel 8:73 en 8:73a van de Awb.

4.2

De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb, bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.

4.3

Van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit kan sprake zijn als schade is veroorzaakt door een door de rechter vernietigd besluit, door een in bezwaar of beroep herroepen besluit, waarbij het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de belangen van de benadeelde tegemoet is gekomen, dan wel door een (primair) besluit waarvan de onrechtmatigheid door het bestuursorgaan is erkend (zie de Memorie van Toelichting bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 621, nr. 3, p. 44). Volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de CRvB van 28 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5052) moet voor de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en komen voorts alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611).

4.4

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat zijn schade voortvloeit uit het onrechtmatige besluit van 7 november 2014. Naar het oordeel van de rechtbank is dat besluit geen onrechtmatig schadeveroorzakend besluit als hiervoor bedoeld. Vaststaat immers dat verzoeker geen rechtsmiddelen tegen dat besluit heeft aangewend. Daardoor heeft dat besluit formele rechtskracht gekregen en moet het zowel wat de wijze van tot stand komen als wat inhoud betreft voor rechtmatig worden gehouden. De enige manier waarop verzoeker nadien het college had kunnen bewegen terug te komen op dat besluit, is via een herzieningsverzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb. Niet in geschil is dat verzoeker van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. In het verzoek van 7 januari 2019 wordt het besluit van 7 november 2014 niet genoemd. In dit verzoek of later in de procedure vraagt de gemachtigde van verzoeker ook niet om (voor het verleden en de toekomst) terug te komen op het besluit van 7 november 2014. Het college kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft getoetst aan artikel 4:6 van de Awb.

5. Op grond van het voorgaande is geen sprake van een onrechtmatig schadeveroorzakend besluit, zodat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Awb het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Voor zover verzoeker bedoelt dat het schadeveroorzakend handelen ligt in het innen van de eigen bijdrage is dit handelen niet te herleiden tot een bevoegdheidsgrondslag als bedoeld in voornoemd artikel. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

Overig

Met betrekking tot de beroepsgrond dat er ten onrechte niet zou zijn beslist op zijn verzoek tot vergoeding van de kosten van bezwaar, overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit staat vermeld dat verzoek tot kostenvergoeding wordt afgewezen. In het verweerschrift is toegelicht dat het eiser duidelijk had moge zijn deze afwijzing ook geldt voor het verzoek om kostenvergoeding van 7 januari 2019, nu zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en er dus geen sprake is van een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Voor zover er op dit punt al sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, zal de rechtbank dit passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu dit punt afdoende is gemotiveerd in verweer en eiser hierdoor niet is benadeeld.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 21 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.