Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6998

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5508 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. R. Wouters,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 3 juli 2019 (primaire besluit) heeft het college eiseres aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen.

In het besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 13 augustus 2020.

Hierbij waren eiseres en haar gemachtigde aanwezig en mr. V.P.G.M. Zomers namens het college.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de feiten en omstandigheden die zijn beschreven in overweging 1 van de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 6 augustus 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening van eiseres, met zaaknummer BRE 19/3480 PW VV.

Het college heeft in het primaire besluit geweigerd aan eiseres een bijstandsuitkering toe te kennen. De reden hiervoor is dat de door eiseres verstrekte gegevens onvoldoende inzicht bieden in de wijze waarop eiseres in de periode voorafgaand aan de aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. Ook ontbreekt volgens het college daarvan enige objectieve en verifieerbare onderbouwing. Het betreft de betalingen aan de ex-partner van eiseres, de kasstortingen op de betaalrekening van eiseres, betalingen van en aan derden, de contactgegevens die eiseres van haar vader en ex-partner in aankopen en voor eiseres aanvraag gebruikt.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres, zoals de Commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) heeft geadviseerd, ongegrond verklaard.

Het geschil

2. Partijen verschillen van mening over de vraag of de aanvraag voor een bijstandsuitkering terecht is afgewezen.

De beroepsgronden

3. Eiser voert in beroep aan dat bij het college ten onrechte twijfels zijn over de manier waarop zij voorafgaand aan haar bijstandsaanvraag in haar bestaan heeft voorzien.

Eiseres stelt dat zij omtrent de mutaties op haar bankrekening meteen een duidelijke uitleg heeft gegeven die later ook is onderbouwd met stukken. Onbegrijpelijk is dat het college stelt dat een concreet doel bij de lening zou ontbreken. Het doel was volgens eiseres volstrekt helder, namelijk het aflossen van de andere lening.

Eiseres raakt door het besluit in grote financiële problemen. Er wordt geen rekening gehouden met haar persoonlijke situatie.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of recht op bijstand.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.

5. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is, met het college, allereerst van oordeel dat de gegevens nodig waren om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Tot het opvragen van die gegevens bestond naar het oordeel van de rechtbank temeer aanleiding omdat uit de overgelegde bankafschriften de indruk ontstaat van een (zekere) financiële verstrengeling met derden, zoals de voormalige partner, diens onderneming, verzoeksters vader en haar voormalige schoonfamilie. Het college heeft dus terecht het standpunt ingenomen dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld als daarover geen opheldering wordt verschaft.

De vraag is vervolgens of de aanvraag voor een bijstandsuitkering terecht is afgewezen.

Het geschil heeft betrekking op de periode die begint op de datum met ingang waarvan het recht op uitkering is aangevraagd, 10 mei 2019, en eindigt op de datum van het afwijzingsbesluit, 3 juli 2019.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB: 2017:3656). Daarbij dient de aanvrager duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan deze inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven.

Eiseres heeft ook naar aanleiding van de zitting bij de voorzieningenrechter stukken ingeleverd en uit de overwegingen vanaf 8 van de commissie blijkt dat daar naar gekeken is. Zelfs zodanig dat de rechtbank die overwegingen kan volgen en die tot de hare maakt. De stelling dat telkens om nieuwe stukken is gevraagd volgt de rechtbank niet.

Als eiseres ontvangen leningen heeft gebruikt om schulden af te lossen, doet dat er niet aan af dat die leningen als middelen in de zin van art. 31 PW kunnen worden aangemerkt. Zij had er voor kunnen kiezen die gelden niet te besteden aan aflossing maar voor levensonderhoud.

Doorslaggevender nog laat de rechtbank wegen dat er flinke bedragen heen en weer gaan, met name tussen eiseres en haar ex, en dat daar geen verifieerbare verklaring voor is gegeven. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat het recht op bijstand hierdoor niet is vast te stellen.

Ter zitting is nog aan de orde gesteld dat er vanaf 13 augustus 2019 wél bijstand is verleend. Verweerder heeft hierop geantwoord dat toen een andere, latere periode voor lag en dat uit bestudering van de overgelegde stukken geen onduidelijkheden of onregelmatigheden (meer) zijn gebleken. De rechtbank kan deze toelichting volgen.

6. Conclusie

Het beroep is ongegrond.

7. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier op 21 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.