Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:698

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
02-175637-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak teweegbrengen ontploffing in huis, nu niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen dat verdachte het vuurwerk op de overloop heeft afgestoken.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte wel vuurwerk tot ontploffing heeft gebracht in de tuin, vlakbij de schuur. Echter, niet kan worden vastgesteld dat causaal verband bestaat tussen het afsteken van het vuurwerk en het ontstaan van de brand in de schuur, met als gevolg gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Ook op dit onderdeel volgt vrijspraak."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/175637-19

vonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats]

wonende te [adres ]

thans verblijvende te [adres 1]

raadsman mr. A.A.W. den Ouden, advocaat te Oisterwijk

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tevens is als getuige deskundige gehoord [reclasseringsmedewerker] van de verslavingsreclassering Novadic Kentron.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2019, te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, opzettelijk een ontploffing heeft teweeggebracht, door (telkens) opzettelijk vuurwerk, (op de bovenverdieping) in de woning aan de [adres ] en/of in een schuurtje behorende bij deze woning, danwel in de onmiddellijke nabijheid van dit schuurtje, tot

ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de huisraad/inboedel en/of inventaris van die woning en/of dat schuurtje en/of belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of een of meerdere anderen zich in die woning en/of de belendende woning(en)/percel(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit begaan heeft. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op het volgende.

Verwijt 1 – vuurwerk afsteken op de overloop in de woning

Uit de verklaring van [naam 4] blijkt dat verdachte vuurwerk heeft afgestoken in de woning. Dit is de meest objectieve getuigenverklaring, nu [naam 4] geen onderdeel is van de familie en geen ruzie had met verdachte. De verklaring van [naam 4] ziet echter op het eerste moment waarop vuurwerk is afgestoken op de overloop. Pas bij het tweede moment dat er vuurwerk op de overloop is afgestoken, is brand ontstaan en de tenlastelegging ziet dan ook op dit moment. De dochters van verdachte hebben wat betreft dit moment verklaard niet gezien te hebben dat verdachte vuurwerk op de overloop gooide. De officier van justitie vraagt zich uitdrukkelijk af hoe aannemelijk het is dat het tweede moment anders is gegaan dan het eerste moment. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er vuurwerk is aangetroffen op de overloop. Verder is er brand ontstaan op de overloop, zoals blijkt uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] (dochters van verdachte), en bovendien is er een schroeiplek aangetroffen op de overloop, zoals blijkt uit de foto’s. [naam 1] en [naam 2] hebben aangifte gedaan, waarbij zij hebben verklaard dat verdachte vuurwerk heeft afgestoken in de woning. Het enige reële alternatieve scenario is dat [naam 3] (het zevenjarig zoontje van verdachte) het vuurwerk in de woning heeft afgestoken. Dit acht de officier van justitie echter niet aannemelijk, nu een zevenjarig kind niet zodanig vooruit plant dat hij eerst lucifers of een aansteker zoekt, zodat hij als hij de kans krijgt vuurwerk kan afsteken in de woning.

Per definitie leidt dit tot gemeen gevaar voor goederen en in dit geval ook tot gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, nu het kinderen waren die de brand hebben moeten blussen, geen ervaren volwassenen.

Verwijt 2 – vuurwerk afsteken in de (nabijheid van de) schuur waarna brand is ontstaan in de schuur

De officier van justitie heeft benadrukt dat de modus operandi met betrekking tot de overloop en de schuur exact hetzelfde is geweest.

Er is vuurwerk aangetroffen in de tuin en bij de schuur. De officier van justitie is van mening dat er ook vuurwerk ín de schuur is terechtgekomen waarvan restanten zijn overgebleven. Op foto’s is te zien dat er vuurwerk voor de schuur lag.

In de schuur waren geen elektrische apparaten aangesloten die kortsluiting hebben kunnen veroorzaken. Nu verdachte bovendien de elektriciteit al weer heeft ingeschakeld drie uur voordat de brand werd ontdekt, kan er geen causaal verband zijn tussen het inschakelen van de elektriciteit en de brand.

Ook was verdachte onder invloed van alcohol, wat remmingen wegneemt. Dat de buren eerst een harde knal hoorden en dan de brand zagen, past in het scenario dat de schuur in brand is geraakt als gevolg van vuurwerk.

Door de brand in de schuur heeft zich gemeen gevaar voor goederen voorgedaan, nu de daken van de schuren van verdachtes woning en de naastgelegen woningen zijn geschakeld. Het grootste gedeelte van het dak van de schuur is ingestort. Ook is gebleken dat de muur van de schuur van de buren al heet was geworden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van het aan hem ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op het feit dat een oorzaak van de brand in de schuur niet is vastgesteld, dat de dochters van verdachte niet daadwerkelijk hebben gezien dat verdachte vuurwerk op de overloop heeft gegooid en dat er reële alternatieve scenario’s mogelijk zijn.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Inleiding

Op 21 juli 2019 heeft verdachte samen met zijn zoontje [naam 3] vuurwerk afgestoken bij de woning gelegen aan de [adres ] , te Kaatsheuvel. Die dag waren twee dochters – [naam 2] en [naam 1] – ook thuis. Ook was de vriend van [naam 1] in de woning aanwezig, [naam 4] . Op die dag is er eerst een brandje op de overloop ontstaan, zeer vermoedelijk doordat er vuurwerk op de overloop terecht is gekomen. Enige tijd later is er brand ontstaan in de schuur van de woning.

Verwijt 1 – vuurwerk afsteken op de overloop in de woning

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte – door het afsteken van vuurwerk – een ontploffing teweeg heeft gebracht op de overloop in de woning.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die door het afsteken van vuurwerk op de overloop een ontploffing teweeg heeft gebracht. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

[naam 4] heeft verklaard dat hij - op een eerder moment die dag - heeft gezien dat verdachte vuurwerk op de overloop heeft afgestoken. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [naam 2] dat verdachte op een gegeven moment geroepen zou hebben dat hij vuurwerk naar haar en haar zus [naam 1] ging gooien. Daarmee is een begin van aannemelijkheid gecreëerd dat verdachte schuldig is aan het afsteken van vuurwerk op de overloop van de woning, hetgeen tot het brandje zou hebben geleid.

In het dossier bevinden zich echter geen andere bewijsmiddelen die dit scenario ondersteunen.

[naam 2] heeft verklaard dat [naam 3] onderaan de trap stond toen zij de brand op de overloop zag. Zij heeft ook verklaard dat haar vader toen de hele tijd buiten was en een biertje aan het drinken was. Zij heeft haar vader niet daadwerkelijk vuurwerk binnen zien afsteken en plaatst haar vader (verdachte) bovendien op een cruciaal moment juist niet in de buurt van de brand, maar buiten.

[naam 1] heeft ook niet gezien dat haar vader vuurwerk afstak op de overloop of in de woning. Haar broertje [naam 3] en haar zus [naam 2] hebben geholpen de brand op de overloop te blussen.

Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte niet de enige was die toegang had tot het vuurwerk.

Gelet op deze omstandigheden valt naar het oordeel van de rechtbank, zeker met betrekking tot het moment waarop de tenlastelegging ziet, niet buiten redelijke twijfel vast te stellen dat verdachte het vuurwerk op de overloop heeft afgestoken.

Verwijt 2 – vuurwerk afsteken in de (nabijheid van de) schuur waarna brand is ontstaan in de schuur

Ook ten aanzien van dit verwijt geldt dat de rechtbank eerst de vraag zal moeten beantwoorden of verdachte – door het afsteken van vuurwerk – een ontploffing teweeg heeft gebracht, waarbij het ditmaal gaat om de bij de woning behorende schuur of de onmiddellijke nabijheid daarvan.

Gelet op de verklaringen van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat hij in elk geval vuurwerk heeft afgestoken in de partytent die in de tuin stond.

Verdachte heeft verklaard dat hij buiten de partytent geen vuurwerk heeft afgestoken. De rechtbank volgt die verklaring van verdachte niet, gelet op de hoeveelheid aangetroffen vuurwerk buiten de partytent, zoals te zien is op de foto’s in het dossier.

Aldus staat vast dat verdachte ontploffingen teweeg heeft gebracht in de bij de woning behorende tuin, onder meer in de onmiddellijke nabijheid van de schuur.

Of er ook vuurwerk in de schuur is afgestoken staat niet vast, nu het dossier daar geen concreet aanknopingspunt voor biedt.

Vervolgens zal de rechtbank de vraag moeten beantwoorden of door het teweegbrengen van die ontploffingen in de onmiddellijke nabijheid van de schuur – oftewel door het daar afsteken van vuurwerk – gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat dat niet zo is en overweegt daartoe als volgt.

Ten eerste volgt uit de getuigenverklaringen dat het zou gaan om licht consumentenvuurwerk; technisch bewijs hieromtrent ontbreekt. Gegeven de feitelijke situatie ter plaatse kan in dit geval niet worden geoordeeld dat gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.

Ten tweede kan weliswaar worden geoordeeld dat de brand gemeen gevaar voor goederen met zich bracht, maar kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat er een causaal verband bestaat tussen het afsteken van het vuurwerk door verdachte en het ontstaan van de brand in de schuur.

Er is geen technisch bewijs waaruit blijkt wat de oorzaak van de brand in de schuur is geweest. Ook de bevelvoerder van de brandweer kon niks zeggen over het oorzaak van de brand in de schuur. Uit de aangifte en de getuigenverklaringen blijkt evenmin dat de brand in de schuur is ontstaan door het afsteken van het vuurwerk. Er is tot slot geen vuurwerk aangetroffen in de schuur zelf en van het vuurwerk dat in de nabijheid van de schuur is aangetroffen kan de rechtbank niet vaststellen of dat de oorzaak was van de brand in de schuur.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, wordt het geschorste bevel voorlopige hechtenis opgeheven.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Felix, voorzitter, mr. Van Bergen en mr. Voorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

13 februari 2020.