Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6834

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
AWB- 20_9828 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek inzake aanvraag uitkering op grond van de Participatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/9828 PW VV

uitspraak van 31 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , beiden wonende te [woonplaats] , verzoekers,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal, advocaat te Schiedam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 oktober 2020 (bestreden besluit) van het college waarbij hun aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet is afgewezen. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 17 maart 2020 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBZWB:2020:1239) op een verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekers indienden naar aanleiding van een besluit van het college van 30 januari 2020.
In dat besluit werd geweigerd verzoekers een uitkering op grond van de Participatiewet toe te kennen, omdat zij onvoldoende inzicht hebben gegeven in de waarde van hun vermogen. Tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2020 is beroep ingesteld. Op dat beroep is nog geen uitspraak gedaan.

Op 14 juli 2020 hebben verzoekers opnieuw een aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet ingediend. Die aanvraag is bij het bestreden besluit afgewezen omdat zij niet hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden waardoor zij nu wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat zij alle relevante stukken aan het college hebben aangeleverd. Zij leven op het randje van de financiële afgrond. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen waardoor hen bijstand wordt verleend.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Volgens artikel 8:85 van de Awb is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure.

4. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter in bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), betekent artikel 8:85 van de Awb dat een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening slechts voor toewijzing in aanmerking kan komen wanneer de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141).

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het nu te beoordelen verzoek betrekking heeft op een ander besluit van het college dan het besluit van 20 januari 2020. Beide besluiten berusten echter op hetzelfde feitencomplex. Nu de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2020 geacht moet worden nog steeds te gelden, is de hierboven bedoelde vaste rechtspraak van overeenkomstige toepassing.

6. In een brief van 8 december 2020 heeft de griffier de gemachtigde van verzoekers gewezen op de in overweging 4 beschreven vaste rechtspraak, en gevraagd om binnen zeven dagen mee te delen of sprake is van een belangrijke wijziging van de relevante feiten of omstandigheden. Aan gemachtigde is meegedeeld dat het uitblijven van een tijdige en volledige reactie op die brief kan leiden tot afwijzing van het verzoek.

Op die brief is binnen de gegeven termijn geen reactie ontvangen.

7. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 31 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.


*griffier voorzieningenrechter

* De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mee te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.