Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6755

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5192
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5192 PW

uitspraak van 31 december 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser, en [naam eiseres], eiseres, wonende te [plaatsnaam] (gezamenlijk ook eisers genoemd),

gemachtigde: mr. I.P.M.J. Nelemans, advocaat te Tilburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 5 november 2019 (primair besluit) heeft het college het recht op bijstand van eisers ingetrokken vanaf 13 juni 2019, hun vermogen vastgesteld op € 20.955,- en de over de periode van 13 juni 2019 tot en met 31 oktober 2019 te veel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 6.399,51 van hen teruggevorderd. Aan het besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eisers op 13 juni 2019 een auto hebben aangeschaft ter waarde van
€ 12.240,- waarvan zij bij het college geen melding hebben gemaakt.

In het besluit van 13 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft het vermogen van eisers gewijzigd vastgesteld op € 13.895,-. De intrekking van het recht op bijstand van eisers vanaf 13 juni 2019 wordt gehandhaafd, maar de periode van intrekking is beëindigd per 17 juli 2019. De over de periode van 13 juni 2019 tot en met 16 juli 2019 te veel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 1.638,80 is van hen teruggevorderd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 20 november 2020. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van der Meulen, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Mr. Van der Meulen heeft de rechtbank bij het begin van de zitting laten weten dat eiser twee maanden geleden helaas is overleden.

2. Geschil

In geschil is de vraag of het college terecht het bestreden besluit heeft genomen.

3. Beroepsgronden

Eisers hebben aangevoerd dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geldlening die zij zijn aangegaan met hun zoon. Ook is het college ten onrechte voorbij gegaan aan de kilometerstand van de auto, namelijk 300.000, waardoor de waarde van de auto lager is dan het college stelt.
4. Beoordeling

Geldlening

4.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de zoon van eisers, [naam zoon eisers] , op
18 september 2019 de volgende schriftelijke verklaring heeft afgelegd: “Goedendag, Ik heb van mijn vader vernomen dat er paar vragen zijn i.v.m. nieuwe auto die we hebben gekocht. Het situatie zit zo, omdat me vader ziek is en hun auto flink verouderd was heb ik een nieuwe auto voor hun gekocht. Hierbij verklaar ik, dat ik zelf de auto heb vergoed. Mocht er vragen zijn over mijn financiële inkomsten. Dan zal ik u graag willen informeren.”

4.2

Bij aanvullend bezwaarschrift van 26 januari 2020 is gesteld dat eisers hebben afgesproken dat zij het bedrag dat zij voor de nieuwe auto moesten bijbetalen, te weten
€ 9.240,-, aan hun zoon terugbetalen. Het gaat dus om een lening. De op 11 januari 2020 gedateerde leningsovereenkomst is bijgevoegd en luidt als volgt: “Hierbij wil ik jullie ten hoogte stellen dat ik [naam zoon eisers] geboren op [geboortedatum zoon eisers] en bedrag heb geleend aan mijn ouders. Dit bedrag is 9240 euro. (Geleende bedrag voor auto). Deze bedrag gaan ze maandelijks 50 euro aan mij terugbetalen. Het is afgesproken dat ze per 1 februari 2020 beginnen met betalen.”

4.3

Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de zoon van eisers op 18 september 2019 duidelijk heeft verklaard dat hij een nieuwe auto voor zijn ouders heeft gekocht en dat hij die zelf heeft vergoed. Nergens bleek uit dat het een lening aan zijn ouders betrof. Het feit dat daar later in bezwaar op teruggekomen wordt door te stellen dat sprake is geweest van een geldlening, acht het college ongeloofwaardig. De door de zoon opgestelde verklaring voldoet ook niet aan de eisen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan geldleningen stelt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat bij de betaling van de auto de afspraak is gemaakt dat het een lening betrof en dat deze terugbetaald moet worden. De geldlening is namelijk achteraf opgesteld.

4.4

De rechtbank kan zich verenigen met het standpunt van het college en verwijst daarvoor onder meer naar de uitspraken van de CRvB van 30 mei 2017, ECLI:NL:CRVB: 2017:2154 en van 1 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3154. De stelling ter zitting dat eisers op 4 februari 2020 een bedrag van € 1.000,- hebben overgemaakt naar [naam zoon eisers] in het kader van de geldlening, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze overboeking van € 1.000,- komt bovendien ook niet overeen met wat in de overeenkomst van 11 januari 2020 is neergelegd.

Waarde van de auto

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat eisers geen lagere waarde van de auto aannemelijk hebben weten te maken op de aankoopdatum (13 juni 2019) dan het bedrag van € 9.180,- (zijnde 75% van € 12.240,-) dat het college heeft aangehouden.

5. Conclusie

Het bovenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.M. Pasmans, griffier, op 31 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mee te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.