Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6750

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AWB- 20_4986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/4986 PW

uitspraak van 31 december 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , wonende te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. S. Gomez Espinosa, advocaat te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 21 juni 2019 (primair besluit) heeft het college eisers aanvraag om bijstand afgewezen en de verleende voorschotten tot een bedrag van € 210,- van hem teruggevorderd.

In een besluit van 22 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank in Breda op 20 november 2020.
Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en namens het college was
[aanwezige namens verweerder] aanwezig.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft op 20 mei 2019 een bijstandsuitkering naar de norm voor een dakloze aangevraagd bij het college. Die aanvraag is bij het primaire besluit afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser heeft aangegeven in de daklozenopvang [naam daklozenopvang] te [plaatsnaam] te verblijven. Vanuit de daklozenopvang is echter doorgegeven dat eiser zijn verblijf niet meer in de opvang heeft. Eiser is door het college verschillende keren in de gelegenheid gesteld inzicht te geven in waar hij zijn verblijf heeft, maar hij heeft geweigerd om daar antwoord op te geven. Daardoor kan het college niet bepalen of eiser recht heeft op een uitkering.

2. Geschil

In geschil is de vraag of het bestreden besluit terecht is.

3. Beroepsgronden

Eiser heeft in beroep zijn bezwaargronden herhaald. Eiser stelt dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om informatie te geven. Ook stelt eiser dat hij een hersteltermijn had moeten krijgen van het college. Verder stelt eiser dat uit de onderliggende rapportage in het geheel niet blijkt dat eiser niet in de daklozenopvang verbleef en dat daarnaar onderzoek is gedaan. Ten slotte betwist eiser een voorschot van € 70,- te hebben ontvangen over de periode 1 juni 2019 tot 8 juni 2019.

4. Beoordeling

4.1.

Het gaat in dit geschil om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt dat een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die tot inwilliging van die aanvraag moeten leiden (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 19 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3734).

4.2

Het college heeft eisers aanvraag om bijstand afgewezen vanwege een schending van de inlichtingenplicht, waardoor zijn recht op uitkering niet is vast te stellen. Eiser stelt dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld om duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en verblijfsituatie. De rechtbank oordeelt hierover het volgende.

4.2.1

Vaststaat dat het college eiser tijdens gesprekken op 12 juni 2019 en 19 juni 2019 de gelegenheid heeft geboden inlichtingen te verstrekken over zijn woon- en verblijfsituatie. Ook tijdens het intakegesprek op 28 mei 2019 is met eiser gesproken over zijn verblijfsituatie. Niet in geschil is dat eiser de gesprekken van 12 juni 2019 en 19 juni 2019 voortijdig heeft verlaten en dat het college hierdoor onvoldoende inzicht heeft gekregen in eisers woon- en verblijfsituatie. Bovendien heeft eiser ook in bezwaar de gelegenheid gehad om concrete en verifieerbare informatie te verstrekken over zijn woon- en verblijfsituatie, wat hij echter ook niet heeft gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college eiser voldoende gelegenheid heeft geboden om zijn woon- en verblijfsituatie toe te lichten.

4.3

Eiser stelt tevens dat hij van het college na het gesprek op 19 juni 2019 een hersteltermijn had moeten krijgen, maar de rechtbank deelt dat standpunt niet.

Het college heeft naar voren gebracht dat in het gesprek met eiser op 12 juni 2019 duidelijk is besproken dat hij een inlichtingenplicht heeft en dat door het niet verstrekken van inlichtingen over zijn woon- en verblijfsituatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In het gesprek van 19 juni 2019 heeft eiser opnieuw de mogelijkheid gekregen zijn woon- en verblijfsituatie aan te geven. Tevens waren bij het gesprek van 19 juni 2019 twee andere personen aanwezig (een medewerker van centraal onthaal en een woonbegeleider van de daklozenopvang). Juist omdat eiser dakloos is, is gekozen voor communiceren door middel van twee persoonlijke gesprekken op het stadskantoor.
Het gesprek van 19 juni 2019 kan worden gezien als een hersteltermijn, aldus de gemachtigde van het college.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de toelichting van het college over de gesprekken die met eiser zijn gevoerd. Hiervoor is al overwogen dat niet in geschil is dat eiser de gesprekken van 12 juni 2019 en 19 juni 2019 voortijdig heeft verlaten. Eiser heeft tijdens de gesprekken twee keer de gelegenheid gehad om inlichtingen te verstrekken. Doordat eiser twee keer heeft besloten het gesprek te verlaten, terwijl het college rekening houdend met de dakloosheid van eiser juist had gekozen voor twee persoonlijke gesprekken, hoefde het college naar het oordeel van de rechtbank geen reden te zien om aan eiser een hersteltermijn te bieden.

4.4

Eiser heeft verder gesteld dat uit de onderliggende rapportage in het geheel niet blijkt dat eiser niet in de daklozenopvang verbleef en dat daarnaar onderzoek is gedaan.

De rechtbank kan eiser niet volgen in dat standpunt. Ter zitting heeft het college gewezen op de e-mail van 13 december 2019 met daarin informatie van daklozenopvang [naam daklozenopvang] te [plaatsnaam] (bladzijde 75 van het dossier), waaruit duidelijk blijkt wanneer eiser in de daklozenopvang heeft verbleven.

4.5

Ten slotte betwist eiser een voorschot van € 70,- te hebben ontvangen over de periode van 1 juni 2019 tot 8 juni 2019.

Ook dat betoog slaagt niet. Uit het door het college overgelegde transactieoverzicht van de maand juni 2019 (bladzijde 85 van het dossier) blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat eiser een voorschot van € 70,- heeft ontvangen over de periode van 1 juni 2019 tot 8 juni 2019.

5. Conclusie

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen reden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. Pasmans, griffier, op 31 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mee te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.