Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6658

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20 _ 908
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/908 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. M. van der Meer,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Gemeente [plaatsnaam3], te [plaatsnaam2] (de werkgever).

Procesverloop

In het besluit van 17 juli 2019 (primaire besluit) heeft het UWV met ingang van 1 juli 2019 aan eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Tegen dit besluit heeft de (ex-)werkgever van eiser, de gemeente [plaatsnaam3] , een bezwaarschrift ingediend.

In het besluit van 23 december 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard. Eiser heeft wel recht op een WW-uitkering per 1 juli 2019, maar aan hem wordt een maatregel opgelegd, omdat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behouden heeft.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken tijdens de zitting van de rechtbank op 15 oktober 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, [naam vertegenwoordiger] namens het UWV en
mr. J.A. de Kievit, [naam juridische adviseur] (juridisch adviseur) en [naam P&O] (P&O) namens de werkgever.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Eiser had van 1 september 2017 tot en met 30 juni 2019 een tijdelijke aanstelling in dienst van de gemeente [plaatsnaam3] , in de functie van kwaliteitsmedewerker voor 36 uur per week.

Bij brief van 12 april 2019 heeft de gemeente [plaatsnaam3] de tijdelijke aanstelling op verzoek van eiser beëindigd per 1 juli 2019.

Op 30 juni 2019 heeft eiser een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend.

Bij besluit van 17 juli 2019 is aan eiser met ingang van 1 juli 2019 een WW-uitkering toegekend.

Tegen dit besluit heeft de werkgever een bezwaarschrift ingediend, omdat eiser volgens hem geen aanspraak kan maken op de WW-uitkering.

De werkgever is op 6 november 2019 op de hoorzitting gehoord.

Bij brief van 6 december 2019 heeft het UWV kenbaar gemaakt voornemens te zijn het bezwaar van de werkgever gegrond te verklaren en het besluit van 17 juli 2019 te herzien.

Eiser heeft op 12 december 2019 zijn zienswijze gegeven.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Eiser heeft per 1 juli 2019 wel recht op een WW-uitkering, maar aan hem wordt een maatregel opgelegd omdat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behouden heeft. De maatregel houdt in dat eiser de uitbetaling van zijn WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd.

2. Eiser voert aan dat hem geen aanbod is gedaan tot verlenging van zijn aanstelling als kwaliteitsmedewerker , zodat geen sprake is van overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en sub b, onder 3 van de WW. Er kan aan hem dan ook geen maatregel worden opgelegd. Verder is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het motiveringsbeginsel, omdat het UWV niet is ingegaan op zijn verweer en niet heeft aangetoond dat eiser wel een verlengingsaanbod heeft gekregen.

Daarnaast is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat eiser niet behoorlijk is opgeroepen voor de hoorzitting waar het bezwaarschrift van de werkgever werd behandeld.

3. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser een concreet werkaanbod is gedaan. Dit aanbod is door eiser afgewezen zodat de maatregel volgens het UWV op de juiste gronden is opgelegd.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. In geschil is of het UWV terecht de uitbetaling van de WW-uitkering van eiser blijvend geheel geweigerd heeft.

6.1

In de WW staat dat de werknemer de verplichting heeft te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt of dat hij werkloos is of blijft, bijvoorbeeld doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. De werknemer is verwijtbaar werkloos als het dienstverband is beëindigd door of op verzoek van de werknemer en aan de voortzetting van het dienstverband niet zodanige bezwaren waren verbonden, waardoor voortzetting redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. In deze gevallen wordt de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd, tenzij het de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij verwijtbaar werkloos is geworden of gebleven. De criteria om verwijtbare werkloosheid vast te stellen gelden in dezelfde mate voor de beoordeling of een werknemer door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

6.2

De rechtbank stelt vast dat het tijdelijke dienstverband van eiser, zoals dat afliep op 1 juli 2019, niet is verlengd. Aan het dienstverband van eiser is derhalve van rechtswege een einde gekomen. Dat betekent dat de uitbetaling van de WW-uitkering alleen kan worden geweigerd indien geoordeeld wordt dat eiser door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden (artikel 24, eerste lid, aanhef en sub b, onder 3, van de WW). Omdat het hier gaat om een belastend besluit, is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat daar sprake van is.

Het UWV heeft zich bij het bestreden besluit gebaseerd op informatie van de werkgever. Volgens de werkgever zou de aanstelling van eiser verlengd worden als eiser niet zelf had aangegeven per 1 juli 2019 elders in vaste dienst te zullen treden. Weliswaar blijkt uit het dossier niet dat de werkgever een concreet aanbod heeft gedaan, er is bijvoorbeeld geen verslag van een gesprek tussen de werkgever en eiser waarin dat expliciet ter sprake is geweest, maar de rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de werkgever, waaronder de verklaring van 19 november 2019. Eiser functioneerde goed en de door hem uitgeoefende functie van kwaliteitsmedewerker is een noodzakelijke functie. Bovendien heeft eiser niet alleen tegen de werkgever, maar ook tegen meerdere collega’s gezegd dat hij als belastingconsulent zou gaan werken bij een administratiekantoor in [plaatsnaam4] waar hij al één dag per week werkzaam was. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een plausibele verklaring op waarom de verlenging van de aanstelling niet uitvoerig is besproken en schriftelijk is vastgelegd. Verder heeft de werkgever in de brief van 12 april 2019 schriftelijk bevestigd dat de aanstelling op verzoek van eiser niet werd voortgezet wegens het aanvaarden van een nieuwe baan. Eiser heeft geen bezwaar aangetekend tegen deze brief en hier verder niet op gereageerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV het bestreden besluit hiermee voldoende onderbouwd. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij geen verlenging van de arbeidsovereenkomst wenste. Hij kan daarvoor niet volstaan met de enkele stelling dat de werkgever geen concreet aanbod heeft gedaan tot verlenging van zijn aanstelling, gelet op de door de werkgever genoemde omstandigheden. Bovendien is ter zitting door en namens eiser gezegd dat hij niet zozeer terug wilde als er geen plek voor hem was en dat er destijds sprake was van het idee om (uiteindelijk) voor zichzelf beginnen.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat het handelen van eiser kan worden aangemerkt als door eigen toedoen geen passende arbeid behouden. Het UWV heeft daarom terecht besloten de WW-uitkering van eiser niet uit te betalen.

6.4

Eiser heeft verder nog aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De hoorzitting waar het bezwaarschrift van de werkgever werd behandeld, vond plaats op 6 november 2019. Eiser heeft pas op 30 september 2019 een afschrift van het bezwaarschrift ontvangen. Hij is op 1 november 2019 telefonisch uitgenodigd voor de hoorzitting en op 4 november 2019 heeft hij de schriftelijke uitnodiging ontvangen. Dit is volgens eiser te laat. Bovendien meent hij dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door te zeggen dat zijn aanwezigheid bij de hoorzitting geen invloed zou hebben op de beslissing.

De rechtbank constateert dat eiser niet behoorlijk is opgeroepen voor de hoorzitting op 6 november 2019. Dit is een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad, omdat hij in beroep de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt toe te lichten. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht passeren.

7.1

Het beroep is ongegrond.

7.2

Wegens het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit draagt de rechtbank het UWV op om aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt het UWV verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.025,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 24 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: wettelijk kader

Werkloosheidswet (WW)

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en sub b, onder 3, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en sub b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.

Ingevolge artikel 27, elfde lid, van de WW wordt het bedrag, bedoeld in het eerste en tweede lid, als volgt berekend:

A x B x (C / D). Hierbij staat:

A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;

B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of tweede lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;

C voor het dagloon; en

D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.