Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6655

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
AWB- 20 _ 5193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BESLU

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5193 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2020 in de zaak tussen

[naam V.O.F.] V.O.F., te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. M. van Hoorne,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 19 september 2019 (primaire besluit) heeft de staatssecretaris een bestuurlijke boete van € 13.500,- aan eiseres opgelegd vanwege overtreding van artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

In het besluit van 14 februari 2020 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken tijdens de zitting van de rechtbank op 15 oktober 2020.

Namens eiseres was [naam vertegenwoordiger] aanwezig. Hij werd bijgestaan door diens gemachtigde. Namens de staatssecretaris was mr. S. Smit aanwezig.

De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd met zes weken.

Overwegingen

1. Uit de stukken in het dossier blijkt het volgende: De activiteit van eiseres bestaat uit interieurreiniging van gebouwen. Op 15 maart 2019 verrichtte [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), in dienst van eiseres werkzaamheden als industrieel reiniger in bedrijfsruimten van de onderneming [naam onderneming] B.V. te [plaatsnaam] . De werkzaamheden bestonden uit het reinigen van machines, wanden en vloeren. Om het vloerrooster onder een zogeheten cutter-apparaat schoon te maken, moest het vloerrooster omhoog getild worden en over het naastgelegen vloerrooster heen geschoven worden. Het slachtoffer moest bukken om het vloerrooster onder de cutter op te tillen. Hij trok het vloerrooster met kracht naar zich toe, waarbij zijn middelvinger bekneld raakte tussen het vloerrooster dat eruit getrokken werd en het naastgelegen vloerrooster dat nog op zijn plaats in de goot lag. Het slachtoffer heeft letsel opgelopen aan het topje van zijn linker middelvinger, bestaande uit de amputatie van zijn vingerkootje.

Het ongeval werd op 16 maart 2019 gemeld bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Naar aanleiding hiervan heeft een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval en is tot de conclusie gekomen dat eiseres artikel 16, tiende lid, van het Arbobesluit in samenhang gelezen met artikel 3.17 van het Arbobesluit niet heeft nageleefd. Hiervan is een boeterapport opgemaakt.

In de brief van 28 augustus 2019 heeft de staatssecretaris aan eiseres medegedeeld voornemens te zijn een bestuurlijke boete aan eiseres op te leggen vanwege overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres onvoldoende maatregelen heeft genomen om het gevaar weg te nemen of te beperken dat een werknemer getroffen, bekneld, dan wel geraakt zou worden door het vloerrooster bij het handmatig optillen en verplaatsen hiervan. De hoogte van die boete heeft de staatssecretaris bepaald aan de hand van het beleid dat hij ter zake voert, zijnde de ‘Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving’ (hierna: de beleidsregel). Bij een overtreding van artikel 3.17 van het Arbobesluit bedraagt het boetenormbedrag
€ 9.000,-. Rekening houdend met de bedrijfsgrootte van 40 tot en met 99 werknemers, is het normbedrag met 50% vermenigvuldigd. Dit bedrag is met 3 vermenigvuldigd, omdat het arbeidsongeval heeft geleid tot licht blijvend letsel bij het slachtoffer. Het boetebedrag is vastgesteld op € 13.500,-.

Eiseres heeft daartegen haar zienswijze kenbaar gemaakt.

Bij het primaire besluit heeft de staatssecretaris aan eiseres een bestuurlijke boete van
€ 13.500,- opgelegd.

Eiseres heeft op 22 oktober 2019 bezwaar gemaakt tegen het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het arbeidsongeval niet aan haar kan worden toegerekend. In het beroepschrift heeft zij primair betoogd dat oplegging van een boete in dat geval niet aan de orde is, maar ter zitting heeft zij aangegeven de overtreding en de bevoegdheid van de staatssecretaris tot oplegging van de boete niet (meer) te betwisten.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden gematigd vanwege een verminderde mate van verwijtbaarheid. Volgens eiseres is voldaan aan de matigingsgronden zoals genoemd in artikel 1, elfde lid, onder c. en d. van de beleidsregel. Zij stelt dat er adequate instructies aan het slachtoffer zijn gegeven en dat er adequaat toezicht was. Verder is eiseres van mening dat zij na het ongeval inspanningen heeft verricht om soortgelijke overtredingen te voorkomen. Bij de boeteoplegging dient hiermee rekening te worden gehouden.

3. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de inspanningen van eiseres niet als (voldoende) adequaat kunnen worden beschouwd. Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan een van de matigingsgronden heeft voldaan, is er volgens de staatssecretaris geen reden om de boete te matigen.

4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.

5. In geschil is of de staatssecretaris de bestuurlijke boete terecht niet heeft gematigd.

6.1

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft geoordeeld bestaat geen grond voor boeteoplegging in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:1674). De situatie waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. Aan dit uitgangspunt is invulling gegeven in artikel 1, elfde lid, van de beleidsregel. In deze bepaling zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25%, namelijk:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en er een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van de Arbowetgeving;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden voor toepassing van een veilige werkwijze zijn gecreëerd.

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.

De rechtbank dient te beoordelen of eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de onder c. en/of d. genoemde inspanningen heeft verricht die zijn toegespitst op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval en die aanleiding kunnen zijn tot matiging van de boete.

6.2

Ten aanzien van matigingsgrond c. heeft eiseres aangevoerd dat zij adequate instructies aan het slachtoffer heeft gegeven, aangezien het slachtoffer bij aanvang van zijn dienstverband is ingewerkt en er een app beschikbaar is waarop de werkinstructies raadpleegbaar zijn voor alle medewerkers. Tijdens de zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat het slachtoffer eerder schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht in een andere ruimte waar een soortgelijk cutter-apparaat stond.

De rechtbank overweegt dat het gegeven dat het slachtoffer bij aanvang van zijn dienstverband goed is ingewerkt, niets zegt over de werkinstructies die hem ten tijde van het ongeval bekend waren. De schoonmaakwerkzaamheden die het slachtoffer verrichtte bij [naam onderneming] waren immers nadien gewijzigd, omdat [naam onderneming] sinds twee maanden aan het einde van de goot een cutter-apparaat boven op het door het slachtoffer schoon te maken vloerrooster had gezet. Het vloerrooster kon daardoor niet meer worden opgetild en schoongemaakt zoals in de werkinstructie stond, omdat de cutter in de weg stond. Uit de stukken is niet gebleken dat het slachtoffer naar aanleiding van deze gewijzigde situatie door eiseres is geïnstrueerd over een aangepaste veilige werkwijze. Dat hij kennelijk eerder heeft gewerkt in een ruimte waar een soortgelijke machine stond, maakt dat niet anders nu niet is gebleken dat dit een soortgelijke situatie betrof én dat daarvoor reeds een aangepaste veilige werkwijze gold die ook van toepassing was op de ruimte waar het ongeval plaatsvond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres aan het slachtoffer geen adequate instructies heeft gegeven die zouden moeten leiden tot een matiging van de boete.

6.3

Ten aanzien van de matigingsgrond genoemd onder d. heeft eiseres aangevoerd dat zij adequaat toezicht heeft gehouden. Een meewerkend voorman bezocht dagelijks de werkplekken om te bezien of de schoonmaakwerkzaamheden goed werden uitgevoerd en om toe te zien of de werkinstructies werden opgevolgd. Op ervaren krachten, zoals het slachtoffer, werd niet vaak toezicht gehouden, maar dat wil niet zeggen dat er geen toezicht was.

Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRS van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:957) hangt het antwoord op de vraag wanneer adequaat toezicht is gehouden af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de werknemer en zijn positie in het bedrijf. Van een werkgever kan in beginsel niet worden gevergd dat hij voortdurend een toezichthouder naast een - ervaren - werknemer plaatst. De enkele omstandigheid dat er geen toezichthouder aanwezig is op het moment van een ongeval, is op zichzelf niet voldoende om te komen tot het oordeel dat de werkgever niet voldoende feitelijk toezicht op de werkzaamheden heeft gehouden. Wel dient het feitelijke toezicht van dusdanige aard te zijn dat de werknemers hierdoor worden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van de bij het ongeval betrokken werknemers niet kan worden afgeleid dat het toezicht zodanig was dat de werknemers op de veiligheid van de werkzaamheden werden gewezen en dat zij werden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden. Het slachtoffer heeft verklaard dat er in principe geen toezicht is als de werknemers aan het werk zijn. De meewerkend voorman is wel aanwezig, maar die is zelf ook aan het schoonmaken. Onder die omstandigheden kan niet worden gesteld dat sprake is van adequaat toezicht. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de matigingsgrond onder d.

6.4

Verder heeft eiseres betoogd dat de achteraf geleverde inspanningen ter voorkoming van verdere overtredingen van invloed moeten zijn op de hoogte van de boete. Er wordt nu meer en intensiever toezicht op de werkplaatsen gehouden en de vloerroosters mogen niet meer handmatig worden opgetild, maar met verplichte gebruikmaking van een haak.

Uit jurisprudentie (zie de uitspraak van de AbRS van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2831) blijkt dat de inspanningen van de werkgever adequaat moeten zijn en uit eigen beweging en zo snel mogelijk moeten zijn verricht. De inspanningen die eiseres heeft verricht, bestaan uit het beschikbaar stellen van een haak om de vloerroosters mee op te tillen en het opstellen van een werkinstructie met betrekking tot het gebruik van de haak. Op een bij de werkinstructie behorende ‘aftekenlijst werkinstructie’ bevestigen medewerkers door middel van het zetten van een handtekening/paraaf dat zij de ontvangen werkinstructies aandachtig en zorgvuldig hebben doorgenomen en deze hebben begrepen. De aftekenlijst die zich in het dossier bevindt achter de werkinstructie met betrekking tot het schoonmaken van de roosters met behulp van een haak, is echter niet ingevuld. Er zijn geen namen en/of handtekeningen van medewerkers op vermeld. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de werknemers adequaat zijn geïnstrueerd over het gebruik van de haak. Weliswaar beschikte eiseres op de zitting over een versie van de aftekenlijst met handtekeningen, maar onduidelijk is gebleven wanneer deze handtekeningen zijn gezet.

Verder stelt eiseres dat het toezicht is geïntensiveerd, maar niet is gebleken waaruit die intensivering concreet bestaat. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat de voorman is aangesproken, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat het toezicht daadwerkelijk is verbeterd.

6.5

De rechtbank concludeert dan ook dat er geen sprake is van omstandigheden die moeten leiden tot matiging van de boete.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 24 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet)

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Het tiende lid van dit artikel bepaalt dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Op grond van artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Arbowet legt een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

De algemene maatregel van bestuur die in de voorgaande artikelen wordt bedoeld, is het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit)

Artikel 3.17 van het Arbobesluit bepaalt dat het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt.

Op grond van artikel 9.1 van het Arbobesluit is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

Op grond van artikel 9.9b, aanhef en onder c, van het Arbobesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met het voorschrift dat is opgenomen in artikel 3.17.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:41 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Awb bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan de bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (de beleidsregel)

Ingevolge artikel 1 wordt in de beleidsregel onderscheid gemaakt tussen drie typen overtredingen, te weten:

a. een zware overtreding (ZO), oftewel een overtreding die in de bijlage als ZO is aangemerkt en waarvoor direct een boete wordt gegeven;

b. een overtreding met directe boete (ODB), oftewel een overtreding die in de bijlage als ODB is aangemerkt en waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt gegeven; en

c. een overige overtreding (OO), oftewel een overtreding die in de bijlage als OO is aangemerkt en waarvoor eerst een waarschuwing of een kennisgeving van een eis tot naleving wordt gegeven, of een eis tot naleving wordt gesteld, en pas nadat dezelfde of een soortgelijke overtreding opnieuw wordt geconstateerd, wordt overgegaan tot boeteoplegging.

In het derde lid van dat artikel is bepaald dat bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet zeven categorieën normbedragen worden onderscheiden, te weten:

1°. het 1e normbedrag € 340;

2°. het 2e normbedrag € 750;

3°. het 3e normbedrag € 1500;

4°. het 4e normbedrag € 3000;

5°. het 5e normbedrag € 4500;

6°. het 6e normbedrag € 9000;

7°. het 7e normbedrag € 13500;

In het zevende lid van dat artikel is bepaald dat in de bijlage bij deze beleidsregel per artikel, artikellid of onderdeel daarvan, dat is aangemerkt als overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, is aangegeven welk categorie normbedrag zal worden opgelegd en om welk type overtreding het gaat.

Ingevolge het achtste lid van dat artikel zijn de in het derde lid genoemde normbedragen uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende:

a. (..)

d. bedrijven of instellingen met 40 tot en met 99 werknemers betalen 50 procent;

Een al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerd normbedrag is het uitgangsbedrag voor eventuele verdere boeteberekening.

In het tiende lid van dat artikel is bepaald dat bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde kunnen zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde boetenormbedrag:

a. (..);

b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot blijvend letsel worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen met het volgende getal vermenigvuldigd:

3°. bij licht blijvend letsel met drie;

In het elfde lid van dat artikel is bepaald dat, indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit kan leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot een matiging van 25% per onderdeel:

a. als de risico’s van de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet;

b. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;

c. als er adequate instructies zijn gegeven;

d. als er adequaat toezicht is gehouden.