Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6638

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-07-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5795 & 19_5796
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 19/5795 PW en BRE 19/5796 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2020 in de zaken tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser in de zaak met nummer BRE 19/5795 PW, [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres in de zaak met nummer BRE 19/5796 PW,

gemachtigde van beide eisers: mr. B.H. Vader,

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 16 juli 2019 (primair besluit I) heeft Orionis de uitkering van eiseres ingevolge de Participatiewet ingetrokken en teruggevorderd.

In een besluit van eveneens 16 juli 2019 (primair besluit II) is eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze vordering.

In een besluit van 17 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft Orionis de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Orionis heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 20 oktober 2020. Eisers zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Orionis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.M. Feijtel en [naam vertegenwoordiger verweerder] .

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres stond ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] en ontving bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet. Eiser stond op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] ingeschreven.

Orionis heeft aanleiding gezien om onderzoek in te stellen naar de woon- en leefsituatie van eiseres.

Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Orionis bij primair besluit I de aan eiseres toegekende bijstand ingevolge de Participatiewet vanaf 1 juli 2018 ingetrokken en de kosten van de teveel verleende bijstand van eiseres teruggevorderd. De vordering bedraagt € 14.040,67. Eiser is bij primair besluit II hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze vordering. Orionis stelt dat eiseres verzuimd heeft om te melden dat zij, in ieder geval vanaf 1 juli 2018, niet meer woont op haar adres [adres 1] te [plaatsnaam] . Zij verblijft volgens Orionis samen met haar kinderen vanaf 1 juli 2018 bij eiser op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] .

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Het geschil

2.1

Eiseres en Orionis verschillen van mening over de vraag of de uitkering terecht is ingetrokken en de teveel verleende bijstand terecht is teruggevorderd. Het geschil spitst zich toe op de vraag waar eiseres vanaf 1 juli 2018 haar hoofdverblijf had.

Eiser en Orionis verschillen van mening over de vraag of Orionis bevoegd was om de teveel aan eiseres verleende uitkering van hem terug te vorderen.

2.2

Ter zitting is besproken welke rol in deze beroepsprocedure is weggelegd voor een op 27 september 2019 genomen boetebesluit, na bezwaar gehandhaafd in een besluit van 17 oktober 2019, en voor de opmerkingen die eiseres in beroep over de boete heeft gemaakt. Bij de door Orionis overgelegde stukken ontbreken stukken die nodig zijn om de handhaving van het boetebesluit te beoordelen.

De rechtbank heeft bepaald dat het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2019 niet zal worden behandeld in het kader van deze beroepsprocedures maar in het kader van een afzonderlijke beroepszaak, in het kader waarvan Orionis de op de zaak betrekking hebbende stukken moet indienen.

Beroepsgronden

3.1

Eiseres betwist in beroep dat zij heeft verklaard dat zij haar hoofdverblijf heeft op [adres 2] . Hetgeen zij heeft verklaard dient verstaan te worden in het door haar verwoorde kader. Verder voert zij, zakelijk weergegeven, aan dat zij vanaf 1 juli 2018 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiser.

Eiseres voert aan dat uitsluitend gegevens van het watergebruik van de woning van eiseres worden gebruikt die betrekking hebben op de periode vóór 1 juli 2018. Deze gegevens kunnen geen grondslag vormen voor het standpunt van Orionis nu dat ziet op de periode daarna. Verder is er geen sprake van zorg dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding.

Eiseres betwist voorts de conclusies die Orionis heeft ontleend aan de verklaringen van de politie, van de ouders van eiseres, van het netwerkberaad en andere instanties en personen en aan de bevindingen bij het huisbezoek.

3.2

Eiser stelt dat hij niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de terugvordering omdat hij geen gezinslid is in de zin van de Participatiewet en er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.

3.3

Eisers stellen zich voorts op het standpunt dat Orionis het besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste heeft genomen.

Wettelijk kader

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet trekt het college een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.

Op grond van het achtste lid van dit artikel kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet bepaalt dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 17, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel zijn de in het eerste lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

De beoordeling van de intrekking en terugvordering van het recht op uitkering

5. Intrekking van bijstand betreft een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

6. Het geschil met betrekking tot de intrekking heeft betrekking op de periode die begint op de datum met ingang waarvan het recht op uitkering is ingetrokken, 1 juli 2018, en eindigt op de datum van primair besluit I, 16 juli 2019.

7. De vraag waar eiseres vanaf 1 juli 2018 hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Bij een huisbezoek op 1 juli 2019 was op het adres [adres 1] niemand thuis. Eiseres is aangetroffen op [adres 2] . Zij heeft de onderzoekers de woning op [adres 1] laten zien. In die woning was de badkamer buiten gebruik en stond de koelkast, die leeg was, open. Niet alle bedden waren opgemaakt. Eiseres heeft verklaard dat zij er vanaf januari niet meer woonde. Haar buurman heeft haar, volgens haar verklaring, opgevangen op [adres 2] .

Daarna is de woning op [adres 2] bezocht. Eiseres verklaarde dat zij daar woonde. Kleren en medicijnen van haar kinderen zijn daar aangetroffen, hun bedden waren opgemaakt en beslapen. Eiseres deelde het bed en de kledingkast met eiser.

Eiseres heeft op 9 juli 2019 verklaard dat zij na een knieoperatie in het ziekenhuis in juli 2018 naar eiser is gegaan, dat zij daarna haar hoofdverblijf had op [adres 2] en dat zij daar altijd aten.

Gelet op de verklaring van eiseres en het feit dat deze verklaring ondersteund wordt door de volgende gegevens: een verslag van het netwerkberaad van 31 januari 2019 (waarbij eisers aanwezig waren en waarin is opgenomen dat zij samenwonen vanaf 1 juli 2018), een verklaring van een medewerkster van Pandor Jeugdzorg (dat vanaf oktober 2018 zorg werd verleend op [adres 2] ), en gelet op een door eiseres op 10 december 2018 gedane aangifte bij de politie (inhoudende vernieling op [adres 1] , terwijl zij verblijft op [adres 2] ), heeft Orionis naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiseres vanaf 1 juli 2018 haar hoofdverblijf in de woning van eiser had.

Over de ontkenning achteraf door eiseres dat zij verklaard heeft dat zij hoofdverblijf heeft op [adres 2] overweegt de rechtbank dat eiseres haar verklaring heeft afgelegd ten overstaan van een sociaal rechercheur en dat zij haar verklaring heeft ondertekend. Volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 mei 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1341), mag worden uitgegaan van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op het algemene uitgangspunt dat zij gehouden kan worden aan haar eerste verklaring een uitzondering moet worden gemaakt. De enkele stelling dat haar eerdere verklaring anders moet worden opgevat, is daarvoor onvoldoende.

8. Eiseres heeft Orionis niet geïnformeerd over de wijziging van haar hoofdverblijf. Zij heeft dus de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre een betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

9. In dit geval staat vast, zoals hiervoor overwogen en waarvan Orionis in de besluitvorming steeds is uitgegaan, dat eiseres vanaf 1 juli 2018 hoofdverblijf heeft op het adres [adres 2] . Dat het recht van eiseres op bijstand niet meer kan worden vastgesteld, zoals gesteld in de in het bestreden besluit ingelaste ambtelijke notitie, volgt de rechtbank niet. Nu het hoofdverblijf van eiseres vanaf 1 juli 2018 het adres is waar ook eiser woont, en geen gezamenlijke huishouding is aangenomen (daarover gaat het bestreden besluit niet) kan de bijstand immers worden vastgesteld aan de hand van de kostendelersnorm. Het bestreden besluit is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke grondslag.

De beoordeling van de terugvordering van eiser

10. Het besluit om de aan eiseres verleende uitkering ook van eiser terug te vorderen, is eveneens een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

11. Orionis heeft eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld op grond van artikel 59 van de Participatiewet. Eiser kan op grond van artikel 59 van de Participatiewet echter slechts hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld als de bijstandsuitkering aan een gezin werd verleend of had moeten worden verleend. Om eiser en eiseres in het kader van de Participatiewet aan te merken als een gezin, had er sprake moeten zijn van een gezamenlijke huishouding. Nu het bestreden besluit enkel ziet op de vraag waar het hoofdverblijf van eiseres lag en niet ingaat op de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding, kan van dat laatste niet worden uitgegaan.

12. Omdat artikel 59 van de Participatiewet geen grondslag biedt om eiser hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de terugvordering van eiseres, kan het bestreden besluit ook voor zover dat is gericht aan eiser geen standhouden.

Conclusie

13. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat beide beroepen gegrond zullen worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Orionis zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet Orionis aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

15. De rechtbank veroordeelt Orionis in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Orionis wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1). Omdat het hier om samenhangende zaken gaat, zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden de beroepschriften in beide zaken als één geteld.

Beslissing

De rechtbank verklaart beide beroepen gegrond en;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt Orionis op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 47,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 47,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt Orionis in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 525,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Azmi, griffier, op 23 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.