Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6590

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
18-02-2021
Zaaknummer
AWB- 20_10145 GEMWT VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek inzake de weigering om de begunstigingstermijn met betrekking tot het verwijderen van een nader aangeduide poort en hekwerk op een perceel te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/10145 GEMWT VV

uitspraak van 23 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

gemachtigde: mr. S. Oord

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen, verweerder.

Derde partij in dit geding zijn [naam 1 derde partij] en [naam 2 derde partij] , te [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. M.M.W.H. Holtackers.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 8 december 2020 (bestreden besluit) inzake de weigering om de begunstigingstermijn met betrekking tot het verwijderen van een nader aangeduide poort en hekwerk op perceel M413 en M412 en aan de [adres 1] in [plaatsnaam] , te verlengen.

Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Verzoekster is eigenaresse van het perceel [adres 1] te [plaatsnaam] . Op het naastgelegen perceel, [adres 2] , wonen [naam 1 derde partij] en [naam 2 derde partij] . Zij hebben bij brief van 13 juli 2017 verweerder gewezen op meerdere overtredingen op het perceel [adres 1] , onder meer op de illegaal geplaatste poort en hekwerk, en hebben verweerder verzocht om daartegen handhavend op te treden.

Dit verzoek heeft geleid tot het besluit van 12 april 2018 waarbij verzoekster, voor zover hier van belang, onder oplegging van een dwangsom is gelast het hekwerk en de poort te verwijderen. Tegen deze last onder dwangsom heeft eiseres bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard en bij tussenuitspraak van 13 mei 2019 in zaaknummers 19/193 en 19/194 en de einduitspraak van 30 september 2019 in zaaknummer 19/194 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 november 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het hoger beroep van verzoekster ongegrond verklaard.

Tijdens de dwangsomprocedure heeft verzoekster, ter legalisering van de poort en het hekwerk, een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Bij besluit van 24 maart 2020 heeft verweerder deze omgevingsvergunning geweigerd. Het tegen deze weigering ingediende bezwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 8 oktober 2020, in afwijking van het advies van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie en onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft zij op 4 december 2020 verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn waarbinnen verzoekster de poort en het hekwerk moet hebben verwijderd. Die termijn was laatstelijk bij besluit van 31 oktober 2019 verlengd tot zes weken na de uitspraak van de AbRS. Het huidige verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn is er op gericht om de last onder dwangsom tot verwijdering van de poort en het hekwerk op te schorten tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen de geweigerde omgevingsvergunning.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn afgewezen omdat de last onder dwangsom onherroepelijk is en hier niet op zal worden teruggekomen, gelet op het algemeen belang, het belang van derde partij en omdat geen medewerking zal worden verleend aan afwijking van het bestemmingsplan voor het plaatsen van de toegangspoort en het hekwerk.

2. Verzoekster heeft aangevoerd dat de weigering van de omgevingsvergunning voor de poort en het hekwerk rechtens geen stand kan houden omdat daarbij ten onrechte is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie en die afwijking van het advies voorts rechtens niet opportuun is. Daarnaast is de verlaging of verwijdering van het hekwerk gecompliceerd en zeer kostbaar en geeft volgens verzoekster daarenboven aanzienlijke verkeersveiligheidsrisico’s in relatie tot de [straatnaam] .

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. De voorzieningenrechter overweegt dat de vraag of concreet zicht is op legalisering van de poort en het hekwerk reeds negatief beantwoord is in de tussenuitspraak van 13 mei 2019 en de einduitspraak van 30 september 2019. De voorzieningenrechter heeft toen geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren mee te werken aan het legaliseren van de poort en het hekwerk op grond van de overwegingen dat deze bouwwerken afbreuk doen aan de openheid van het landschap en in algehele zin leiden tot het opknippen, en daarmee tot versnippering, van het landschap.

Dit oordeel van de voorzieningenrechter is in hoger beroep door de AbRS bevestigd.

4.1

In de vergunningprocedure heeft de bezwaarschriftencommissie overwogen dat er al geen open zichtlijn ter plaatse is omdat het gaat om een langgerekt perceel met een lichte knik met agrarische bestemming dat is ingeklemd tussen twee percelen met woonbestemming. Daar komt bij dat die beide percelen met woonbestemming ruimere bebouwingsmogelijkheden hebben waardoor ook niet is gewaarborgd dat het landschap in zijn geheel bezien ter plaatse open oogt. De adviescommissie achtte de weigering van de omgevingsvergunning onvoldoende gemotiveerd en heeft geadviseerd om die weigering te herroepen en daarvoor in de plaats een nieuw besluit te nemen.

4.2

Verweerder is ingegaan op het door de bezwaarschriftencommissie gesignaleerde motiveringsgebrek en heeft in de beslissing op bezwaar met een aanvullende motivering de weigering in stand gelaten. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het niet gebruikelijk en ook niet wenselijk is dat op agrarische percelen met de dubbelbestemming ‘Waarde-Landschap-l’ de door verzoekster gewenste hekwerken worden gebouwd. De poort en het hekwerk hebben volgens verweerder geen open structuur en doorbreken de openheid van het landschap. Dit geldt ook voor een langgerekt perceel met een lichte knik, omdat daardoor de zichtlijn naar de achtergelegen agrarische percelen vervalt. Er is in elk geval geen sprake van behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het open karakteristiek landschap, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder overwogen dat de vergelijking met ruimere bebouwingsmogelijkheden op de bestemming ‘Wonen’ niet opgaat omdat het bestemmingsplan ook daar voor de voorgevel geen erfafscheiding met een hoogte van 2,00 meter toelaat, terwijl het perceel waarop de aanvraag ziet geen bouwvlak heeft.

4.3

De voorzieningenrechter overweegt dat de door verzoekster gewenste omgevingsvergunning alleen verleend kan worden indien verweerder toepassing geeft aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingswet. Verweerder is slechts bevoegd tot een dergelijke toepassing indien sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder en de bezwaarschriftencommissie een verschillende visie hebben op de openheid van het landschap ter plaatse indien de poort en het hekwerk gelegaliseerd worden. Op dit punt doet zich het ontbreken van een ruimtelijke onderbouwing gevoelen. Het had op de weg van verzoekster gelegen om een dergelijke ruimtelijke onderbouwing aan te leveren om zo de visie van verweerder te kunnen weerleggen. Zonder een goede ruimtelijke onderbouwing ziet de voorzieningenrechter geen ruimte om anders te oordelen over de visie van verweerder dan het oordeel in de meergenoemde uitspraken van 13 mei 2019 en 30 september 2019 dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren mee te werken aan het legaliseren van de poort en het hekwerk. Ten slotte overweegt de voorzieningenechter dat de stelling van verzoekster, dat verlaging of verwijdering van het hekwerk gecompliceerd en zeer kostbaar is, geen argument oplevert om de begunstigingstermijn verder te verlengen. Sedert de oplegging van de last onder dwangsom op 12 april 2018 heeft verzoekster ernstig rekening moeten houden met de uitkomst van de procedure dat zij de poort en het hekwerk daadwerkelijk dient te verwijderen. Met de uitspraak van de AbRS van 18 november 2020 is de last tot verwijdering onherroepelijk geworden en wist verzoekster dat zij nog zes weken de tijd had om aan de last te voldoen. Indien en voor zover uitvoering van die last kan leiden tot verkeersveiligheidsrisico’s dan is het aan verzoekster om die risico’s uit te sluiten of zoveel mogelijk te beperken.

5. Dit brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, en op 23 december 2020 openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

w.g.

T. Peters, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.