Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6573

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
AWB- 19_3450
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/3450 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker

gemachtigde: mr. E.M.A. Leijser

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep aangetekend tegen het besluit van het UWV van 13 december 2018. In dit beroepschrift heeft verzoeker subsidiair verzocht om vergoeding van door hem geleden schade. Dit beroepschrift is, voor zover dit zag op het subsidiaire standpunt, aangemerkt als een verzoekschrift zoals bedoeld in titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is besproken op de zitting van de rechtbank op 24 oktober 2019.

Hierbij waren aanwezig namens eiser zijn gemachtigde en namens het UWV

mr. B.H.C. de Bruijn.

Het onderzoek is ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven er onderling uit te komen.

Met de brief van 28 oktober 2019 heeft het UWV aan verzoeker meegedeeld welke gegevens nodig zijn om het schadeverzoek te kunnen beoordelen.

Verzoeker heeft een paar keer om uitstel gevraagd (en gekregen) voor het geven van een reactie omdat hij nog in afwachting was van informatie van Randstad. Met de brief van 12 maart 2020 heeft verzoeker inhoudelijk gereageerd en is een aantal stukken overgelegd.

Het UWV heeft in zijn brief van 14 april 2020 meegedeeld geen aanleiding te zien om schadevergoeding te betalen. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat bewijsstukken over de uitbetaling van het bedrag van € 11.437,29 ontbreken.

Verzoeker heeft niet meer gereageerd op de brief van het UWV van 14 april 2020.

Met de brief van 22 oktober 2020 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld een (nadere) zitting niet nodig te achten. Partijen kunnen desgewenst aangeven als zij mondeling op een zitting willen worden gehoord. Verzoeker heeft daarop niet gereageerd.

Het UWV heeft gesteld in te stemmen met een uitspraak zonder nadere zitting.

Met de brief van 10 december 2020 heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Verzoeker was laatstelijk werkzaam bij Randstad uitzendbureau B.V. Verzoeker heeft zich op 18 december 2013 ziekgemeld. Randstad is voor de Ziektewet (ZW) eigen risicodrager.

Verzoeker heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Bij de beoordeling of verzoeker recht heeft op een WIA-uitkering heeft het UWV ook de re-integratie-inspanningen van Randstad beoordeeld. De arbeidsdeskundige is tot het oordeel gekomen dat Randstad onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht tijdens het eerste en tweede ziektejaar van verzoeker.

Het UWV heeft bij besluit van 4 mei 2016 geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. In dat besluit is tevens opgenomen dat geen ziekengeldsanctie kan worden opgelegd aan Randstad omdat de wachttijd al is verstreken.

Bij brief van 15 juni 2016 heeft verzoeker een schadevergoedingsverzoek ingediend bij het UWV. Daarbij heeft verzoeker gesteld dat verzoeker schade heeft geleden omdat het UWV niet tijdig een ziektewetsanctie heeft opgelegd.

Bij brief van 31 mei 2017 heeft het UWV aan verzoeker gevraagd om zijn schadeverzoek te onderbouwen.

Verzoeker heeft bij brief van 12 juni 2017 gereageerd op het verzoek van het UWV.

Bij brief van 23 juni 2017 heeft het UWV het verzoek om schade afgewezen.

Standpunt verzoeker

2. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld voldoende duidelijkheid te hebben verstrekt over het ontvangen bedrag.

Standpunt verweerder

3. Het UWV heeft aangegeven dat in beginsel de bereidheid bestaat tot het vergoeden van de schade. De door verzoeker geclaimde schade komt echter niet voor vergoeding in aanmerking. De mogelijke schade kan niet hoger zijn dan de netto ZW-uitkering die verzoeker zou hebben ontvangen, zijnde 70% van het dagloon. Het UWV heeft gesteld dat bewijsstukken ten aanzien van het ontvangen bedrag ontbreken. Verzoeker heeft volgens het UWV onvoldoende aangetoond dat hij schade heeft geleden.

Beoordeling rechtbank

4.1

Bij de toetsing van een verzoek om schadevergoeding als het onderhavige wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht1. Het is aan degene die stelt dat hij schade heeft geleden om aan te tonen dat er sprake is van schade en zo ja, hoe hoog de schade is.

4.2

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat alleen daadwerkelijk geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt en dat bij het wegvallen van een inkomstenbron geen schade wordt geleden als andere inkomsten daarvoor in de plaats komen2.

Het UWV heeft bij benadering een berekening gemaakt wat de hoogte van de uitkering over het derde ziektejaar zou zijn. Verzoeker heeft deze berekening niet betwist. De rechtbank zal er bij de verdere beoordeling dan ook van uitgaan dat de eventuele schade van verzoeker maximaal € 8.510,-- zou kunnen bedragen. Op het bedrag van € 8.510,-- zullen de andere inkomsten die verzoeker in het derde ziektejaar heeft ontvangen in mindering moeten worden gebracht.

4.3

Niet in geschil is dat verzoeker in de maand februari 2016 een bedrag van € 12.466,64 heeft ontvangen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ontvangen bedrag geen betrekking heeft op het derde ziektejaar.

De rechtbank is, met het UWV van oordeel, dat verzoeker onvoldoende heeft aangetoond dat het in februari 2016 ontvangen bedrag niet (mede) betrekking heeft op het derde ziektejaar. Verzoeker heeft weliswaar gesteld dat dit gehele bedrag betrekking heeft op een nabetaling van ziektewet over de weken 12 tot en met 48 van het jaar 2015, maar hiervan zijn geen bewijsstukken overgelegd. De rechtbank wil best aannemen dat een deel van het uitbetaalde bedrag betrekking heeft op een nabetaling van ziekengeld over een periode die voor het derde ziektejaar ligt, maar acht het niet aannemelijk dat dit volledige bedrag ziet op een periode die ligt voorafgaand aan 16 december 2015.

Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat uit het besluit van 8 januari 2016 blijkt dat er een nabetaling zou moeten plaatsvinden over de periode van 11 maart 2015 tot 16 december 2015. Dit betreffen de weken 11 tot en met 51 van 2015. Deze weken komen niet overeen met de door verzoeker opgegeven weken.

Ook is verzoeker niet consequent geweest in het aanwijzen van de perioden waarop de nabetaling betrekking zou hebben. In zijn brief van 12 juni 2017 heeft verzoeker immers aangegeven dat de nabetaling betrekking heeft op de periode van 17 december 2013 tot 17 december 2014. Tevens heeft de rechtbank hierbij betrokken dat de nabetaling zoals door de werkgever opgegeven in Suwinet € 12.466,64 bedraagt, terwijl verzoeker in zijn brief van 12 maart 2020 een bedrag van € 11.437,29 noemt als nabetaald bedrag. Verder is, zonder nadere toelichting niet aannemelijk dat een bedrag van € 12.466,64 (respectievelijk € 11.437,29) ziet op een periode van 9 maanden, terwijl, zoals blijkt uit de berekening van het UWV, de netto uitkering over een jaar € 8.510 zal bedragen.

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verzoeker onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke schade hij heeft geleden. Het UWV heeft het verzoek dan ook terecht afgewezen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier op 22 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 ECLI:NL:CRVB:2020:754

2 ECLI:NL:CRVB:2016:295