Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6543

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
27-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6730
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BRP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6730 BRP

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. B.J.P. van Gils,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 30 augustus 2019 (primaire besluit I) heeft het college een bestuurlijke boete van € 200,- opgelegd aan eiser vanwege het niet voldoen aan de aangifteplicht uit de Wet basisregistratie personen (Wet Brp).

In een besluit van eveneens 30 augustus 2019 (primaire besluit II) heeft het college een bestuurlijke boete van € 325,- opgelegd aan eiser vanwege het niet voldoen aan de aangifteplicht uit de Wet Brp.

In het besluit van 16 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 november 2020.

Hierbij was de gemachtigde van eiser aanwezig en namens het college [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten

Op 5 januari 2018 is het college een onderzoek gestart naar de verblijfplaats van eiser.

Aanleiding hiervoor was een melding door Stichting [naam stichting] dat eiser per

27 december 2017 niet langer op het adres waar hij staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) aan de [adres 1] in [plaatsnaam 2] zou wonen.

Op 11 april 2018 heeft het college zijn voornemen kenbaar gemaakt om gegevens over het vertrek van eiser uit Nederland op te nemen in de Brp op grond van artikel 2.22 van de Wet Brp. Tevens staat in deze brief dat het college voornemens is eiser bij hervestiging in de Brp een bestuurlijke boete op te leggen van € 200,-.

In een besluit van 22 mei 2018 heeft het college besloten de gegevens over het vertrek van eiser uit Nederland op te nemen in de Brp. Dit besluit is bekendgemaakt in het Gemeenteblad van 22 mei 2018 (nr. 105999).

Eiser heeft zich daarna opnieuw ingeschreven als ingezetene op het adres [adres 2] in [plaatsnaam 2] . Dit is een woning van Tof Wonen Tilburg .

Op 11 december 2018 is opnieuw een onderzoek gestart naar de verblijfplaats van eiser, omdat het college informatie ontving van Tof Wonen dat eiser sinds september/oktober 2018 niet meer op het adres [adres 2] zou wonen.

Op 5 maart 2019 heeft het college zijn voornemen kenbaar gemaakt om gegevens over het vertrek van eiser uit Nederland op te nemen in de Brp op grond van artikel 2.22 van de Wet Brp. Tevens staat in deze brief dat het college voornemens is eiser bij hervestiging in de Brp een bestuurlijke boete op te leggen van € 325,-.

In een besluit van 15 april 2019 heeft het college besloten de gegevens over het vertrek van eiser uit Nederland op te nemen in de Brp. Dit besluit is bekendgemaakt in het Gemeenteblad van 15 april 2019 (nr. 89103).

In de primaire besluiten van 30 augustus 2019 heeft het college eiser bestuurlijke boetes opgelegd van € 200,- en € 325,- omdat hij niet heeft voldaan aan de aangifteplicht uit artikel 2.43 van de Wet Brp. Het college is in deze besluiten tevens overgegaan tot invordering van de boetes.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Tijdens een hoorzitting op 9 januari 2020 heeft eiser zijn bezwaar nader toegelicht.

In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering met betrekking tot het punt recidive.

2. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het college terecht heeft besloten de bestuurlijke boetes aan eiser op te leggen.

3. Bekendmaking besluiten over opnemen vertrek uit Nederland in Brp

3.1

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de besluiten van 22 mei 2018 en 15 april 2019, over het opnemen van het vertrek van eiser uit Nederland in de Brp, op juiste wijze bekend zijn gemaakt en dus in werking zijn getreden.

3.2

Omdat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten over het opnemen van zijn vertrek uit Nederland in de Brp hebben deze besluiten formele rechtskracht gekregen. De rechtbank zal er in het navolgende daarom vanuit gaan dat de besluiten over het opnemen van het vertrek van eiser uit Nederland in de Brp juist zijn.

4. Wettelijk kader

Artikel 2.22, eerste lid, van de Wet Brp bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg draagt voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland.

Artikel 2.39, eerste lid, van de Wet Brp bepaalt dat de ingezetene die zijn adres wijzigt hiervan schriftelijk aangifte doet bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.

Artikel 2.43, eerste lid, van de Wet Brp bepaalt dat de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte doet van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.

Op grond van artikel 4.17, onder a, van de Wet Brp kan het college van burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opleggen ter zake van (onder meer) de overtreding van de artikelen 2.39 en 2.43.

5. Verwijtbaarheid

5.1

Vast staat dat eiser twee maal niet heeft voldaan aan de plicht om zijn adreswijziging door te geven aan het college. Daarom heeft het college twee maal ambtshalve in de basisregistratie persoonsgegevens opgenomen dat eiser is vertrokken naar een (on)bekend land. Op grond van artikel 4.17, onder a, van de Wet Brp kunnen aan hem dus in beginsel twee bestuurlijke boetes worden opgelegd.

5.2

In de toepasselijke Beleidsregels bestuurlijke boete Wet BRP gemeente Tilburg (de beleidsregels) staat in artikel 4, eerste lid, dat een bestuurlijke boete alleen kan worden opgelegd wanneer het de persoon verweten kan worden dat hij de overtreding heeft begaan. Dit volgt ook uit artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank dient dus te beoordelen of eiser kan worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan de aangifteplicht.

5.3

Eiser stelt dat hij verminderd zelfredzaam is en kampt met diverse problemen. Volgens eiser kan het niet doorgeven van de adreswijzigingen hem gelet hierop niet worden verweten.

5.4

Het college stelt dat het eiser diverse brieven heeft gestuurd om hem te wijzen op de verplichting tot het doen van aangifte. Op basis hiervan wist eiser, althans had hij redelijkerwijs kunnen weten, dat hij aangifte moest doen van zijn adreswijzigingen. Volgens het college is dus sprake van verwijtbaarheid. Volgens het college is niet onderbouwd waarom eiser niet in staat zou zijn om een adreswijziging door te geven dan wel hier hulp van derden voor in te roepen.

5.5

De rechtbank overweegt dat de door eiser gestelde omstandigheid dat hij verminderd zelfredzaam is, niet zonder meer maakt dat geen sprake is van verwijtbaarheid. Allereerst merkt de rechtbank op dat de gestelde verminderde zelfredzaamheid van eiser niet met stukken is onderbouwd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, ook als wordt uitgegaan van enige mate van verminderde zelfredzaamheid, dit niet zonder meer betekent dat eiser niet in staat was om hulp in te schakelen van een derde voor het doorgeven van de adreswijzigingen. Niet aangetoond is dat het feit dat eiser geen hulp heeft gezocht hem niet kan worden verweten.

5.6

Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank dus terecht geconcludeerd dat eiser kan worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan de aangifteplicht.

6. Evenredigheid

6.1

Eiser stelt dat het opleggen van beide boetes niet evenredig is en doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 6 van de beleidsregels. In dit artikel is bepaald dat kan worden afgeweken van het bepaalde in deze regeling als vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van deze regeling zou leiden tot een onbillijkheid.

Volgens eiser heeft het college niet voldoende gekeken naar de specifieke omstandigheden van zijn geval.

Eiser acht de opgelegde boetes ook onevenredig omdat zijn draagkracht de komende jaren vrijwel nihil zal zijn. Daartoe voert eiser aan dat hij een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen die binnenkort mogelijk ten uitvoer zal worden gelegd.

6.2

Het college stelt dat het doel van de Brp is dat de gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de Brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd

(ECLI:NL:RVS:2019:354). Het college stelt dat het niet doen van aangifte ertoe leidt dat de in de Brp geregistreerde gegevens onbetrouwbaar worden en dat personen onbereikbaar worden. Het doel van het opleggen van bestuurlijke boetes is om ervoor te zorgen dat mensen zich houden aan de aangifteplicht. Het opleggen van de boetes aan eiser dient volgens het college dus een redelijk doel. Hoewel volgens het college geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 6 van de beleidsregels, heeft het college ter zitting aangegeven bereid te zijn de boete te beperken tot € 325,-.

6.3

Hoewel de rechtbank het doel van het opleggen van bestuurlijke boetes zoals door het college uiteengezet in het algemeen onderschrijft, is het opleggen van twee bestuurlijke boetes op één dag in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet evenredig. De eerste overtreding van de aangifteplicht door eiser was in mei 2018 al bekend bij het college. Pas op 30 augustus 2019 is aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd voor deze overtreding, terwijl tegelijkertijd een (hogere) boete is opgelegd voor de tweede overtreding van de aangifteplicht. Op deze manier heeft het college eiser een kans ontnomen om de tweede overtreding te voorkomen. De rechtbank acht in dit verband mede van belang dat de brieven van 11 april 2018 en 5 maart 2019, waarin het voornemen om eiser een bestuurlijke boete op te leggen kenbaar is gemaakt, naar een adres zijn verzonden waarvan bekend was dat eiser daar op dat moment feitelijk niet meer woonde en dat het college op de hoogte was van de moeilijke persoonlijke omstandigheden van eiser. Hoewel formeel gezien sprake is van recidive, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de tweede boete onder deze omstandigheden leidt tot een onbillijkheid, zoals bedoeld in artikel 6 van de beleidsregels.

7. Conclusie

7.1

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het beroep van eiser gegrond is voor zover het zich richt tegen het opleggen van de tweede boete voor het overtreden van de aangifteplicht van € 325,-. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen voor zover het bezwaar van eiser tegen het tweede primaire besluit daarin ongegrond is verklaard.

7.2

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de tweede boete te matigen tot nihil en het totaal van de twee aan eiser opgelegde boetes vast te stellen op het bedrag dat is opgelegd wegens de eerste overtreding van de aangifteplicht, te weten € 200,-.

7.3

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

7.4

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het zich richt tegen het opleggen van de tweede boete voor het overtreden van de aangifteplicht van € 325,-;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

  • -

    stelt de (totale) boete vast op € 200,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.100,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier op 29 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.