Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6531

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4587
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Navorderings)aanslagen IB/PVV en Zvw 2014 t/m 2016 – art. 4.12 Wet IB 2001 – correcties i.v.m. (vermeende) winstuitdelingen (box 2) – art. 3.100, eerste lid, letter b en art. 3.146, eerste lid, Wet IB 2001 – lijfrente-uitkering (box 1).

Belanghebbende is middellijk aandeelhouder van een B.V. waarin in het verleden een assurantiekantoor werd geëxploiteerd. Bij de verkoop van de verzekeringsportefeuille heeft die B.V. een lening verstrekt aan de koper. Na beëindiging van de leningsovereenkomst is een nieuwe lening aan de koper verstrekt die liep via belanghebbende en waarbij belanghebbende het geleende geld tegen een aanzienlijk hoger rentepercentage aan die koper doorleende dan hij het zelf bij de B.V. leende. De inspecteur heeft correcties gemaakt in verband met (vermeende) winstuitdelingen bestaande uit (1) een door belanghebbende behaald rentevoordeel en (2) door de (andere) vennootschap(en) gedane uitgaven voor privédoeleinden van belanghebbende. Verder is in geschil of de door belanghebbende bedongen lijfrente-uitkeringen tot zijn inkomen uit werk en woning moeten worden gerekend. De rechtbank laat de correcties i.v.m. het vermeende rentevoordeel niet in stand nu volgens haar geen sprake is van een bevoordeling van belanghebbende als aandeelhouder. Zij overweegt daartoe dat sprake was van een nieuwe financiering (van de B.V. via belanghebbende aan de koper) waarbij vaststaat dat de gehanteerde rentepercentages ter zake van de leningen aan en door belanghebbende zakelijk zijn. De correcties ter zake van uitgaven voor privédoeleinden laat de rechtbank wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting door belanghebbende in stand. Tot slot heeft de inspecteur de bedongen lijfrente in de onderhavige jaren naar het oordeel van de rechtbank weliswaar terecht tot het inkomen gerekend, maar heeft hij daarbij miskend dat sprake is van een vordering die als inkomsten in natura, in dit geval op nihil, moet worden gewaardeerd (cf. BNB 1983/137).

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 4.12
Wet inkomstenbelasting 2001 3.100
Wet inkomstenbelasting 2001 3.146
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-01-2021
V-N Vandaag 2021/9
NTFR 2021/269
FutD 2021-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/4587, BRE 18/4588, BRE 18/7414, BRE 18/7415 en BRE 20/9675

uitspraak van 17 december 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2016 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd en over het jaar 2016 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) (aanslagnummers [aanslagnummer] .H.46.01, [aanslagnummer] .H.56.01, [aanslagnummer] .H.66.01 en [aanslagnummer] .W.66.01.4). Bij beschikkingen is, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 belastingrente in rekening gebracht en zijn vergrijpboetes van 50% opgelegd. Tegelijk met de aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 is bij beschikking een verlies uit aanmerkelijk belang uit een eerder jaar verrekend met het inkomen uit aanmerkelijk belang.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer] H.67.01) en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 28 mei 2018 de aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 en 2015 en de gelijktijdig vastgestelde beschikkingen gehandhaafd.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 oktober 2018 de aanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2016 gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.2 genoemde uitspraken op bezwaar bij brieven van 6 juli 2018, ontvangen bij de rechtbank op 9 juli 2018, en van 5 november 2018, ontvangen bij de rechtbank op 7 november 2018, beroep ingesteld. Aanvankelijk zijn aan de beroepen vier zaaknummers toegekend (BRE 18/4587, BRE 18/4588, BRE 18/7414 en BRE 18/7415). Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van in totaal € 92, namelijk € 46 in de zaak met nummer BRE 18/4587 en € 46 in de zaak met nummer BRE 18/7414.

1.4.

De inspecteur heeft in de zaken met zaaknummers BRE 18/4587 en BRE 18/4588 en in de zaken met zaaknummers BRE 18/7414 en BRE 18/7415 verweerschriften ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft in de zaken met zaaknummers BRE 18/4587 (aanslag IB/PVV 2014) en BRE 18/4588 (aanslag IB/PVV 2015) op 7 november 2018 een conclusie van repliek ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brieven, ontvangen bij de rechtbank op 9 juli 2019 en 21 juli 2020, de rechtbank verzocht om een versnelde behandeling van de beroepen. De rechtbank heeft deze verzoeken bij brieven van 15 juli 2019 en 21 juli 2020 afgewezen.

1.7.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 13 november 2020 een adreswijziging van gemachtigde doorgegeven en verzocht om aanwezigheid van de zoon van belanghebbende ter zitting en voorts bij faxbericht van 18 november 2020 een pleitnota overgelegd.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020 in Breda.

Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

Ter zitting hebben partijen ingestemd met rechtstreeks beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 (zie 4.2 hierna). In verband met de behandeling van dit beroep heeft de griffie van deze rechtbank een nieuw zaaknummer aangemaakt (BRE 20/9675).

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is enig aandeelhouder van [de holding] (hierna: de holding). De holding houdt op haar beurt 50% van de aandelen in [Beheer BV] (hierna: [Beheer BV] ). De overige 50% van de aandelen in [Beheer BV] wordt gehouden door [A BV] (hierna: [A BV] ) waarvan belanghebbendes zoon (hierna: de zoon) enig aandeelhouder is. [Beheer BV] houdt op haar beurt alle aandelen in [B BV] (hierna: [B BV] ) en in [C BV] (hierna: [C BV] ). [Beheer BV] behoort in de onderhavige jaren tot een fiscale eenheid vennootschapsbelasting met [B BV] en [C BV] (hierna: de fiscale eenheid).

2.2.

De ondernemingsactiviteiten van [B BV] bestonden uit de exploitatie van een assurantiekantoor. Op 1 september 2013 heeft [B BV] haar verzekeringsportefeuille voor € 1.265.000 verkocht aan [D BV] (hierna: [D BV] ). [B BV] verricht sindsdien geen ondernemingsactiviteiten meer.

2.3.

In het kader van voornoemde verkoop van haar verzekeringsportefeuille heeft [B BV] de volgende leningen verstrekt aan [D BV] (hierna: tezamen lening 1) op basis van een daartoe op 30 augustus 2013 gesloten overeenkomst:

  • -

    Op/omstreeks 1 september 2013 een lening van € 100.000 tegen een rente van 5% per jaar en met een aflossingsverplichting uiterlijk op/omstreeks 15 april 2014;

  • -

    Op/omstreeks 15 oktober 2013 een lening van € 35.000 tegen een rente van 5% per jaar en met een aflossingsverplichting uiterlijk op/omstreeks 15 april 2014.

In totaal heeft [B BV] daarmee een lening van € 135.000 (hierna ook: lening 1) aan [D BV] verstrekt. [D BV] heeft deze lening op 22 april 2014 afgelost.

2.4.

Op 16 april 2014 heeft [B BV] een lening van € 200.000 verstrekt aan belanghebbende op basis van een op 10 april 2014 gesloten overeenkomst. De lening is verstrekt tegen een rente van 2,5% per jaar en met een aflossingsverplichting uiterlijk op/omstreeks 1 januari 2017 (hierna ook: lening 2).

Belanghebbende heeft ter zake van deze lening in 2014 € 3.679 rente betaald aan [B BV] . In de jaren 2015 en 2016 heeft hij ter zake van deze lening geen rente betaald of anderszins voldaan aan [B BV] .

2.5.

Belanghebbende heeft op/omstreeks 15 april 2014 een lening van € 200.000 verstrekt aan [D BV] tegen 1% rente per maand (12% rente per jaar) en met een aflossingsverplichting uiterlijk op/omstreeks 1 januari 2017 (hierna: lening 3).

2.6.

In het jaar 2000 heeft belanghebbende bij de inbreng van zijn tot 1 juli 1999 voor zijn eigen rekening gedreven onderneming in [B BV] van deze vennootschap een lijfrente bedongen. Belanghebbende en [B BV] zijn daartoe een lijfrenteovereenkomst aangegaan. Op basis van deze overeenkomst zijn de lijfrentetermijnen ingegaan op 30 september 2000 en zullen deze eindigen bij overlijden van belanghebbende.

2.7.

Belanghebbende heeft zijn aangiften IB/PVV over de onderhavige jaren (aanvankelijk) ingediend naar de volgende belastbare inkomsten uit werk en woning, tevens verzamelinkomen:

IB/PVV 2014

IB/PVV 2015

IB/PVV 2016

Pensioen

€ 11.690

€ 11.822

€ 11.875

AOW

€ 10.344

€ 9.804

€ 10.044

Lijfrente uitkering Straten / Overige periodieke uitkeringen

€ 20.425

€ 20.425

€ 20.425

Saldo eigen woning

-/- € 7.410

-/- € 6.851

-/- € 5.581

Saldo box 1

€ 35.049

€ 35.200

€ 36.763

Verzamelinkomen

€ 35.049

€ 35.200

€ 36.763

2.8.

In januari 2017 is bij de holding en [Beheer BV] een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting is onderzocht. Naar aanleiding van de boekenonderzoeken is voor elke vennootschap een controlerapport opgemaakt met dagtekening 16 november 2017.

2.9.

Bij brief van 17 november 2017 zijn aan belanghebbende de bevindingen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2013 tot en met 2015 medegedeeld.

2.10.

Naar aanleiding van de bevindingen uit voornoemde (boeken)onderzoeken is de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 afgeweken van de ingediende aangiften, omdat er naar zijn mening een aantal belastbare winstuitdelingen aan belanghebbende heeft plaatsgevonden.

Deze winstuitdelingen bestaan volgens de inspecteur in de eerste plaats – kort gezegd – uit een rentevoordeel dat belanghebbende heeft behaald met de leningen 2 en 3 (zie 2.4 en 2.5) en zijn volgens hem opgebouwd uit (i) het verschil tussen de op de leningen 2 en 3 bedongen rentepercentages (te weten 12%-9,5% van het openstaande bedrag) en (ii) de in het jaar 2015 door belanghebbende niet-betaalde rente op lening 2.

In de tweede plaats heeft de inspecteur bij de aanslagregeling over deze jaren bedragen gecorrigeerd, omdat de vennootschappen waarvan belanghebbende (middellijk) aandeelhouder is, volgens hem, uitgaven hebben gedaan voor privédoeleinden van belanghebbende.

Als gevolg van deze correcties heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.049 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 12.829 (te weten € 14.374 minus een te verrekenen verlies uit aanmerkelijk belang van € 1.545) en de aanslag IB/PVV 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.200 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 21.189. Bij de aanslagoplegging over de jaren 2014 en 2015 heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd van respectievelijk € 1.852 (50%) en € 3.093 (50%) op basis van opzet.

2.11.

Ter zitting heeft de inspecteur het (nadere) standpunt ingenomen dat de correcties ter zake van het rentevoordeel slechts voor 50% aan belanghebbende kunnen worden toegerekend. Voor de jaren 2014 en 2015 zou dan van de volgende berekening van het belastbaar inkomen in box 1 en 2 moeten worden uitgegaan (onder dienovereenkomstige aanpassing van de beschikkingen belastingrente):

Aangifte IB/PVV 2014

Correctie IB/PVV 2014

Pensioen

€ 11.690

AOW

€ 10.344

Lijfrente uitkering [X] / Overige periodieke uitkeringen

€ 20.425

Saldo eigen woning

-/- € 7.410

Saldo box 1

€ 35.049

€ 35.049

Rentevoordeel

€ 6.6601

Correctie privékosten

€ 1.053

Verrekend verlies uit aanmerkelijk belang

-/- € 1.545

Saldo box 2

€ 6.168

Totaal

€ 35.049

€ 41.217

Aangifte IB/PVV 2015

Correctie IB/PVV 2015

Pensioen

€ 11.822

AOW

€ 9.804

Lijfrente uitkering [X] / Overige periodieke uitkeringen

€ 20.425

Saldo eigen woning

-/- € 6.851

Saldo box 1

€ 35.200

€ 35.200

Rentevoordeel

€ 10.0002

Correctie privékosten

€ 1.189

Saldo box 2

€ 11.189

Verzamelinkomen

€ 35.200

€ 46.389

2.12.

Met dagtekening 20 februari 2018 heeft belanghebbende een herziene aangifte IB/PVV en Zvw 2016 ingediend zonder daarin de lijfrente-uitkering op te nemen, resulterend in het volgende belastbare inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen:

IB/PVV 2016

Pensioen

€ 11.875

AOW

€ 10.044

Lijfrente uitkering [X] / Overige periodieke uitkeringen

€ 0

Saldo eigen woning

-/- € 5.581

Saldo box 1

€ 16.338

Verzamelinkomen

€ 16.338

2.13.

Met dagtekening 2 maart 2018 heeft de inspecteur de definitieve aanslagen IB/PVV over het jaar 2016 opgelegd conform de aanvankelijk ingediende aangifte (zie 2.7) en dus naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.763. De aanslag Zvw is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 20.425. De door belanghebbende ingediende herziene aangifte (zie 2.12) heeft de inspecteur aangemerkt als bezwaar tegen deze aanslagen.

2.14.

Met dagtekening 12 oktober 2018 heeft de inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

2.15.

Met dagtekening 10 november 2018 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2016 aan belanghebbende opgelegd in verband met een voor dat jaar, conform de jaren 2014 en 2015, vermeend rentevoordeel. In zijn verweerschrift en ter zitting heeft de inspecteur het (nadere) standpunt ingenomen dat voor het jaar 2016 van de volgende berekening van het belastbaar inkomen in box 1 en 2 moet worden uitgegaan (onder dienovereenkomstige aanpassing van de beschikking belastingrente):

IB/PVV 2016

Correctie IB/PVV 2016

Pensioen

€ 11.875

AOW

€ 10.044

Lijfrente uitkering [X] / Overige periodieke uitkeringen

€ 20.425

Saldo eigen woning

-/- € 5.581

Saldo box 1

€ 36.763

€ 36.763

Rentevoordeel

€ 7.4253

Saldo box 2

€ 7.425

Verzamelinkomen

€ 35.200

€ 44.188

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de inspecteur bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV over 2014 tot en met 2016 (ten onrechte dan wel) tot te hoge bedragen winstuitdelingen in aanmerking genomen?

II. Is bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV over 2014 tot en met 2016 en de aanslag Zvw over 2016 de lijfrente-uitkering terecht tot de heffingsgrondslag gerekend?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De inspecteur beantwoordt de tweede vraag bevestigend. Met betrekking tot de eerste vraag heeft de inspecteur het herziene standpunt ingenomen dat de winstuitdelingen tot te hoge bedragen in aanmerking zijn genomen (zie 2.11 en 2.15). Over de cijfermatige onderbouwing van de (naheffings)aanslagen bestaat geen geschil.

Verder heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat de vergrijpboetes komen te vervallen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de onderhavige (navorderings)aanslagen en belastingrentebeschikkingen.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen voor zover de in 3.1 vermelde standpunten daartoe leiden.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf I: ontvankelijkheid bezwaar (aanslagen IB/PVV en Zvw 2016)

4.1.

De inspecteur heeft belanghebbendes herziene aangifte IB/PVV en Zvw 2016 van 20 februari 2018 aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016. De dagtekening van deze aanslagen is 2 maart 2018. De als bezwaarschrift aangemerkte aangifte is dus voor de dagtekening van de aanslagen en daarmee prematuur ingediend.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, onderdeel a van de Awb is een prematuur bezwaar- of beroepschrift ontvankelijk indien het besluit ten tijde van de indiening reeds tot stand is gekomen. Uit de uitspraken op bezwaar over 2016 volgt dat het definitieve aangifteproces 2016 op het moment van indiening van de herziene aangifte al te ver gevorderd was om de oorspronkelijk ingediende aangifte nog te kunnen overschrijven. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de aanslagen IB/PVV en Zvw op dat moment feitelijk al waren vastgesteld. Nu de aanslagen daarmee in feite al voor de indiening van de herziene aangifte tot stand waren gekomen, heeft de inspecteur de bezwaren terecht ontvankelijk verklaard.

Vooraf II: overslaan bezwaarfase (navorderingsaanslag IB/PVV 2016)

4.2.

De inspecteur heeft over het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1). De inspecteur heeft verklaard dat hij het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedures in de zaken tegen de aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 tot en met 2016. Als uitgangspunt moet eerst de bezwaarfase zijn doorlopen, voordat beroep kan worden ingesteld. Ter zitting hebben partijen echter ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase (prorogatie) wat betreft deze navorderingsaanslag. De rechtbank zal de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 daarom hierna ook inhoudelijk behandelen.

Winstuitdeling – correcties box 2 in verband met vermeend rentevoordeel ((navorderings)aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016)

4.3.

De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat aan belanghebbende een rentevoordeel is toegekomen dat als belastbare winstuitdeling moet worden aangemerkt4. De inspecteur heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat met de vormgeving van eerst lening 1 en daarna de leningen 2 en 3 (zie 2.3 tot en met 2.5) is bewerkstelligd dat een rentevoordeel van 50% van 9,5% over de hoofdsom (namelijk 12% rente minus 2,5% rente) aan belanghebbende is toegekomen, dat dit heeft geleid tot een vermogensverschuiving door [B BV] aan haar (middellijk) aandeelhouder, belanghebbende, nu [B BV] er ook voor had kunnen kiezen het bedrag van € 200.000 zelf rechtstreeks tegen een hoge rente aan [D BV] uit te lenen, en dat zowel belanghebbende als [B BV] zich van deze bevoordeling bewust waren.

De rechtbank volgt de inspecteur daarin niet. De rechtbank acht van belang dat lening 1 op/omstreeks 15 april 2014 contractueel afliep en er dus geen sprake is van de overname van een bestaande geldlening, maar van een nieuwe financiering door een andere partij. Niet in geschil is dat de ter zake van lening 2 (2,5%) en lening 3 (12%) gehanteerde rentepercentages zakelijk zijn. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een winstuitdeling. Nu niet in geschil is dat de condities waaronder lening 2 en 3 zijn verstrekt zakelijk zijn, is er geen sprake van een bevoordeling door [B BV] van belanghebbende. Dat [B BV] door het op deze wijze vormgeven van de leningen 9,5% (te weten 12%-9%) rente misloopt, zoals de inspecteur stelt, is in die zin juist dat [B BV] ervoor had kunnen kiezen om zelf de lening aan [D BV] te verstrekken tegen 12%. Dat betekent echter nog niet dat sprake is van een bevoordeling van belanghebbende. Tegenover de door belanghebbende bedongen hogere rente (12%) staat immers ook een ander/hoger risicoprofiel. Dat [B BV] in het verleden zeer risicovol heeft geïnvesteerd, maakt niet dat sprake is van onzakelijk handelen in het voordeel van belanghebbende door bij deze transactie minder risicovol te handelen. Gelet op het voorgaande hebben de correcties ter zake van het vermeende rentevoordeel in de jaren 2014 tot en met 2016 ten onrechte plaatsgevonden. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.

Winstuitdeling – correcties box 2 in verband met niet-betaalde rente ((navorderings)aanslagen IB/PVV 2015 en 2016)

4.4.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat over de jaren 2015 en 2016 in verband met de door belanghebbende ter zake van lening 2 niet-betaalde rente een belastbare winstuitdeling ten gunste van belanghebbende moet worden aangenomen. Zij gaan daarbij voor elk van de jaren uit van een correctie van 1,25% (te weten 50%5 van 2,5% rente) van het gemiddelde saldo van de in het betreffende jaar openstaande hoofdsom. De rechtbank becijfert de correcties op basis van voornoemde uitgangspunten en het uit de gedingstukken volgende verloop van lening 2 op respectievelijk € 2.4066 (2015) en € 1.5477 (2016). Deze bedragen zal de rechtbank als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over de betreffende jaren in aanmerking nemen (zie 4.10).

Privé-uitgaven (aanslagen IB/PVV 2014 en 2015) – correcties box 2

4.5.

De inspecteur heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de vennootschappen waarvan belanghebbende (middellijk) aandeelhouder is, uitgaven voor privédoeleinden van belanghebbende voor hun rekening hebben genomen die als winstuitdeling in aanmerking moeten worden genomen. De inspecteur heeft in verband daarmee voor de jaren 2014 en 2015 het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang met € 1.053 (2014) respectievelijk € 1.189 (2015) verhoogd. Deze correcties zijn als volgt gespecificeerd:

Kosten

Correcties 2014

Correcties 2015

Betaald door [B BV]

[Contributie] (voetbalclub)

€ 65,00

De Limburger krant)

€ 391,80

€ 100,50

Onderhoud SAAB

€ 295,82

Onze luchtmacht contributie (tijdschrift)

€ 34,00

€ 34,00

Piloot en vliegtuig (tijdschrift)

€ 82,68

Fitness

€ 183,84

€ 59,70

Totaal [B BV]

€ 1.053

€ 194

Kosten betaald door de holding

De Limburger

€ 379,00

Luchtmacht

€ 29,00

Telefoonkosten

€ 417,00

Omzetbelasting privé-uitgaven

€ 170,00

Totaal holding

€ 995,00

Totaal

€ 1.053

€ 1.189

4.6.

Tegenover de correcties van de kosten van het fitnessabonnement heeft belanghebbende aangevoerd dat het privé-element ontbrak, omdat de fitnessmogelijkheid in de onderhavige jaren openstond voor alle medewerkers van [B BV] . De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat [B BV] in de onderhavige jaren volgens hem geen personeel (meer) in dienst had, dat het fitnessabonnement dus niet kon openstaan voor het personeel en dat sprake was van een privébesteding van belanghebbende die losstaat van de onderneming. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zijn kinderen destijds nog bij [B BV] op de loonlijst stonden en incidenteel ondersteunende administratieve werkzaamheden voor deze vennootschap verrichtten. De rechtbank acht daarmee wat betreft de ‘correcties fitness’ de gemotiveerde stelling van de inspecteur onvoldoende betwist. Voor het overige heeft belanghebbende de correcties wegens privé-uitgaven niet betwist en heeft hij zich in de bezwaarfase met de correctie van € 995,00 voor het jaar 2015 al akkoord verklaard. Voor zover belanghebbendes betoog ziet op een ‘correctie statafels’ neemt de rechtbank dit niet in behandeling, omdat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de in de onderhavige jaren toegepaste correcties daarop geen betrekking hebben. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat met de betaling van voornoemde bedragen sprake is geweest van een bevoordeling van belanghebbende als aandeelhouder en dat zowel de betrokken vennootschappen als belanghebbende zich daarvan bewust waren. Aangezien de berekening van de correcties niet in geschil is, laat de rechtbank de door de inspecteur gemaakte correcties daarom in stand.

Lijfrente-uitkering (box 1) ((navorderings)aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016)

4.7.

De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende in de onderhavige jaren jaarlijks lijfrente-uitkeringen van € 20.425 heeft genoten die als belastbare periodieke uitkeringen tot zijn inkomen uit werk en woning behoren. Belanghebbende betwist dat.

4.8.

Uit de wet vloeit voort dat belastbare periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend of vorderbaar en inbaar geworden8.

4.9.

De bewijslast dat tot voornoemd bedrag jaarlijks een lijfrente-uitkering tot het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden gerekend, rust op de inspecteur. De inspecteur heeft hiertoe aangevoerd dat de rekening-courant van belanghebbende bij de holding in de onderhavige jaren jaarlijks voor een bedrag van € 20.425 is gecrediteerd en dat belanghebbende de lijfrente-uitkeringen (aanvankelijk) ook als belastbaar inkomen in zijn aangiften IB/PVV heeft vermeld.

De rechtbank volgt de inspecteur in zijn standpunt dat belanghebbende de lijfrente-uitkeringen in de onderhavige jaren heeft genoten, omdat voornoemde bedragen in deze jaren zijn bijgeschreven op zijn rekening-courantrekening per 31 december van elk jaar. Wat de inspecteur echter heeft miskend, is dat de lijfrente-uitkeringen in de onderhavige jaren niet zijn genoten in geld maar in de vorm van een vordering en dat dit meebrengt dat deze vordering als inkomst in natura voor de geschatte waarde in aanmerking komt9. Voor de bepaling van de waarde van deze vordering acht de rechtbank de solvabiliteitspositie van de schuldenaar, [B BV] , op het genietingsmoment (dus per 31 december van elk jaar) van belang. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat deze solvabiliteitspositie in de onderhavige jaren slecht was. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vennootschap hoge belastingschulden had en dat eventuele liquiditeiten direct naar de fiscus, als preferente schuldeiser, zouden verdwijnen. De inspecteur heeft dat niet dan wel onvoldoende weersproken. Gelet daarop is niet aannemelijk gemaakt dat een waarde toekomt aan de vordering. Het verweer van de inspecteur dat er eerder op enig moment in 2014 € 200.000 aan liquiditeiten beschikbaar waren, doet daaraan niet af, ook niet voor het jaar 2014, omdat die omstandigheid niets zegt over de solvabiliteit van [B BV] aan het einde van dat jaar. De omstandigheid dat het uitgeleende bedrag van € 200.000 op enig moment terug zou komen, geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel, in aanmerking genomen dat de fiscus preferente schuldeiser is. Ook het gegeven dat belanghebbende deze bedragen zelf (aanvankelijk) in zijn aangiften IB/PVV heeft opgenomen, acht de rechtbank in dit verband niet relevant. De aangifte vormt immers slechts een hulpmiddel bij het vaststellen van het belastbare inkomen. Gelet op het voorgaande zijn de lijfrente-uitkeringen in de onderhavige jaren weliswaar terecht tot belanghebbendes inkomen gerekend, maar had daaraan een waarde van nihil moeten worden toegekend. Het gelijk is in zoverre aan belanghebbende.

Conclusies

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een deel van de correcties terecht heeft plaatsgevonden (zie 4.4 en 4.6) en een deel niet (zie 4.3 en 4.9). Gelet daarop moeten de belastbare inkomens van belanghebbende over de onderhavige jaren als volgt worden vastgesteld:

IB/PVV 2014

IB/PVV 2015

IB/PVV 2016

Pensioen

€ 11.690

€ 11.822

€ 11.875

AOW

€ 10.344

€ 9.804

€ 10.044

Saldo eigen woning

-/- € 7.410

-/- € 6.851

-/- € 5.581

Totaal box 1

€ 14.624

€ 14.775

€ 16.338

Correctie niet-betaalde rente (zie 4.4)

€ 0

€ 2.406

€ 1.547

Correctie privé-uitgaven (zie 4.6)

€ 1.053

€ 1.189

€ 0

Verrekening verlies

-/- € 1.053

-/- € 492

Totaal box 2

€ 0

€ 3.103

€ 1.547

Dit leidt tot een vermindering van de aanslagen IB/PVV over de jaren 2014 tot en met 2016 tot voornoemde bedragen, een dienovereenkomstige vermindering van de belastingrentebeschikking voor de jaren 2014 en 2015, een vernietiging van de aanslag Zvw 2016 nu deze enkel gebaseerd was op het bedrag van de lijfrente-uitkering (ad € 20.425) en een vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 nu de materieel verschuldigde belasting minder bedraagt dan het bij wege van aanslag geheven bedrag10. De beschikking waarbij het verlies van € 1.545 is verrekend in het jaar 2014 wordt overeenkomstig het overzicht aangepast. Met betrekking tot het verrekenen van verlies in het jaar 2015 merkt de rechtbank op dat weliswaar eerder geen beschikking daartoe is vastgesteld, maar dat die verrekening rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Gelet op het belang van definitieve geschilbeslechting en het belang van proceseconomie stelt de rechtbank het bedrag aan verliesverrekening ook vast in deze uitspraak.

4.11.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Bij het vaststellen van de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken met zaaknummers BRE 18/4587, BRE 18/4588, BRE 18/7414, BRE 18/7415 en BRE 20/9675, in totaal 5 zaken dus, samenhangende zaken zijn in de zin van het Besluit11. Deze zaken zijn immers (nagenoeg) gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde van belanghebbende konden in elk van deze zaken (nagenoeg) identiek zijn.

5.3.

De proceskosten zijn voor de beroepsfase op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.968,75 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 met een wegingsfactor 1,5 voor samenhang en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaken). Andere kosten zijn niet gesteld.

5.4.

Voor een vergoeding van de kosten van de onderhavige bezwaarfase is geen aanleiding, aangezien niet is gesteld of gebleken dat daarom is verzocht vóór het doen van de uitspraken op bezwaar (artikel 7:15, derde lid, van de Awb).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.624, vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig en vermindert het bedrag van het met inkomen uit aanmerkelijk belang van 2014 verrekende verlies uit aanmerkelijk belang tot € 1.053 (BRE 18/4587);

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.775 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 3.103, vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig en stelt het bedrag van het met inkomen uit aanmerkelijk belang van 2015 verrekende verlies uit aanmerkelijk belang vast op € 492 (BRE 18/4588);

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen bij de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 (BRE 18/4587 en BRE 18/4588);

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.338 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.547 en wijzigt de (impliciete) rentebeschikking dienovereenkomstig (BRE 18/7414);

  • -

    vernietigt de aanslag Zvw 2016 (BRE 18/7415);

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de daarbij behorende rentebeschikking (BRE 20/9675);

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.968,75;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal € 92 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2020 door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen)

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Te weten 50% van de aanvankelijk bepleite rentecorrectie van € 13.321 vanwege het (middellijke) aandeel van de zoon in [B BV] .

2 Te weten 50% van de aanvankelijk bepleite rentecorrectie van € 20.000 vanwege het (middellijke) aandeel van de zoon in [B BV] .

3 Te weten 50% van de aanvankelijk bepleite rentecorrectie van € 14.850 vanwege het (middellijke) aandeel van de zoon in [B BV] .

4 Artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

5 Vanwege het (middellijke) aandeel van de zoon in [B BV] .

6 Te weten op basis van het gewogen gemiddelde van 9 maanden 1,25% rente over € 200.000, 2 maanden 1,25% rente over € 180.000 en 1 maand 1,25% rente over € 150.000.

7 Te weten op basis van het gewogen gemiddelde van 3 maanden 1,25% rente over € 150.000 en 9 maanden 1,25% rente over € 115.000.

8 Artikel 3.100, eerste lid, letter b in samenhang met artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001.

9 Hoge Raad 2 februari 1983, BNB 1983/137.

10 Artikel 16, eerste lid, van de AWR.

11 Artikel 3, tweede lid, van het Besluit.