Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6503

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_6408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/6408 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 21 januari 2020 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet afgewezen en een voorschot van € 200,00 teruggevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

In het besluit van 20 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 19 november 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en [naam vertegenwoordiger] namens het college.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft zich op 15 oktober 2019 bij het college gemeld om per 1 februari 2019 een uitkering naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen. Hij heeft aangegeven dat hij vanaf 1 februari 2019 geen inkomen meer heeft. Hij heeft ook aangegeven dat hij in [plaatsnaam] een kamer huurt (aanvraagadres).

In een brief van 17 oktober 2019 heeft het college eiser gevraagd ervoor te zorgen dat het college uiterlijk op 31 oktober 2019 nadere gegevens/bewijsstukken heeft ontvangen.

In een brief van 5 november 2019 heeft het college eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 12 november 2019 nog ontbrekende gegevens in te leveren.

Op 15 november 2019 heeft eisers maatschappelijk werker namens eiser een verklaring en andere gegevens ingediend over eisers financiële situatie.

In een besluit van 29 november 2019 heeft het college eiser een voorschot van € 200,00 toegekend.

In een brief van 13 december 2019 heeft het college eiser gevraagd om een aantal gegevens mee te nemen naar een gesprek op 20 december 2019.

Op 10 januari 2020 heeft ook een gesprek plaats gevonden.

In een brief van 10 januari 2020 heeft het college eiser gevraagd om een aantal gegevens mee te nemen naar een gesprek op 14 januari 2020. Aansluitend aan het gesprek hebben handhavingsmedewerkers een huisbezoek afgelegd op het aanvraagadres.

De handhavingsmedewerkers hebben op 16 januari 2020 in het rapport uitkeringsfraude geconcludeerd dat eiser over zijn financiële situatie en zijn woon- en leefsituatie geen, onvolledige of onduidelijke informatie heeft verschaft, dat het recht op bijstand daardoor niet is vast te stellen en de bijstandsaanvraag daarom moet worden afgewezen.

In het primaire besluit is de aanvraag afgewezen omdat eiser onvoldoende gegevens heeft gegeven over zijn situatie. Daardoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en wordt de aanvraag afgewezen. Eiser moet het voorschot van € 200,00 terugbetalen.

2. Standpunt van het college

Het college heeft in het bestreden besluit de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Volgens het college mocht het gegevens over eisers financiële situatie vragen over een langere periode dan de periode die direct vooraf ging aan de datum met ingang waarvan de bijstand is aangevraagd. Er kan niet worden vastgesteld of eiser nog over andere inkomsten of middelen kon beschikken in de periode vanaf september 2018, omdat hij tegenstrijdige en onvolledige verklaringen heeft afgelegd over zijn financiële situatie. Daardoor kan niet worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Het college kan evenmin vaststellen dat eisers woon- en leefsituatie die van een alleenstaande op het aanvraagadres is, of dat hij bij zijn ex-partner woont.

3. Beroepsgronden van eiser

Eiser voert over zijn financiële situatie aan dat hij op het aanvraagformulier en tijdens het intakegesprek heeft uitgelegd hoe hij tot dat moment in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het college heeft geen objectieve feiten en omstandigheden genoemd op grond waarvan het redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid of volledigheid van die inlichtingen. Daarom was er geen aanleiding om aan hem bewijsstukken van de afgelopen twee jaar te vragen. Eiser heeft overigens wél door middel van de bankrekeningafschriften en de verklaring van de maatschappelijk werker inzicht verschaft in zijn financiële situatie in de periode voor de bijstandsaanvraag. Voor zover eiser tegenover de handhavingsmedewerkers tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, komt dat doordat het over een periode in het verleden ging en eiser gefrustreerd was geraakt. Verder bevat het bestreden besluit geen concrete aanwijzingen dat aangenomen kan worden dat eiser nog over andere middelen zou beschikken dan al bekend zijn bij het college.

Eiser voert over zijn woon- en leefsituatie aan dat hij daadwerkelijk woont op het aanvraagadres. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat niet zo is. In het verslag van het huisbezoek zijn de waarnemingen subjectief weergegeven. Eiser heeft weinig bezittingen. Ook was het onderzoek door het college te beperkt.

Eiser vraagt om het college te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de niet uitbetaalde uitkering.

4. Wetgeving die van toepassing is

In artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te raken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald - voor zover hier van belang - dat het college bepaalt welke gegevens ten behoeve van de voortzetting van de bijstand door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.

In artikel 58, tweede lid, aanhef onder d, van de Participatiewet is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

5. Geschil

Partijen verschillen van mening over de vragen of de uitkering terecht is afgewezen en het verstrekte voorschot van € 200,00 moet worden terugbetaald.

6. De afwijzing van de aanvraag

6.1

De rechtbank moet beoordelen of het college in het bestreden besluit goede redenen had om de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 15 oktober 2019 te handhaven en € 200,00 terug te vorderen.

Op de zitting heeft de gemachtigde verklaard dat er sprake is van twee zelfstandige afwijzingsgronden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, namelijk onduidelijkheid over eisers financiële situatie en onduidelijkheid over eisers woon- en leefsituatie.

6.2

De periode die beoordeeld moet worden bij de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand loopt van de datum waarop de aanvrager zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit. In het geval van eiser moet daarom beoordeeld worden de periode van 15 oktober 2019 tot en met 21 januari 2020.

6.3

Omdat het gaat om een aanvraag om bijstand moet eiser aannemelijk maken dat hij daar recht op heeft. Hij moet de nodige duidelijkheid verschaffen en volledige openheid van zaken geven. Vervolgens moet het college in het kader van de onderzoekplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Wanneer eiser niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een reden om een bijstandsuitkering te weigeren wanneer daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

6.4

De rechtbank stelt vast dat de verslagen van de gesprekken met eiser op 20 december 2019 en 10 en 14 januari 2020 op ambtseed zijn opgemaakt door de handhavingsspecialisten. Eiser heeft het eindverslag zonder voorbehoud ondertekend. Gelet hierop kan eiser in beginsel worden gehouden aan wat hij volgens het verslag verklaard heeft.

6.5

Eisers financiële situatie

6.5.1

De rechtbank zal eerst de afwijzingsgrond dat eisers financiële situatie niet duidelijk is geworden bespreken.

6.5.2

Om te beoordelen of een aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is verplicht om de gegevens in te leveren die nodig zijn voor een goede beoordeling van zijn aanvraag.

6.5.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333) is het college in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die gaan over de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. In het kader van dat onderzoek kan het college van de aanvrager, wanneer daarvoor een concrete aanleiding is, gegevens vragen die gaan over de financiële situatie in een periode die verder in het verleden ligt dan de laatste drie maanden.

De rechtbank is van oordeel dat het college goede redenen had om aan eiser ook gegevens over zijn financiële situatie te vragen over een langere periode dan de laatste drie maanden voor de aanvraag. Eiser heeft immers op het aanvraagformulier vermeld dat hij sinds 1 februari 2019 geen inkomen meer heeft gehad en dat hij een grote achterstand heeft opgelopen bij de zorgverzekering en de huisbaas. Daarna bleek dat hij al vanaf september 2018 geen inkomsten uit arbeid of uit een werkloosheidsuitkering had ontvangen.

6.5.4

De rechtbank volgt het standpunt van het college dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

De rechtbank stelt vast dat uit de bankafschriften blijkt van contante stortingen op eisers bankrekening met het nummer dat eindigt op .860 gedurende de periode van 5 juli 2018 tot en met 4 september 2019. Het gaat in totaal om een bedrag van € 2.490,00.

Op 15 november 2019 heeft eisers maatschappelijk werker hierover een ‘Verklaring inkomsten over periode vanaf juli 2018 tot nu’ (Verklaring) bij het college ingeleverd. In de Verklaring wordt beschreven dat eiser in de periode dat hij werkte geld heeft gespaard, dat hij bedragen pint van zijn rekening om die vervolgens thuis in een spaarpot te bewaren, en dat hij in de periode zonder inkomen deze spaarpot heeft gebruikt om bedragen naar zijn rekening te storten om er aankopen mee te doen. In de Verklaring worden eisers inkomsten en stortingen gedurende de periode van juli 2018 tot en met oktober 2019 toegelicht. Ook wordt vermeld dat eiser nooit leningen met personen is aangegaan, op eentje na van € 730,00 van een vriend, en dat die lening daarna niet nodig bleek te zijn. De rechtbank begrijpt uit de Verklaring dat eiser het geleende bedrag contant van zijn vriend heeft ontvangen. Volgens de Verklaring heeft eiser dat bedrag op 2 november 2019 gestort op zijn eigen bankrekening en heeft hij diezelfde dag het geld overgemaakt naar de betreffende vriend.

Eiser heeft tijdens de zitting bij de rechtbank gesteld dat de Verklaring duidelijk is en dat die het beeld geeft van hoe het met de stortingen is gegaan.

De rechtbank stelt vast dat uit de bankafschriften blijkt dat er op 2 november 2018 inderdaad € 730,00 is gestort op eisers bankrekening. Er blijkt echter ook uit dat er diezelfde dag twee maal een bedrag is overgeboekt naar [naam betrokkenen] , namelijk € 735,00 en € 44,39. De daadwerkelijk overgeboekte bedragen naar [naam betrokkenen] komen dus niet overeen met wat in de Verklaring staat.

Bovendien heeft eiser op 20 december 2018 over de storting van € 730,00 verklaard dat hij geld haalt van de rekening van zijn zoon, dat hij dit bij de bank op zijn eigen rekening stort en dan betalingen doet.

Daarbij komt dat uit de bankafschriften blijkt dat eiser op 29 juni, 25 augustus, 3 oktober en 2 november 2018 geld heeft overgemaakt aan [naam betrokkenen] . Eiser heeft hierover op 24 december 2018 tegen de handhavingsmedewerkers gezegd dat [naam betrokkenen] zijn vriend is, dat [naam betrokkenen] hem geld leende, dat hij hem heeft terugbetaald, dat er geen leenovereenkomsten met [naam betrokkenen] zijn opgesteld en het mondeling was afgesproken. Volgens deze verklaring zou eiser dus meerdere keren geld van [naam betrokkenen] hebben geleend.

Verder verklaarde eiser op 14 januari 2019 tegen de handhavingsmedewerkers nadat hij in juni 2019 ‘geld van de belasting’ had ontvangen: “Ik heb toen mijn krediet bij mensen terug betaald. Ik heb bijvoorbeeld Mamadoe betaald.” Volgens deze verklaring zou eiser dus van verschillende personen geld hebben geleend.

De rechtbank concludeert dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de herkomst van op zijn bankrekening gestorte contante bedragen en over een lening of leningen die hij zou hebben gesloten en afgelost in de periode voor de bijstandsaanvraag.

Eisers gemachtigde heeft tijdens de zitting bij de rechtbank gezegd dat de tegenstrijdigheden worden veroorzaakt doordat gevraagd werd naar een periode ver in het verleden waardoor er ruis in het geheugen kan zitten, en doordat eiser gefrustreerd raakte omdat hij niet werd geloofd. De rechtbank ziet hierin geen geloofwaardige verklaring voor de tegenstrijdigheden, omdat de tegenstrijdigheden niet slechts nuances betreffen.

Bovendien heeft eiser van de door hem gestelde lening of leningen geen enkel objectief en controleerbaar bewijs ingeleverd. Ook van de spaarpot en de omvang daarvan heeft hij geen objectieve en controleerbare gegevens verstrekt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser gelet op het voorgaande onvoldoende duidelijkheid gegeven over zijn financiële situatie in de periode voordat hij een bijstandsuitkering aanvroeg. Dat maakt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft aangetoond hoe hij in het levensonderhoud heeft voorzien in de periode dat hij geen loon meer van zijn werkgever kreeg en evenmin een werkloosheidsuitkering tot de datum van het primaire besluit, en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college had daarom goede redenen om in het bestreden besluit de afwijzing van de bijstandsaanvraag van 15 oktober 2019 te handhaven.

Omdat naar het oordeel van de rechtbank de afwijzing van de bijstandsaanvraag om de reden dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie stand kan houden, is er geen reden om de afwijzing van de aanvraag vanwege onduidelijkheid over eisers woon- en leefsituatie te beoordelen.

7. De terugvordering van het voorschot

Omdat, zoals hiervoor is geoordeeld het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen recht op bijstand bestaat, was het college bevoegd om het voorschot van € 200,00 terug te vorderen.

Eiser heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Het college kon van deze bevoegdheid in redelijkheid gebruik maken.

8. Conclusie, schadevergoeding en proceskosten

Het beroep is ongegrond.

Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier, op 17 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.