Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6486

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
15-07-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5315
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/5315 AW

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. D.E. de Hoop,

en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.H.A.M. Dassen.

Procesverloop

Eiser heeft de korpschef verzocht om hem, met toepassing van de Notitie Tijdelijke Tewerkstellingen in fase 2 (Notitie TTW), in een andere functie te plaatsen. In het besluit van 12 januari 2018 (primaire besluit) heeft de korpschef dat verzoek afgewezen.

In het besluit van 21 juni 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 december 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, en namens de korpschef diens gemachtigde en mr. L. Stové. Eiser heeft als getuige meegebracht [naam getuige eiser] , voormalig coördinator Politie Professie.

Overwegingen

De feiten

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was voorheen bij de politie werkzaam in de korpsfunctie van Coördinator Sturingsondersteuning bij de Divisie Sturingsondersteuning van de eenheid Zeeland-West-Brabant. In een besluit van 8 januari 2014 werd hij met ingang van 1 mei 2013 tijdelijk belast met werkzaamheden ter ondersteuning van de uitrol Politie Professie in de rol van coördinator van de Afdeling Politie Professie.

In een ‘besluit oorspronkelijke functie’ van 1 december 2015 is vastgesteld dat sprake is van een formele functiewijziging en dat voor eiser als oorspronkelijke functie geldt de LFNP-functie waarin hij is aangesteld, de functie van Bedrijfsvoeringsspecialist D. Eisers bezwaar tegen dat besluit is bij beslissing van 1 juni 2016 ongegrond verklaard.

In een brief van eveneens 1 december 2015 heeft de korpschef aan eiser het voornemen meegedeeld hem als functievolger te plaatsen in de functie van Bedrijfsvoeringsspecialist D, een functie die gewaardeerd is op schaal 12. Die functie komt voor in de formatie van de eenheid Zeeland-West-Brabant. In een besluit van 10 juni 2016 is eiser overeenkomstig het voornemen in die functie geplaatst.

Eiser heeft op 8 februari 2017 zijn leidinggevende, Sectorhoofd Staf [naam Sectorhoofd Staf] , gevraagd om plaatsing in de functie van Coördinator Politie Professie (hierna: CPP) in de eenheid Zeeland-West-Brabant, waar hij naar zijn zeggen ruim drie jaar naar tevredenheid op basis van een tijdelijk tewerkstellingsbesluit heeft gewerkt. Hij heeft verslagen van jaargesprekken 2013 en 2015 overgelegd.

In het primaire besluit is eisers verzoek om plaatsing met toepassing van de Notitie TTW afgewezen. Niet is vastgesteld dat eiser vanaf 1 mei 2013 tijdelijke werkzaamheden zijn opgedragen die volledig afwijken van de toegekende LFNP-functie Bedrijfsvoeringsspecialist D en die afwijken van de oude korpsfunctie van Coördinator Sturingsondersteuning. Verder is niet gebleken dat eiser tijdelijk is tewerkgesteld in de functie van Operationeel Specialist E (hierna: OSE), noch dat hij die functie gedurende langere tijd heeft waargenomen.

Voor zover wel sprake zou zijn van tijdelijke andere werkzaamheden is niet komen vast te staan dat deze werkzaamheden in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen van de functie van OSE over een ononderbroken periode van drie jaar vanaf 1 mei 2013. De korpschef is niet gebleken dat de tijdelijke werkzaamheden in de rol van CPP, vanaf het moment dat eiser die is gaan uitvoeren, overeenkomstig de inhoud en het niveau van de werkzaamheden van de LFNP-functie van OSE zijn. Het uitvoeren van een rol is niet hetzelfde als het uitvoeren van een (andere) functie, nog daargelaten het niveau daarvan.

De door eiser verrichte werkzaamheden zijn ook terug te vinden in het onderdeel ‘kern van de functie’ van de Bedrijfsvoeringsspecialist D, en op het niveau en inhoud van de werkzaamheden behorende bij de oude korpsfunctie Coördinator Sturingsondersteuning waarin eiser benoemd was.

Eisers bezwaar tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zo is niet gebleken dat er in eisers situatie sprake was van inzet en inbreng vanuit specialisatie in opsporingsonderzoeken, en evenmin werd er door eiser een directe bijdrage geleverd aan operationele politietaken. Dit zijn niveaubepalende elementen van de functie OSE.

Eisers standpunt

2. Eiser heeft in beroep, samengevat, allereerst de vraag opgeworpen of de politiechef Zeeland-West-Brabant, die het bestreden besluit namens de korpschef ondertekend heeft, daartoe bevoegd is.

Voorts is aangevoerd dat de korpschef een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Maatgevend moet zijn dat de rol van CPP is ondergebracht in de LFNP-functie van OSE. Door dat onderbrengen is het niveau van de functie komen vast te staan. Eiser heeft ruim drie jaar de rol van CPP volledig en naar volle tevredenheid uitgevoerd. Dat blijkt uit de verslagen van jaargesprekken. Het op een andere wijze beoordelen van werkzaamheden komt bij eiser over als willekeur en niet consistent. Nog in december 2015 is aan eiser het niveau van de functie van CPP kenbaar gemaakt. Eiser heeft de rechtbank gevraagd om te bepalen dat de korpschef hem per 1 mei 2016 dient te plaatsen in de LFNP-functie van OSE.

In reactie op het verweerschrift van de korpschef heeft eiser aangevoerd dat het inrichtingsplan ZWB indirect wel onderdeel moet uitmaken van de toetsing van zijn verzoek.

Hij heeft verder betoogd dat de korpschef bij monde van het hoofd staf aan eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij de functie vervulde van CPP. Eiser heeft nader toegelicht waarom de CPP binnen de eenheid Zeeland-West-Brabant gewaardeerd is op het LFNP-niveau OSE.

Over het standpunt dat sprake is van willekeur heeft hij toegelicht dat door de korpschef in de voorgaande jaren op zeven momenten beslissingen zijn genomen over de waardering van eisers werkzaamheden en over het functieniveau van de CPP binnen de eenheid ZWB. Anders dan in de voorafgaande zes beslissingen heeft de korpschef nu voor het eerst die werkzaamheden op het niveau van de Bedrijfsvoeringsspecialist D vastgesteld. Het niveau van eisers werkzaamheden kan beter worden vastgesteld door zijn direct leidinggevende dan door de aan dit proces gekoppelde HRM-medewerkers. Waar functiebeschrijvingen op meerdere manieren kunnen worden geïnterpreteerd mag eiser daar geen nadelige gevolgen van ondervinden. Volgens eiser hoeft niet aan alle niveaubepalende elementen van de andere functie te worden voldaan. Ten slotte heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

Het toetsingskader

3. Op grond van artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, van de regels afwijken indien de toepassing van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat.

De korpschef heeft, invulling gevend aan de in artikel 55v van het Barp gegeven bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen, in overleg met de politievakbonden ten aanzien van enkele groepen ambtenaren regels ontwikkeld waardoor die ambtenaren geplaatst konden worden in de functie die zij feitelijk vervulden. De regels zijn beschreven in de Notitie TTW, aangevuld met de ‘Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016’ (Aanvulling werkinstructie).

In de Notitie TTW zijn vier voorwaarden beschreven waar de aanvrager aan moet voldoen om op basis van die Notitie voor plaatsing in de gewenste functie in aanmerking te komen.

De eerste voorwaarde luidt: “De betrokkene dient op het moment van het verzoek of bezwaarschrift gedurende minimaal drie jaar ononderbroken de door hem gevraagde LFNP-functie uit te hebben geoefend. Opgemerkt dient te worden dat bij aanvang van de werkzaamheden niet altijd duidelijk zal zijn geweest welke LFNP-functie werd uitgeoefend c.q. opgedragen. Bij aanvang zal de functie dan ook niet altijd zijn genoemd. Indien in dat geval achteraf bezien sprake is van uitoefening van de gevraagde LFNP-functie, geeft dit recht op plaatsing indien aan de overige voorwaarden is voldaan. De medewerker dient op het moment van het verzoek of indienen bezwaar de functie nog steeds uit te oefenen.”

Deze voorwaarde is nader toegelicht in de Aanvulling werkinstructie, waarin staat: “Voor de vraag of een andere functie ook werkelijk is uitgeoefend wordt het criterium uit de Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF) gehanteerd. Dit betekent dat de vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd moet worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Noodzakelijk is dat vastgesteld wordt dat door het uitoefenen van de tijdelijke werkzaamheden in overwegende mate is voldaan aan de niveaubepalende elementen van de andere functie. Deze zijn omschreven in het onderdeel ‘kern van de functie’ van de betreffende LFNP-functie”.

Het geschil

4. Tussen partijen is in geschil of eiser op basis van de hardheidsclausule van artikel 55v van het Barp en de daarop gebaseerde Notitie TTW in de functie OSE moet worden geplaatst.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of is voldaan aan de eerste in die Notitie beschreven voorwaarde. Ter zitting is gebleken dat naar aanleiding van de ontkennende beantwoording van die vraag niet is toegekomen aan de toetsing aan de andere voorwaarden.

De bevoegdheid van de politiechef

5. Over de bevoegdheid van de politiechef Zeeland-West-Brabant, die namens de korpschef het bestreden besluit heeft ondertekend, overweegt de rechtbank dat de politiechef die bevoegdheid ontleent aan artikel 4.1 van het Mandaatbesluit Politie september 2017.

De beoordeling van het geschil

6. Eiser voert allereerst aan dat de rol van CPP is ondergebracht in de LFNP-functie van OSE, en dat door dat onderbrengen het niveau van de functie is komen vast te staan.

Dat standpunt van eiser verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de in de Aanvulling werkinstructie gegeven toelichting dat voor de vraag of een andere functie ook werkelijk is uitgeoefend het criterium uit de RAAF wordt gehanteerd. Dat betekent dat de vraag of de gewenste functie daadwerkelijk is uitgevoerd moet worden beantwoord aan de hand van de niveaubepalende elementen van die functie. Aan de door eiser gestelde omstandigheid dat de functie van CPP is ondergebracht in de functie van LFNP-functie OSE komt dan ook geen betekenis toe. Beoordeeld moet worden of de door eiser daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden voldoen aan de niveaubepalende elementen van de functie van OSE, zoals beschreven in de kern van die functie.

De beroepsgrond dat de korpschef een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd kan dan ook niet slagen, evenmin als de beroepsgrond dat het inrichtingsplan ZWB onderdeel moet uitmaken van de toetsing van eisers verzoek. Het inrichtingsplan is bij de toetsing niet relevant.

7. In de Nota van toelichting bij de RAAF is toegelicht dat de ambtenaar moet kunnen aantonen dat aan alle niveaubepalende elementen van de andere functie is voldaan.

In ieder geval zal de ambtenaar moeten aantonen dat door het totaal van opgedragen werkzaamheden in overwegende mate aan de andere functie is voldaan door aan te tonen dat de te behalen resultaten van de andere functie behorende bij de betreffende niveaubepalende elementen tot uitdrukking zijn gekomen.”

Ter zitting heeft eiser de vraag opgeworpen of het niet aan de korpschef is om aan te tonen dat niét in overwegende mate aan de andere functie is voldaan. Die vraag dient in het licht van de Nota van toelichting bij de RAAF ontkennend te worden beantwoord.

8. De rechtbank is niet gebleken dat eiser aan de in overweging 7 bedoelde bewijslast heeft voldaan. Eiser heeft ter zitting gewezen op de verslagen van met hem gevoerde functioneringsgesprekken, waarin naar voren komt dat hij al zijn werkzaamheden goed en naar tevredenheid deed. De rechtbank is echter niet gebleken dat in die gesprekken eisers functioneren in de hoedanigheid van OSE werd besproken.

Ook aan een e-mailbericht van eisers leidinggevende van 6 juli 2017 kent de rechtbank geen betekenis toe. In het bericht wordt juist opgemerkt: “In de redenatie van HR staat dat Hans zijn werkzaamheden op het nivo van Spec D heeft gedaan. Het is niet zo dat ik dit bestrijd, echter het verschil tussen de D en E is moeilijk aan te geven.

Aan dat bericht kan niet worden ontleend dat eiser functioneerde als OSE. Zoals ter zitting terecht namens de korpschef is opgemerkt is het niet de deskundigheid van de leidinggevende om het niveau van de werkzaamheden in het licht van de LFNP-functies vast te stellen. Zij verklaart dan ook dat zij dat het moeilijk vindt om dat onderscheid te maken.

In de RAAF is bepaald dat het van de individuele weging van alle feiten en omstandigheden afhangt of er sprake is van ‘in overwegende mate’ voldoen aan de niveaubepalende elementen in de andere functie. Daarbij dient te worden gekeken naar de verrichte werkzaamheden in de context van het werk in de betreffende organisatorische eenheid.

Voor zover eiser op die organisatorische context een beroep heeft willen doen, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd om dat beroep te doen slagen.

De rechtbank concludeert dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de referteperiode van 1 mei 2013 tot 1 mei 2016 ononderbroken werkzaamheden heeft uitgevoerd die afwijken van zowel zijn voormalige korpsfunctie van Coördinator Sturingsondersteuning, als van de hem toegekende LFNP-functie van Bedrijfsvoeringsspecialist D en die in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen als omschreven in het onderdeel ‘kern van de functie’ van de functie OSE.

9. Eiser meent dat sprake is van willekeur omdat op zeven verschillende momenten beslissingen zijn genomen over de waardering van de werkzaamheden van eiser en van het functieniveau van de functie CPP binnen de eenheid Zeeland-West-Brabant, en dat alleen bij de laatste beslissing, genomen op het TTW-verzoek, is besloten dat eiser functioneert op het niveau van de Bedrijfsvoeringsspecialist D.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn die door eiser als onderling tegenstrijdig ervaren waarderingen te begrijpen tegen de achtergrond dat iedere regeling, in ieder geval de Notitie TTW, zijn eigen toetsingscriteria kent. In het kader van de Notitie TTW moet immers getoetst worden of eiser in overwegende mate voldoet aan de niveaubepalende elementen van de functie van OSE. Dit staat los van de vraag onder welke LFNP-functie de werkzaamheden die eiser tijdelijk uitvoerde als CPP uiteindelijk zijn ondergebracht en of hij hierin goed functioneerde. Van willekeur is geen sprake.

10. Ook van schending van het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft gewezen op de situatie van een medewerker die, volgens eiser, ondersteunende werkzaamheden verrichtte aan de uitvoeringspraktijk en niet vanuit specialisatie een directe bijdrage leverde aan de operationele politietaak. Hij is wel geplaatst in de functie OSE.

Ter zitting is uit de verklaring van de door eiser meegebrachte getuige gebleken dat die medewerker niet met toepassing van de Notitie TTW in die functie is geplaatst, maar, na intrekking van diens bezwaar tegen de weigering van die toepassing, door bevordering. De rechtbank overweegt dat bij een beslissing tot bevordering andere maatstaven worden gehanteerd dan bij de beoordeling van een TTW-verzoek. Van vergelijkbare gevallen is geen sprake.

Eisers beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.

11. De handhaving van de afwijzing van eisers beroep op de Notitie TTW kan in rechte stand houden. Ook is de rechtbank niet gebleken van onbillijkheden van overwegende aard, op grond waarvan de korpschef, met toepassing van artikel 55v van het Barp - buiten de Notitie en de Aanvulling om – toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

Slotoverwegingen

12. De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat eiser beroep ongegrond dient te worden verklaard.

13. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. V.M. Schotanus, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 16 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier w.g. mr. K.H.J. Vermariën

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.