Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6408

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5654
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BBZ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5654 BBZ

uitspraak van 18 december 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 26 maart 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 12 februari 2020 (bestreden besluit) van Baanbrekers over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 oktober 2019 tot opzegging van het eerder verstrekte Bbz-krediet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 november 2020. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 5 december 2018 is aan eiser een Bbz-krediet van € 13.100,00 toegekend voor het starten van een eigen adviesbureau. Het eerste gedeelte van het krediet van € 6.900,00 is destijds aan eiser betaalbaar gesteld. Met eiser is met ingang van 7 september 2017 een betalingsregeling overeengekomen van € 75,00 per maand. Deze betalingsregeling is tot en met december 2018 door eiser nagekomen.

Bij besluit van 14 oktober 2019 (primair besluit) heeft Baanbrekers de geldlening opgezegd, omdat vanaf januari 2019 geen bedragen meer zijn ontvangen. Het restant van de vordering van € 5.239,47 wordt van eiser teruggevorderd.

Bij brief van 21 november 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 20 december 2019 heeft eiser zijn gronden aangevuld.

Bij besluit van 30 december 2019 heeft Baanbrekers het primaire besluit ingetrokken.

Baanbrekers heeft eisers bezwaar op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht geacht tegen het besluit van 30 december 2019.

Bij het bestreden besluit van 12 februari 2020 is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

2. In beroep stelt eiser dat er nog wel degelijk procesbelang is. Eiser voert hiervoor aan dat hij op 17 januari 2019 telefonisch de toezegging heeft gekregen dat hij vanaf 2019 niet meer hoefde te betalen aan de aflossing. In het nieuwe besluit is Baanbrekers op geen enkele manier ingegaan op dit punt.

3. Ter beoordeling ligt de vraag voor of Baanbrekers het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

4. Volgens vaste rechtspraak is slechts sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaarschrift met het instellen van bezwaar nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

Aan eiser is op 5 december 2018 een Bbz-krediet van € 13.100,00 toegekend voor het starten van een eigen adviesbureau. Het eerste gedeelte van het krediet van € 6.900,00 is destijds aan eiser betaalbaar gesteld. Met eiser is met ingang van 7 september 2017 een betalingsregeling overeengekomen van € 75,00 per maand. Deze betalingsregeling is tot en met december 2018 door eiser nagekomen.

Bij besluit van 14 oktober 2019 (primair besluit) heeft Baanbrekers de geldlening opgezegd, omdat vanaf januari 2019 geen bedragen meer zijn ontvangen. Het restant van de vordering van € 5.239,47 wordt van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 30 december 2019 heeft Baanbrekers het primaire besluit ingetrokken.

De rechtbank is, anders dan eiser meent, van oordeel dat de eventuele gedane toezegging niet maakt dat er in deze procedure procesbelang ontstaat. De intrekking van het besluit van 14 oktober 2019 heeft namelijk tot gevolg dat de oude situatie - de met eiser overeengekomen betalingsregeling van € 75,00 per maand - herleeft. De door eiser gestelde toezegging door Baanbrekers is van ná deze datum. Indien eiser een besluit wenst over de vraag of en in hoeverre hij nog betalingsplichtig is, kan eiser hiertoe bij Baanbrekers een apart verzoek indienen, zoals ook genoemd in het advies van de Commissie Bezwaarschriften.

5. De rechtbank is van oordeel dat Baanbrekers het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiser zal dan ook ongegrond worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl..

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.