Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6406

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AWB- 20_5079
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5079 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser

gemachtigde: [gemachtigde],

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 16 december 2019 (primair besluit) heeft het college eisers recht op bijstand ingetrokken met ingang van 24 november 2019.

In het besluit van 23 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 6 november 2020. Hierbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde en namens het college [aanwezige].

Feiten en omstandigheden

1. Eiser ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet. In het kader van een heronderzoek heeft het college hem bij brief van 12 november 2019 verzocht om vóór 24 november 2019 diverse gegevens in te leveren, waaronder bankafschriften en informatie over de afkoop van zijn pensioen bij [verzekeringsmaatschappij]. Eiser heeft hier niet op gereageerd.

Bij aangetekende brief van 25 november 2019 heeft het college aan eiser medegedeeld dat het recht op bijstand met ingang van 24 november 2019 is opgeschort. Het college heeft hem verzocht de gegevens vóór 5 december 2019 alsnog in te leveren. Daarbij is aangegeven dat de uitkering wordt stopgezet als deze gegevens niet of te laat worden ingeleverd en dat er een waarschuwing of boete zal volgen. Ook op deze brief heeft eiser niet gereageerd.

Bij aangetekende brief van 9 december 2019 heeft het college eiser nogmaals om de gegevens verzocht. Eiser is verzocht om deze vóór 15 december 2019 in te leveren. Ook op deze brief heeft eiser niet gereageerd.

Bij het primaire besluit heeft het college eisers recht op bijstand met ingang van 24 november 2019 ingetrokken. Het recht op bijstand kan namelijk niet worden vastgesteld, omdat hij de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. De inlichtingenplicht is geschonden. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

2. Eiser stelt dat zijn persoonlijke omstandigheden (depressief en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis) er voor zorgen dat hij dingen uit de weg gaat. Daarom heeft hij zijn post niet opengemaakt en heeft hij niemand ingeschakeld om dit voor hem te doen. Eiser is zich bewust van zijn stoornis en zoekt samen met maatschappelijk werk naar een oplossing. Inmiddels opent een goede vriendin zijn post voor hem en heeft hij een contactpersoon bij de gemeente die hem helpt. Hij heeft erg veel stress van de situatie gekregen.

Wettelijk kader

3. Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet - voor zover hier van belang - bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de voortzetting van de bijstand door de belanghebbende in ieder geval dienen te worden verstrekt en welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd.

Artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Overwegingen

4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de opschorting van de uitkering, alleen tegen de intrekking. Dat betekent dat enkel de intrekking van het recht op een bijstandsuitkering volgend op de opschorting ter beoordeling voorligt.

4.1

Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3353) moet bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan bevoegd was de uitkering in te trekken, alleen worden beoordeeld of de betrokkene de bij het opschortingsbesluit gevraagde stukken binnen de hersteltermijn heeft ingeleverd. Als dit niet zo is, moet vervolgens worden beoordeeld of dit de betrokkene kan worden verweten. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde stukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens of stukken waarover de betrokkene redelijkerwijs niet binnen de gestelde hersteltermijn heeft kunnen beschikken.

4.2

Het college was bevoegd om eiser te vragen om gegevens om de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte bijstandsuitkering te controleren. De rechtbank stelt vast dat het college eiser daartoe een brief heeft gestuurd en vervolgens tweemaal per aangetekende brief een hersteltermijn heeft verleend om hem de gelegenheid te bieden de gegevens alsnog in te leveren. Tussen partijen is niet in geschil dat de eiser de gevraagde gegevens niet binnen de verleende hersteltermijnen heeft ingeleverd bij het college. De rechtbank moet beoordelen of eiser dit kan worden verweten.

4.3

Niet betwist wordt dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand. Ook is gesteld noch gebleken dat eiser niet binnen de verleende hersteltermijnen over de gegevens kon beschikken. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn psychische klachten zijn post een tijd lang niet heeft geopend. Dit kan er echter niet toe leiden dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig herstellen van het verzuim. Het uitgangspunt is immers dat eiser zelf verantwoordelijk is voor het tijdig openen van de post of om maatregelen te treffen om tijdig van de post kennis te kunnen nemen. Het college mocht redelijkerwijs van eiser verwachten dat hij dergelijke voorzorgsmaatregelen zou treffen, te meer nu uit de door hem overgelegde medische stukken blijkt dat hij al langere tijd bekend is met psychische klachten. Wat eiser heeft aangevoerd, is dan ook onvoldoende om van het uitgangspunt af te wijken.

4.4

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat eiser geen verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig inleveren van de door het college gevraagde gegevens. Het college was daarom op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd om de uitkering van eiser in te trekken met ingang van de datum van de opschorting, in dit geval 24 november 2019. Niet gebleken is dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 18 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.