Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6395

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
02/035281-20 + 05/063046-18 tul
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van tot poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van zes jaren. De rechtbank acht het onder meer strafverzwarend dat zij ook hierna op respectloze wijze met het slachtoffer zijn omgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02/035281-20 + 05/063046-18 tul

vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

gedetineerd te P.I. Middelburg, 4337 PE Middelburg, Torentijdweg 1

raadsman: mr. H.A. van der Hout, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 december 2020, waarbij de officier van justitie, mr. J.F.M. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met anderen meerdere geweldshandelingen bij [slachtoffer] heeft verricht en hem vervolgens op hardhandige wijze van de trap heeft vervoerd, waardoor [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt, wat hem primair wordt verweten als medeplegen van poging tot doodslag en subsidiair als medeplegen van zware mishandeling.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van

7 op 8 februari 2020 in de woning aan het [adres 2] te Bergen op Zoom samen met medeverdachte [medeverdachte 1] meerdere geweldshandelingen heeft verricht bij [slachtoffer] , die daarbij zwaar gewond is geraakt. Vervolgens heeft hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer] op hardhandige wijze naar buiten gebracht, waarbij [slachtoffer] eveneens letsel heeft opgelopen. Zij verwijst hiervoor onder meer naar de verklaring van [slachtoffer] , waaruit blijkt dat hij gezond was toen hij aankwam bij voornoemde woning, de medische verklaring betreffende zijn letsel, de bevindingen van het forensisch onderzoek in de woning, de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek, de video-opname en de getuigenverklaringen. Hoewel niet kan worden vastgesteld door welke handelingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] welk letsel bij [slachtoffer] is ontstaan, kan gelet op de aard van het letsel wel worden geconcludeerd dat zij door zo veel geweld uit te oefenen op het lichaam van [slachtoffer] willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [slachtoffer] door hun handelen had kunnen komen te overlijden. Zij acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, te weten medeplegen van poging tot doodslag.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit primair integrale vrijspraak wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte een substantiële (materiële of intellectuele) bijdrage heeft geleverd aan de poging tot doodslag dan wel de opzettelijke zware mishandeling van [slachtoffer] . Hoewel verdachte in de woning aanwezig was, heeft het forensisch- en DNA-onderzoek niet uitgewezen dat verdachte een aandeel heeft gehad in het veroorzaken van het letsel bij [slachtoffer] . Ook de video-opname biedt hiervoor geen bewijs, nu hierop niet te zien is dat verdachte aanwezig is geweest bij de mishandeling van [slachtoffer] of dat hij geweldshandelingen heeft verricht bij [slachtoffer] . Subsidiair wordt aangevoerd dat het enkele feit dat verdachte aanwezig was in de woning en niet heeft ingegrepen, voor zover dit al mogelijk is, hooguit gekwalificeerd kan worden als medeplichtigheid aan poging tot doodslag dan wel zware mishandeling. Omdat dit niet ten laste is gelegd, dient alsnog integrale vrijspraak te volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank allereerst af dat [slachtoffer] op 7 februari 2020 rond 21:30 uur op bezoek kwam bij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het adres [adres 2] in Bergen op Zoom, waar ook verdachte aanwezig was. Omstreeks middernacht werd [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte 1] naar buiten de trap af gedragen en zwaar gewond op de openbare weg neergelegd, waar korte tijd later de politie ter plaatse kwam. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden op dat moment bloed aan hun kleding en handen en de knokkels van hun beider handen waren gezwollen.

[slachtoffer] had diverse verwondingen aan zowel zijn hoofd als lichaam. Zijn ogen waren ernstig gezwollen, boven zijn linker wenkbrauw had hij een snee van ongeveer 4 centimeter, op zijn achterhoofd zat een open wond van ongeveer twee centimeter lengte, op zijn rug liepen twee rode striemen met een lengte van 25 centimeter en op zijn rechter scheenbeen zat een open wond met een diameter van ongeveer vijf centimeter. Na onderzoek in het ziekenhuis werd geconstateerd dat er bij [slachtoffer] sprake was van fors traumatisch letsel, bestaande uit uitgebreide forse aangezichtsfracturen, waarvoor hechtingen zijn geplaatst en een operatie door de kaakchirurg is verricht, een klaplong (pneumothorax), meerdere ribfracturen en hersenletsel (subduraal hematoom en epiduraal hematoom).

In de woning was een grote hoeveelheid bloedsporen aanwezig, onder andere in de hal, de keuken en de woonkamer. De poef in de woonkamer bevatte meerdere bloedspoorpatronen in de vorm van bloedspatten en bloedstroompatronen, welk impactpatroon door gebruik van forse kracht moet zijn ontstaan. Dit bloed bleek afkomstig te zijn van [slachtoffer] . Daarnaast lagen in de woning diverse voorwerpen met daarop bloedsporen: kledingstukken, een honkbalknuppel, twee messen en een lege wijnfles. Ook het bloed op het uiteinde van de honkbalknuppel bleek afkomstig te zijn van [slachtoffer] .

Het celmateriaal op het handvat van de honkbalknuppel bleek een DNA-mengprofiel te zijn, waarbij de hypothese dat medeverdachte [medeverdachte 1] één van de donoren is veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat het celmateriaal afkomstig is van vier onbekenden.

Daarnaast liep er een sleepspoor van bloed vanaf de woning over de trappengalerij naar beneden.

Van het moment dat [slachtoffer] gewond in voornoemde woning aanwezig was, is een video-opname gemaakt. Hierop is [slachtoffer] te zien, die reeds gewond was aan zijn gezicht en bloedde. Daarnaast is een sok te zien met blauwe steenstukken, waarvan verdachte heeft verklaard dat hij soortgelijke sokken droeg die avond. Verder is te zien dat er tegen de rechterhals van [slachtoffer] een voorwerp wordt gedrukt. Op de video-opname is de stem van medeverdachte [medeverdachte 1] te horen. Door een ander wordt daarbij gezegd dat “hij niet dood hoeft”, dat “hij moet betalen”. Ook wordt gevraagd om zijn gezicht te laten zien waarna de ander zegt: “Wat heb je gedaan? Je hebt hem goed behandeld maat”.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat in de woning ter hoogte van de poef een geweldincident heeft plaatsgevonden waarbij, gelet op de grote hoeveelheid bloed en het uitgebreide bloedspattenpatroon, veel kracht is gebruikt. De rechtbank gaat er vanuit dat hierbij gebruik is gemaakt van de aangetroffen honkbalknuppel. Dat [slachtoffer] al gewond was toen hij bij de woning aankwam, zoals verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben verklaard, volgt de rechtbank dan ook niet. Ook uit het forensisch onderzoek volgt dat geen aanwijzingen aanwezig zijn voor het scenario dat [slachtoffer] al bebloed de trappengalerij naar boven is gegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn het verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die dit geweld hebben toegepast. Zij waren immers naast medeverdachte [medeverdachte 2] als enigen in de woning aanwezig en beiden hadden verwondingen/zwellingen op de knokkels van hun handen. Dat deze verwondingen zijn ontstaan door het slaan tegen een muur, zoals verdachten hebben verklaard, acht de rechtbank in het licht van de andere bewijsmiddelen niet aannemelijk. Uit het filmpje blijkt voorts dat beide verdachten aanwezig en betrokken waren bij de op dat moment reeds gewonde [slachtoffer] , terwijl ook werd gesproken over “dat hij niet dood moest”. Ook heeft de rechtbank in dit verband acht geslagen op het gegeven dat op het handvat van de honkbalknuppel waarschijnlijk het DNA van medeverdachte [medeverdachte 1] zat en dat door getuige [getuige 1] is gezien dat de man met de baard (de rechtbank begrijpt verdachte) helemaal onder het bloed zat.

De rechtbank gaat er ook vanuit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dit samen en in vereniging hebben gedaan, nu zij hierover geen openheid van zaken hebben gegeven. Dat zij, zoals zij ter zitting hebben verklaard, vanwege alcoholgebruik geen herinneringen meer hebben aan wat er die avond in de woning is gebeurd, acht de rechtbank, ook bezien in het licht van hun eerdere stellige ontkenning, hoogst onwaarschijnlijk. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen welke geweldshandeling door wie van hen is toegepast bij [slachtoffer] , wordt het ervoor gehouden dat sprake is geweest van een zodanige intensieve en bewuste samenwerking dat het min of meer toevallig is geweest wie de uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Gezien de aard van het letsel, de bevindingen van de politie ter plaatse en de bevindingen van het forensisch- en DNA-onderzoek is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer] in ieder geval met forse kracht tegen het hoofd en het lichaam hebben geslagen, ook met voorwerpen, waaronder een honkbalknuppel en mogelijk een lege wijnfles. Ook hebben zij tegen het hoofd en/of lichaam geschopt en/of getrapt en hem in het hoofd hebben gestoken en/of gesneden, waarschijnlijk met de aangetroffen bebloede messen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 2] geweldshandelingen heeft verricht bij [slachtoffer] , als gevolg waarvan hij pijn of letsel heeft ondervonden.

Gezien de aard van het letsel van [slachtoffer] acht de rechtbank het uitgesloten dat het zware letsel is ontstaan tijdens het, na het toegepaste geweld, onzorgvuldig slepen/vervoeren van [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte 1] van de trap naar beneden. Deze handeling kan naar het oordeel van de rechtbank wellicht tot oppervlakkig letsel, zoals krassen op de rug, hebben geleid, maar niet tot diverse aangezichtsfracturen en hersenletsel. Dit letsel past naar haar oordeel wel bij het slaan met een vuist of een voorwerp of voorwerpen in het gezicht en specifiek de slaap. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachten [slachtoffer] alleen bij de voeten de trap af hebben gesleept waardoor hij ook met het hoofd tegen de grond/traptreden is gekomen, nu hierover slechts door één getuige is verklaard.

Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is waarbij het meermalen en met kracht slaan met een vuist en een hard voorwerp daartegen, de aanmerkelijke kans met zich brengen dat de dood intreedt. Dat deze kans zich hier ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt wel uit het ernstige letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen. Verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest. Door samen met medeverdachte [medeverdachte 1] toch genoemd geweld uit te oefenen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] door hun gedragingen zou kunnen komen te overlijden. Dat het niet zo ver is gekomen, is niet aan het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] te danken geweest, maar enkel aan het optreden van de medisch specialisten in het ziekenhuis.

De rechtbank acht daarom het primair tenlastegelegd feit, te weten medeplegen van poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair
op 7 februari 2020 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met één of meer harde voorwerpen en met een vuist en/of open hand op en/of tegen het hoofd en/of overige lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of op en/of tegen het hoofd en/of overige lichaamsdelen heeft geschopt en/of getrapt, en/of met één of meer messen in het hoofd heeft gestoken en/of gesneden en die [slachtoffer] vervolgens over de grond en/of trap heeft gesleept en die [slachtoffer] aan diens voeten en/of schouders/armen naar en/of van de trap heeft gedragen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, gelet op hetgeen zij bewezen acht, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Zij heeft bij de formulering van haar eis rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de omstandigheden van het geval en het strafblad van verdachte. Zij acht het strafverzwarend dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met hun handelen blijk hebben gegeven van totale minachting voor het leven van het slachtoffer, dat verdachte nadien geen enkele verantwoordelijkheid heeft getoond en dat hij in het verleden vaker is veroordeeld voor geweldsdelicten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien een bewezenverklaring mocht volgen, een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel ten hoogste twee jaren bedraagt. Daarnaast wordt verzocht aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden, die zijn geadviseerd door de reclassering.

Verdachte wil zijn leven beteren en samen met zijn vriendin aan de toekomst werken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een zeer ernstige vorm van geweldspleging. Zij hebben het slachtoffer samen zo ernstig toegetakeld, dat het weinig scheelde of hij was aan zijn verwondingen overleden. Zij hebben hem niet alleen geslagen en geschopt, maar ook diverse voorwerpen, waaronder een honkbalknuppel en mogelijk een lege wijnfles en messen, gebruikt om het slachtoffer mee te verwonden. Naast meerdere aangezichtsbreuken, een klaplong en ribfracturen, was er zelfs sprake van hersenletsel. Het slachtoffer heeft daarvoor langere tijd in het ziekenhuis gelegen, waaronder op de intensive care. Hierna is een revalidatieperiode gevolgd, waarbij het slachtoffer onder andere opnieuw moest leren lopen. De toekomst zal moeten uitwijzen of zijn gehoorschade en neurologische schade blijvend zijn. Uit de ter zitting namens het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat het incident een grote indruk heeft gemaakt op zowel hem zelf als zijn familie en dat zij hier nog dagelijks de gevolgen van ondervinden.

De rechtbank houdt rekening met de straffen die blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare situaties voor doodslag worden opgelegd, te weten gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaren. Bij een poging gaat daar in beginsel één derde vanaf.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Nu deze veroordelingen dateren van meer dan vijf jaar geleden, is er geen sprake van relevante recidive.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank allereerst de mate van het door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] uitgeoefende geweld mee. Daarnaast acht zij het strafverzwarend dat zij ook hierna op zeer respectloze wijze met het slachtoffer zijn omgegaan door hem in hulpeloze toestand op straat neer te leggen bij een afvalcontainer, hem vervolgens nog een keer te verplaatsen terwijl het slachtoffer pijn leed, hierna terug de woning in te gaan en vervolgens tegenover voorbijgangers te doen alsof zij het slachtoffer wilden helpen. Ten slotte weegt de rechtbank de proceshouding van verdachte in strafverzwarende zin mee. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen. Bovendien heeft hij telkens zijn verklaring gewijzigd en ten slotte aangegeven dat hij zich helemaal niets meer kan herinneren van wat er is gebeurd.

Uit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 22 juli 2020 blijkt dat verdachte in het verleden diverse malen is veroordeeld voor delicten met een agressiecomponent, waar een combinatie van psychische problemen (met name agressieregulatieproblemen) en alcoholgebruik aan ten grondslag lagen. De behandelingen gericht op alcoholgebruik en emotieregulatie die verdachte hierna heeft gevolgd, hebben onvoldoende bijgedragen aan het voorkomen van delictgedrag. Daarom zijn interventies op dat gebied opnieuw geïndiceerd. Verdachte wordt wel voldoende intelligent en leerbaar geacht om tot gedragsverandering te kunnen komen. Daarnaast lijkt zijn partner een steunende factor te zijn. Verdachte heeft geen werk of dagbesteding, maar wil dat graag veranderden. Hij lijkt gebaat te zijn bij ondersteuning, omdat hij zelf moeite heeft om tot gedragsverandering te komen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. Om die reden dient een plan van aanpak te worden opgesteld om verdachte op verantwoorde wijze terug deel te laten nemen aan de maatschappij. Dit kan plaatsvinden in het kader van de tenuitvoerlegging van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden of in het kader van een detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en andere voorwaarden betreffende het gedrag. Als andere mogelijkheid wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, waarbij voornoemde bijzondere voorwaarden dienen te worden verwerkt in het plan van aanpak in het kader van de detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf de enige straf is die recht doet aan de ernst van het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld en de persoon van verdachte.

Alles afwegend is acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 42.943,28, waarvan

€ 33.943,28 ter zake van materiële schade en € 9.000,- ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de wettelijke rente toewijzen vanaf 7 februari 2020 en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Ook zal zij bepalen dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet is gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf van één week, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 10 juli 2018 in de zaak met parketnummer 05/063046-18, ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Zij zal daarom de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: medeplegen van poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 42.943,28, waarvan € 33.943,28 ter zake van materiële schade en € 9.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 42.943,28, waarvan € 33.943,28 ter zake van materiële schade en € 9.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen;

- bepaalt dat bij niet betaling 249 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf, die bij vonnis van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 10 juli 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 05/063046-18, ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van één week.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Goossens en

mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 december 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

11 Bijlage I

De tenlastelegging

primair
hij op of omstreeks 7 februari 2020 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer (hard(e)) voorwerp(en) en/of met een vuist en/of (open) hand op en/of tegen het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen) hebben/heeft geslagen en/of gestompt, en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op en/of tegen het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen) hebben/heeft geschopt en/of getrapt, en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer mes(sen), althans (een) dergelijk(e) puntig(e)/scherp(e) voorwerp(en), in het hoofd hebben/heeft gestoken en/of gesneden en/of die [slachtoffer] (vervolgens) over de grond en/of trap hebben/heeft gesleept en/of die [slachtoffer] aan diens voet(en) en/of schouder(s)/arm(en) naar en/of van de trap hebben/heeft gedragen, waarbij het hoofd van die [slachtoffer] (meermalen) die traptrede(n) en/of de grond heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 7 februari 2020 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een ontwrichting van de bovenkaak en/of één of meer kaak- en/of aangezichtsfractu(u)r(en) en/of één of meer gebroken rib(ben) en/of een ingeklapte long en/of één of meer bloeding(en) in het hoofd, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer (hard(e)) voorwerp(en) en/of met een vuist en/of (open) hand op en/of tegen het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen) te slaan en/of stompen, en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op en/of tegen het hoofd en/of (het) overig(e) lichaam(sdelen) te schoppen en/of trappen, en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer mes(sen), althans (een) dergelijk(e) puntig(e)/scherp(e) voorwerp(en), in het hoofd te steken en/of snijden en/of die [slachtoffer] (vervolgens) over de grond en/of trap te slepen en/of die [slachtoffer] aan diens voet(en) en/of schouder(s)/arm(en) naar en/of van de trap te dragen, waarbij het hoofd van die [slachtoffer] (meermalen) die traptrede(n) en/of de grond heeft geraakt.

12 Bijlage II

De bewijsmiddelen

primair

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer wordt daarmee, tenzij anders vermeld, bedoeld een paginanummer van het eindproces-verbaal met documentnummer [document] Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, Districtsrecherche De Markiezaten, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 t/m 1436.

1. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , pagina’s 43 en 44. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 8 februari 2020, omstreeks 0:10 uur, kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1] , de opdracht om te gaan naar het [adres 2] in Bergen op Zoom. Om 00:16 uur kwam ik ter plaatse. Op de kruising van het [adres 2] met de Artilleriestraat zag ik dat een man ineengedoken tegen een lantaarnpaal aanzat. Ik zag dat de man, naar later bleek [slachtoffer] , volledig onder het bloed zat en dat hij geen schoenen droeg. Bij deze man zag ik twee andere mannen zitten. Dit bleken te zijn: [medeverdachte 1] en [verdachte] . Ik zag dat zij ook bloed aan hun handen en kleding hadden. Daarnaast zag ik dat de handen van [verdachte] rondom zijn knokkels gezwollen waren en dat zijn knokkels rood verkleurd waren.

Ik zag dat het gezicht van [slachtoffer] ernstig verwond was. Ik zag dat beide ogen ernstig waren gezwollen en dat hij deze niet kon openen. Ik zag dat er boven zijn linker wenkbrauw een snee van ongeveer vier centimeter zat. Ik zag dat er zich op het achterhoofd van [slachtoffer] een open wond bevond van ongeveer twee centimeter lengte. Ik zag dat er twee rode striemen parallel aan elkaar diagonaal over zijn rug liepen. Deze striemen lagen ongeveer drie centimeter uit elkaar en waren ongeveer 25 centimeter lang. Ook zag ik dat het slachtoffer een open wond op zijn rechter scheenbeen had, deze wond was ovaal van vorm en had een diameter van ongeveer vijf centimeter.
Ik hoorde dat [slachtoffer] tegen het ambulancepersoneel zei dat hij ruzie had gehad met zijn broer.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , pagina’s 63 en 64. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 8 februari 2020 omstreeks 00:10 uur kreeg ik, verbalisant [verbalisant 2] , van de meldkamer het verzoek te gaan naar het [adres 2] te Bergen op Zoom. Omstreeks 0:15 uur kwam ik ter plaatse. Ik zag een manspersoon zeer bebloed op de stoep zitten. Hij was onder behandeling bij ambulancepersoneel. Ik zag er een tweetal andere mannen er omheen staan, later bij mij bekend geworden als zijnde [medeverdachte 1] en [verdachte] . Ik hoorde een mij verder onbekend gebleven manspersoon mij melden dat hij had gezien dat de bebloede man door de twee mannen op de locatie was gelegd waar wij hem nu troffen. Ik hoorde de man vervolgens verklaren dat hij had gezien dat de mannen die de bebloede man naar buiten had gedragen, die twee mannen waren die nu om hem heen stonden. De onbekend gebleven man bedoelde hiermee [medeverdachte 1] en [verdachte] .
Ik zag op de stoep en de galerij bij de woning [adres 2] een compleet sleepspoor liggen van een rood bruine vloeistof, waarvan ik ambtshalve inschat dat dit bloed was. Ik zag in dat sleepspoor hier en daar ook plasjes met bloed.

Ik zag duidelijk dat er verschillende verdikkingen zaten op de gewrichten van de handen van [medeverdachte 1] . Ook zag ik dat er meerdere bloedvlekken zaten op de handen van [medeverdachte 1] en op zijn linkervoet.

In de woning zag ik eveneens bloedsporen, te weten in de hal, de keuken en de woonkamer. Op het aanrecht in de keuken zag ik twee messen liggen, met daarop bloedsporen. Daarnaast zag ik op het aanrecht een lege wijnfles staan met op de buitenzijde op het etiket bloedsporen.

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 8 februari 2020, pagina 133 en 134. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Ik stond beneden bij de trap, toen ik zag dat er een man uit een woning op de bovenverdieping naar buiten werd getrokken. Twee mannen hielden de man vast en legden hem voor de deur. Ik zag dat de man aan schouders en voeten van de trap af werd gedragen. Vervolgens liep ik naar de deur van mijn woning. Ik hoorde toen een vreemd geluid, alsof er iets van de trap rolde. Ik keek om de hoek van het balkon om te kijken wat er gebeurde. Ik zag dat het slachtoffer door één van de mannen bij de voeten werd vastgehouden. Ik zag dat de andere man hem man nog een beetje bij de schouders vasthield. Ik weet niet of het slachtoffer met zijn hoofd de grond raakte. De kale man sleurde hem aan zijn voeten mee. Ik zag dat het slachtoffer helemaal onder het bloed zat en dat hij door de mannen op de grond werd neergelegd bij de lantaarnpaal. Hierna gingen de mannen weer naar boven, waarna ze weer terug naar beneden kwamen. Ik hoorde dat zij aan de inzittenden van een voorbijrijdende bus vroegen wat er was gebeurd.

Ik zag dat de man met de baard helemaal onder het bloed zat. Zijn armen waren rood. De man had geen schoenen aan. Eén voet was bloot en daar zat ook bloed aan.
Nadat de ambulance is weggegaan heeft de politie met de twee mannen gesproken.

De man met de baard had eerst een zwart t-shirt aan en droeg later een grijsachtig t-shirt. De kale man had een donker trainingspak aan en droeg dit ook nog toen de politie er was.

4. Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] te Bergen op Zoom) van 10 februari 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] , pagina’s 146 en 147 (en pagina’s 13 en 14 van het aanvullend procesdossier FO). Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 8 februari 2020 werd mij, verbalisant [verbalisant 3] , verzocht om de foto’s te beoordelen die door de politie waren gemaakt omstreeks 00:33 uur naar aanleiding van het aantreffen van een zwaar gewonde man op de locatie [adres 2] te Bergen op Zoom.
Aan de hand van de foto’s stel ik vast dat de sleepsporen op de trap en op de galerij vanuit de richting van de voorliggende bovengelegen trap(pen) kwamen en dat deze sleepsporen in de richting van de lager gelegen trap(pen) gingen. De contactsporen en sleepsporen eindigden op het trottoir onderaan de trappen van de galerij onderaan de woning [adres 2] te Bergen op Zoom.

5. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] te Bergen op Zoom) van 29 juni 2020, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en Net, pagina’s 491 t/m 509 (en pagina 16 t/m 34 van het aanvullend procesdossier FO). Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 8 februari 2020 kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [adres 2] te Bergen op Zoom.

In de woonkamer zagen wij, staand in de richting van de beige lederen hoekbank, aan de bovenzijde en de linkerzijde van de poef, meerdere bloedspoorpatronen in de vorm van bloedspatten en bloedstroompatronen, welke door de verschijningsvorm geïnterpreteerd zou kunnen worden als een impactpatroon. Door ons werden drie bemonsteringen van bloed op de poef met behulp van een wattenstaafje bemonsterd en veiliggesteld (SIN AAKY5802NL, AAKY5803NL en AAKY5804NL).

Ook zagen wij meerdere bloedspatjes op de rugzijde van de lederen hoekbank en de achterkant van de bank.

Onder de bank werden bebloede schoenen en bebloede witte sportsokken aangetroffen.

In de stapel kleding die voor de badkamerdeur op de grond lag, troffen wij eveneens twee witte sportsokken aan, die bebloed waren.

In de badkamer zagen wij onder een gevulde vuilniszak een slagwapen liggen, in de vorm van een honkbalknuppel. Wij zagen dat het uiteinde van de honkbalknuppel bebloed was. Door ons werd de honkbalknuppel zo veiliggesteld dat het

handvat en het uiteinde van de knuppel elkaar niet zouden kunnen contamineren (SIN

AAKY5774NL). Voor de deuropening van de badkamer zagen wij op de vloer een stapel met kleding en handdoeken. Wij zagen dat het bovenste kledingstuk een blauwe

joggingbroek betrof. Op de joggingbroek zagen wij diverse donker gekleurde vlekken. Met behulp van de tetrabasetest zagen wij dat deze vlekken zeer waarschijnlijk

bloed betrof.

In de hal zagen zij aan de onderzijde van de deurkozijn van de voordeur een bloedspoorpatroon. Aan de hand van de verschijningsvorm zagen wij dat het een bloedcontactspoor betrof. Wij zagen dat het spoor een uitgaande richting had in de richting van de galerij. Onder de doorloopmat welke direct achter de voordeur op de vloer lag troffen wij meerdere bloedsporen aan. Op de deurbel naast de voordeur van de woning werd geen bloed aangetroffen.

Tegen de linkerzijde van de kast troffen wij een zwarte vuilniszak aan. Nadat wij de vuilniszak hadden geopend troffen wij hierin een witte bebloede sportsok aan.

Op basis van het forensisch onderzoek in de woning gelegen aan het [adres 2] in Bergen op Zoom kan worden geconcludeerd dat hier een geweldincident heeft plaatsgevonden. Aan de hand van het sporenbeeld in de woning is het aannemelijk dat het incident zich in de woonkamer ter hoogte van de poef van de beige lederen bank heeft plaatsgevonden. Hierbij is, gezien het bloedspattenpatroon, veel kracht gebruikt. Het is aannemelijk dat de aangetroffen slagwapen in de badkamer, in de vorm van een honkbalknuppel, gebruikt is om geweld op het slachtoffer uit te oefenen.
Aan de hand van het bloedspattenpatroon in de hal van de woning, de deurpost van de voordeur en de trappengalerij, is het zeer waarschijnlijk dat het slachtoffer naar
een lager gelegen etage is verplaatst. Er zijn geen aanwijzingen dat het slachtoffer bebloed de trappengalerij naar boven is gegaan.

6. Het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] , pagina’s 513 en 514 (en pagina’s 140 en 141 van het aanvullend procesdossier FO). Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 9 februari 2020 werd door mij, verbalisant [verbalisant 4] , een onderzoek verricht in de woning aan het [adres 2] te Bergen op Zoom. In de keuken van voornoemde woning zag ik op de deur van het linker kastje en de deur van het tweede kastje van links onder kleine bloedspatten. Op basis van interpretatie concludeer ik dat deze sporen zeer waarschijnlijk zijn ontstaan als gevolg van een uitgeoefende kracht.

7. Het rapport van The Maastricht Forensic Institute van 26 mei 2020, opgesteld door forensisch DNA-deskundige, dr. P.J. Herbergs, pagina’s 523 t/m 526 (en pagina’s 191 t/m 194 van het aanvullend procesdossier FO). Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

Van het slagwapen zijn het bloed op het uiteinde (AAKY5774NL#01) en het handvat (AAKY5774NL#02) bemonsterd met een wattenstaafje. Ook is de bloedspat op de poef gemonsterd (AAKY5804NL). In deze bemonsteringen is met behulp van de tetrabasetest bloed aangetoond.
De opgestelde DNA-profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van [medeverdachte 1] (RAAL2762NL), [verdachte] (RAAS9606NL) en [slachtoffer] (REP262).

Als resultaat is naar voren gekomen dat het DNA-profiel van het bloed op het uiteinde van het slagwapen (AAKY5774NL#01) van een man afkomstig is. De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] .

Daarnaast betreft het DNA-profiel van het celmateriaal op het handvat van het slagwapen (AAKY5774NL#02) een DNA-mengprofiel, afkomstig van celmateriaal van minimaal vier donoren, van wie zeker één man.

Om een uitspraak te doen over het mogelijke donorschap van celmateriaal van [medeverdachte 1] in de bemonstering van het handvat van het slagwapen (AAKY5774NL#02) is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.

Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 1] en drie onbekende, niet verwante personen.

Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van vier onbekende, niet verwante personen.

De resultaten van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Ook is gebleken dat DNA-profiel van het bloed op de poef van een man afkomstig is. De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] .

8. Het proces-verbaal forensisch onderzoek betreffende [medeverdachte 1] (Mijkenbroek 31 Breda) van 27 februari 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 6] , pagina’s 150 t/m 152 van het aanvullend procesdossier FO. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 8 februari 2020 werd [medeverdachte 1] in het cellencomplex onderzocht. Door de forensisch arts, S. Drijver, werd bij hem letsel aan de knokkels en handrug van de buitenzijde van de rechterhand geconstateerd. Ik, verbalisant [verbalisant 6] , zag dat de huid hier paars verkleurd en gezwollen was.

9. Het proces-verbaal forensisch onderzoek betreffende [verdachte] ( Mijkenbroek 31 Breda) van 10 februari 2020, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , pagina’s 161 en 162 van het aanvullend procesdossier FO. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 8 februari 2020 werd [verdachte] in het cellencomplex onderzocht door forensisch arts, F. van Waterschoot. Wij, verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , zagen dat er een zwelling was rondom de knokkels van de linkerhand, een verkleuring van de knokkels van de rechterhand en drie kleine huidverkleuringen/oppervlakkige huidbeschadigingen op de linkerwreef.

10. De medische verklaring betreffende [slachtoffer] van het [ziekenhuis] van 8 februari 2020, opgestelde door SEH-arts, [arts 1] , p. 393-396 van het aanvullend procesdossier FO. Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

Er is sprake van fors traumatisch letsel bij [slachtoffer] :

1. Pneumothorax links met minimaal spoortje pleuravocht links en thoraxdrain links in situ.
2. Ribfractuur costa 5 en 6 links lateraal met dislocatie.
3. Fractuur os temporalis rechts met sub/epiduraal hematoom rechts temporaal (20 mm) met forse pneumocephalie rechts temporaal.
4. Tevens subduraal hematoom links temporaal en langs tentorium links.
5. Uitgebreide forse aangezichtsfracturen (LeFort gecombineerde type 2 en 3 beiderzijds).

Het letsel aan zijn ogen is niet te beoordelen door de zwelling. Er is gezien LeFort 3, een hersenletsel, noodzaak voor intubatie.

[slachtoffer] zal worden overgeplaatst naar het EMC voor neurochirurgie en kaakchirurgie.

11. De medische verklaring betreffende [slachtoffer] van het [ziekenhuis] van 8 februari 2020, pagina’s 388 t/m 392 van het aanvullend procesdossier FO. Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

Tijdens het consult op de SEH zijn bij [slachtoffer] neurotrauma en aangezichtsfracturen geconstateerd, onder andere een LeFort3 fractuur waarvoor OK is geïndiceerd.

De volgende diagnose is gesteld: open wond onderbeen, traumatische pneumothorax, acuut trauma met ISS.

Door de SBH-arts zijn hechtingen geplaatst.

De patiënt zal worden opgenomen op de IC. Hij is aangemeld voor ORIF middengezichtsfracturen, fractuur op niveau LeFort 2-3 met geringe dislocatie en mobiele maxilla. Op 8 februari 2020 zal de patiënt hieraan worden geopereerd.

Daarna zal de patiënt neurologisch worden gevolgd. Gedurende de eerste dag neurocontroles à 1 uur.

12. De medische verklaring betreffende [slachtoffer] van het [ziekenhuis] van 13 februari 2020, opgesteld door revalidatiearts, [arts 2] , pagina’s 406 en 407 van het aanvullend procesdossier FO. Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

[slachtoffer] is gezien in consult op de afdeling neurologie vanwege traumatisch hersenletsel (o.a. sub/epiduraal hematoom rechts temporaal en subduraal hematoom links temporaal en langs tentorium links). Patiënt is nog verminderd belastbaar en er zijn aanwijzingen voor cognitieve problemen als traagheid/verminderd initiatief tevens balansproblemen. Hij wordt vooralsnog beperkt op gebied van mobiliteit, zelfverzorging en uitvoering dagelijkse activiteiten.
Patiënt wordt aangemeld voor klinische revalidatie met als doelen optimaliseren lopen, opbouwen conditie, in kaart brengen cognitie/psycho-educatie/aanleren compensatiestrategieën en hervatten dagbesteding als huishoudelijke taken, zorg voor kinderen en ter zijner tijd werkhervatting.

13. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 9] , pagina 831. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Uit de verkregen gegevens van de mobiele telefoon van [slachtoffer] met IMEI nummer: [imeinummer] stelde ik, verbalisant [verbalisant 9] , vast dat deze telefoon zich op

7 februari 2020 om 21:23 uur bevond onder het dekkingsgebied van het basisstation aan de Burgemeester Stulemeijerlaan te Bergen op Zoom.

14. Het proces-verbaal van bevindingen van 21 juli 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 10] , pagina 1102. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Uit de gegevens van de onder het slachtoffer [slachtoffer] inbeslaggenomen telefoon

stelde ik, verbalisant [verbalisant 10] , vast dat er op 7 februari 2020 een chatgesprek plaatsvond via Instagram tussen het account [slachtoffer] en het account [naam 1] . In deze chat staat het volgende:

- [naam 1] : “gap maak je nie druk beweeg je kont deze kant”

- [slachtoffer] : “Ik ben er max10”

- [slachtoffer] : “Loop stulemeier

- [slachtoffer] : “Beter doe deur open ben er”.

15. Het proces-verbaal van bevindingen van 21 juli 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 10] , pagina’s 950 en 951. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Uit de gegevens van de inbeslaggenomen telefoon van het merk Huawei type Kirin 710 stelde ik, verbalisant [verbalisant 10] , vast dat er op 7 februari 2020 via Instagram het volgende chatgesprek plaatsvond:

- 7-2-2020/21:19:29 uitgaand : “gap maak je nie druk beweeg je kont deze kant”
- 7-2-2020/21:24:01 inkomend : “Ik ben er max10”
- 7-2-2020/21.26.31 inkomend : “Loop stulemeier”
- 7-2-2020/21.32.41 Inkomend : “Beter doe deur open ben er”.

16. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 10] , pagina’s 528 t/m 530. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

In het kader van het onderzoek kreeg ik een video-opname ter beschikking met een totale duur van 1:06 minuten. Ik zag en hoorde hierop het volgende:
- Ik zie dat op het telefoonscherm een man in beeld komt, die op de grond ligt en een bebloed gezicht heeft;
- Ik zie dat rechts naast deze man een persoon staat van wie alleen een sok met een blauw teenstuk en een deel van een lichtblauwe broek te zien is;

- Ik zie op de vloer enkele strepen bloed liggen;
- Ik zie dat de linkerhand van degene die filmt iets overgeeft aan de persoon met de sokken met de blauwe teenstukken;
- Terwijl de camera op en neer zwenkt, zie ik een kort moment aan de linkerzijde, een persoon van wie alleen een broek met daarop drie witte strepen en witte schoenen zichtbaar zijn;
- Ik zie dat degene die filmt een witte sok draagt, die slechts een kort moment in beeld komt;
- Ik zie dat hierna de man op de grond weer in beeld verschijnt. Hij heeft een bebloed gezicht en bebloede handen;
- Ik zie dat tegen de rechterhals van de man op de grond een voorwerp wordt gedrukt;

Bij de stemmen die te horen zijn onderscheid ik een man met een wat hogere stem (HS) die goed te verstaan is en een man met een lage stem (LS) die minder goed verstaanbaar is. Dit heeft vermoedelijk te maken met het feit dat de man met de wat hogere stem de ontvanger is van de video-opname op zijn telefoon. Ik hoor dat de mannen het volgende zeggen:
Gebelde HS: “Zeg die man moet betalen.” … “Zeg nou die man moet betalen.” “Hij hoeft niet dood, hij moet betalen maat. Ik zeg jou toch.” … “Bro, hij hoeft niet dood maat.”
Beller LS: “Ja, ja, dat doe ik niet. Hij leeft, hij leeft.”
Gebelde HS: “Laat zijn gezicht eens zien. Wat heb je gedaan? Je hebt hem goed behandeld, hè maat.” “Zeg ‘m, laat maar, laat maar, laat maar zien wat je hebt aangericht.”

17. Het proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 12] , pagina 150. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Ik ben als hulpofficier van justitie aanwezig geweest bij de doorzoeking van de woning aan het [adres 2] te Bergen op Zoom, te weten de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ik heb de in het onderzoek ter beschikking gestelde video-opname bekeken en ik herken de locatie van waar de video-opname is gemaakt als voornoemde woning. Ik zag dit aan de houtkleurige laminaatvloer, het gordijn voor het deurgat, de looproute en de indeling van het huis, de witte keukenkastjes en de Ajax vlag/sjaal aan de muur. Daarnaast herken ik de gewonde man in de video-opname als [slachtoffer] .

18. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 3 april 2020, pagina’s 565 t/m 568. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op de video-opname, die [naam 3] heeft doorgestuurd, herken ik de stemmen van [medeverdachte 1] en [naam 3] .

19. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 3] van 7 april 2020, pagina’s 1417 t/m 1425. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Naar aanleiding van de video-opname kan ik verklaren dat ik werd gevideobeld door [medeverdachte 1] . Toen ik opnam zag ik dat er een jongen werd mishandeld. Hij werd in elkaar geslagen. Degene die op de video-opname spreek over betalen, dat ben ik. De andere persoon is [medeverdachte 1] . Toen hij de camera naar zich toedraaide, zag ik zijn gezicht. Ook zag ik de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in beeld.

20. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 maart 2020, opgesteld door verbalisant [verbalisant 11] , pagina’s 414 t/m 425. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 18 februari 2020 hoorde ik, verbalisant [verbalisant 11] , [slachtoffer] in het [ziekenhuis] in Bergen op Zoom. Hij verklaarde het volgende:

Ik weet nog dat ik naar Bergen op Zoom langs een vriend ging. Die vriend is [medeverdachte 1] . Wij noemen elkaar ook wel broer. Ik weet nog dat ik daar ben aangekomen. Ik ben op de bank gaan zitten en ik kreeg van [medeverdachte 1] bier. Voor de rest weet ik dat ik wakker werd in het ziekenhuis. Het zal denk ik bij [medeverdachte 1] binnen gebeurd moeten zijn, dat ik gewond ben geraakt, want daar ben ik die avond geweest.

21. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 14 februari 2020, pagina’s 1246 t/m 1252. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:

Op 7 februari 2020 was ik samen met mijn vriendin [medeverdachte 2] in mijn woning aan het [adres 2] te Bergen op Zoom. [verdachte] was er ook. Later kwam [slachtoffer] langs. Ik heb hem samen met [verdachte] naar beneden gedragen. [slachtoffer] zat toen onder het bloed.

22. De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 4 december 2020. Deze verklaring houdt, zakelijk weergegeven, in:

Ik zat bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] thuis een biertje te drinken. Op enig moment kwam er iemand aan de deur. [medeverdachte 1] en ik hebben de man naar beneden gedragen. Het is mogelijk dat dit niet zorgvuldig is gebeurd. Ik droeg die avond sokken met blauwe teenstukken.