Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6382

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5862
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 16 AWR. Immateriële schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bevoegd is tot het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 2012 ter zake van het voordeel uit fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang bij overlijden van erflater. Er is een nieuw feit omdat de vervreemdingswinst niet in de aangifte was opgegeven. Van een ambtelijk verzuim is geen sprake. De inhoud van de aangifte 2012 gaf op zichzelf gezien geen aanleiding om in redelijkheid te twijfelen aan de juistheid van enig gegeven, reeds omdat er geen melding is gemaakt van een aanmerkelijk belang. Dit wordt niet anders indien aangenomen moet worden dat onderdeel van het ‘met normale zorgvuldigheid kennis nemen’ ook is om het (digitale) dossier te raadplegen dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV. Ook in de aangiften IB/PVV voor de drie jaren voorafgaande aan 2012 is namelijk geen melding gemaakt van een aanmerkelijk belang. Er wordt éénmaal immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. Voor de door belanghebbenden bepleite schadevergoeding voor ieder van hen afzonderlijk is geen aanleiding, aangezien het hier gaat om een navorderingsaanslag voor een belastingschuld van erflater, en de drie erven niet drie partijen zijn die gezamenlijk procederen maar gezamenlijk in hun hoedanigheid als rechtsopvolger van erflater één partij zijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 04-01-2021
V-N Vandaag 2021/41
FutD 2021-0098
FutD 2021-0097
NTFR 2021/515 met annotatie van mr. M. Jansen
V-N 2021/9.22.8
NLF 2021/0134 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 18/5862

uitspraak van 17 december 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbenden] ,

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister voor Rechtsbescherming,

de Minister.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 juli 2018 op het bezwaar van belanghebbenden tegen de aan belanghebbenden over het jaar 2012 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.839 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 681.817, en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente (hierna: de navorderingsaanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020 te Breda. Voor een overzicht van de personen die op de zitting zijn verschenen en een verslag van wat op de zitting is besproken, verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting dat gelijktijdig met deze uitspraak naar partijen wordt verzonden.

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 400;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 1.100;

  • -

    veroordeelt de inspecteur en de Minister ieder voor € 328,50 in de proceskosten van belanghebbenden;

  • -

    draagt de inspecteur en de Minister, ieder voor de helft, op het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 46 aan deze te vergoeden.

2 Gronden

Vooraf: ontvankelijkheid bezwaar

2.1.

De inspecteur heeft terecht het bezwaar ontvankelijk geacht. Het bezwaarschrift is weliswaar ontvangen door de inspecteur nadat zes weken zijn verstreken gerekend vanaf de dagtekening van de navorderingsaanslag, maar dat is niettemin binnen de bezwaartermijn wegens toepassing van de Algemene termijnenwet.

Uitgangspunten

2.2.

De heer [A] (hierna: erflater) is overleden op [datum] 2012. Op het moment van overlijden bezat erflater alle aandelen in [A BV] . Als gevolg van het overlijden is er sprake van een zogenoemde fictieve vervreemding van dit aanmerkelijk belang. Bij deze fictieve vervreemding is een vervreemdingswinst gerealiseerd die tot belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang leidt (hierna: een belastbare vervreemdingswinst).

2.3.

In de aangifte IB/PVV voor erflater voor het jaar 2012 (hierna: de aangifte 2012) is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.839 aangegeven en geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Er is in de aangifte 2012 – evenals in de aangiften voor de drie voorafgaande jaren – geen melding gemaakt van een aanmerkelijk belang. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 is opgelegd conform de aangifte 2012.

2.4.

Bij brief van 12 december 2016 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbenden over het niet-vermelden van een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in de aangifte 2012. Dit onderzoek heeft geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslag. De navorderingsaanslag is bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

Geschil

2.5.

In beroep is alleen nog in geschil of de inspecteur bevoegd is tot navordering. Indien dat het geval is, is niet in geschil dat de navorderingsaanslag niet te hoog is.

Overwegingen

2.6.

De inspecteur is bevoegd om een navorderingsaanslag op te leggen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dat is anders in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.1

2.7.

De inspecteur beroept zich erop dat sprake is van een zogenoemd nieuw feit, en anders dat sprake is van kwade trouw. Belanghebbenden betwisten dat sprake is van een nieuw feit en dat zij te kwader trouw waren.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de inspecteur bij de aanslagregeling niet ermee bekend was dat het overlijden van erflater heeft geleid tot een belastbare vervreemdingswinst. Deze winst was immers niet aangegeven in de aangifte. Aannemelijk is dat de inspecteur pas op de hoogte kwam van de vervreemdingswinst door het in 2.4 vermelde onderzoek. Het betoog van belanghebbenden dat de inspecteur ermee bekend was dat erflater een aanmerkelijk belang had en dat geen verzoek om doorschuiving was gedaan, kan aan het voorgaande niet afdoen. De gestelde bekendheid met die feiten neemt de onbekendheid met de vervreemdingswinst niet weg.

2.9.

De rechtbank is verder van oordeel dat geen sprake is van een zogenoemd ambtelijk verzuim, en overweegt daartoe als volgt.

2.9.1.

De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is de inspecteur tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegevens in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.2

2.9.2.

Anders dan belanghebbenden betogen brengen de omstandigheden dat (i) in de aangifte 2012 een eigenwoningforfait over een periode tot en met 31 december 2012 (dus ná overlijdensdatum) is vermeld en dat (ii) geen eigenwoningschuld was vermeld terwijl in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 nog wel een eigenwoningschuld was vermeld voor eind 2011, niet mee dat de inspecteur tot nader onderzoek gehouden was. Daarbij is in aanmerking genomen dat in de aangifte 2012 per saldo een inkomen uit de eigen woning van nihil is aangegeven. De geenszins onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat dit juist is.

2.9.3.

De inhoud van de aangifte 2012 gaf ook overigens op zichzelf gezien geen aanleiding om in redelijkheid te twijfelen aan de juistheid van enig gegeven. In het bijzonder gaf de aangifte 2012 op zichzelf gezien geen aanleiding om te twijfelen op het punt dat er geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is vermeld. Voor twijfel was reeds geen aanleiding omdat er geen melding is gemaakt van een aanmerkelijk belang.

2.9.4.

Het voorgaande wordt niet anders, indien aangenomen moet worden dat onderdeel van het ‘met normale zorgvuldigheid kennis nemen’ van de inhoud van een aangifte IB/PVV als bedoeld in 2.9.1 ook is om het (digitale) dossier te raadplegen dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige (hierna: IB-dossier).3 Ook in de aangiften IB/PVV voor de drie jaren voorafgaande aan 2012 is namelijk geen melding gemaakt van een aanmerkelijk belang. Gelet daarop bestond de geenszins onwaarschijnlijke mogelijkheid dat er geen aanmerkelijk belang (meer) was ten tijde van het overlijden en dus ook geen vervreemdingswinst.

2.9.5.

Voor de meergenoemde twijfel zou bovendien evenmin aanleiding zijn, als wel ervan wordt uitgegaan dat de inspecteur bij de aanslagregeling bekend was dan wel – door het IB-dossier – bekend had moeten zijn met het feit dat erflater ten tijde van het overlijden een aanmerkelijk belang had. Ook in dat geval zou namelijk de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaan dat er geen sprake was van inkomen uit aanmerkelijk belang, omdat niet uitgesloten kan worden dat de waarde in het economische verkeer niet hoger was dan de verkrijgingsprijs.4 De stelling van belanghebbenden dat een resultaat van precies nihil theoretisch en daarmee onwaarschijnlijk is, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Zo is denkbaar – en niet louter denkbeeldig – dat winstreserves al eerder zijn uitgekeerd. Verder moet in aanmerking worden genomen dat waardering geen exacte wetenschap is, zodat er een zekere bandbreedte is voor de bepaling van de waarde in het economisch verkeer en daarmee ook van het resultaat.

2.9.6.

Voor zover belanghebbenden zich voor hun standpunt dat sprake is van een ambtelijk verzuim, beroepen op informatie in de aangifte erfbelasting, kan dat belanghebbenden niet helpen. Voor de inspecteur bestaat namelijk als uitgangspunt niet de verplichting tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de aanslag IB/PVV van belang zijn. Dat kan anders zijn indien de gegevens in de aangifte IB/PVV althans het IB-dossier daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.5 Maar uit het hiervoor overwogene volgt dat dit laatste zich in dit geval niet voordoet.

Conclusie

2.10.

De inspecteur is dus bevoegd tot het opleggen van de navorderingsaanslag. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Immateriëleschadevergoeding

2.11.

De door belanghebbenden gevraagde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen voor € 1.500. Dit bedrag komt voor 4/15 deel (dus: € 400) voor rekening van de inspecteur, en voor het overige (dus: € 1.100) voor rekening van de Minister, die daarom in zoverre mede is aangemerkt als partij in dit geding. Een en ander is gebaseerd op de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad,6 een redelijke termijn van twee jaar in dit geval, de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (16 oktober 2017), de datum van de uitspraak op bezwaar (23 juli 2018), en de datum van deze uitspraak.

Voor de door belanghebbenden bepleite schadevergoeding voor ieder van hen afzonderlijk is geen aanleiding. Het gaat hier om een navorderingsaanslag voor een belastingschuld van erflater, en de drie erven zijn niet drie partijen die gezamenlijk procederen maar zijn gezamenlijk in hun hoedanigheid als rechtsopvolger van erflater één partij. Er zijn onvoldoende aanwijzingen in de jurisprudentie dat in zo’n geval ieder van de erven afzonderlijk recht zouden hebben op een schadevergoeding; eerder het tegendeel.7 Het door belanghebbenden aangevoerde arrest ECLI:NL:HR:2015:147 betreft een ander geval.

Overigens ook indien wel sprake zou zijn van een afzonderlijk recht op schadevergoeding, dan nog zou dat niet meebrengen dat in totaal recht bestaat op een hogere schadevergoeding dan € 1.500. De omstandigheid dat gezamenlijk wordt geprocedeerd, zou namelijk reden vormen om de schadevergoeding te matigen tot dat bedrag.8 Wel zou dan aan ieder van hen afzonderlijk € 500 worden toegekend.

Proceskostenvergoeding

2.12.

De rechtbank vindt in de omstandigheid dat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt gehonoreerd, aanleiding de inspecteur en de Minister ieder voor de helft te veroordelen in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 657.9

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2020 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr.drs. M.H. van Schaik en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Zie voor dit een en ander artikel 16 van de AWR.

2 Zie voor dit een en ander bijv. HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1410.

3 Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.

4 Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:961.

5 Vgl. HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249.

6 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

7 HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2981.

8 Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.10.3.

9 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5.