Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6350

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5023
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5023 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres

gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 6 mei 2019 (primaire besluit) heeft Orionis het recht van eiseres op een bijstandsuitkering herzien over de periode 1 april 2017 tot en met 30 april 2019. De norm van de uitkering van eiseres is tevens herzien naar de kostendelersnorm van twee personen. De teveel verstrekte bijstand is teruggevorderd.

In het besluit van 26 augustus 2019 (bestreden besluit I) heeft Orionis het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Orionis stelt dat in de herziening en terugvordering niet goed zijn berekend. Eiseres heeft volgens Orionis de inlichtingenplicht geschonden door het niet melden van de wijziging in de gezinssituatie. De terugvordering wordt vastgesteld op € 10.686,99.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Op 24 juni 2020 heeft Orionis ten aanzien van de brutering, de beslagvrije voet en de verrekening een nieuw besluit (bestreden besluit II) genomen.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 5 november 2020.

Hierbij waren aanwezig eiseres, haar gemachtigde en [naam vertegenwoordiger verweerder] namens Orionis.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer BRE 19/6481 PW.

Overwegingen

1. Eiseres ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, niet kostendeler.

Bij eiseres waren woonachtig haar kinderen [naam zoon eiseres] en [naam dochter eiseres] . [naam dochter eiseres] is per 5 april 2019 uitgeschreven op het adres van eiseres.

Bij het primaire besluit heeft Orionis gesteld dat eiseres in de periode 1 april 2017 tot en met 31 juli 2017 de woonlasten kon delen met [naam dochter eiseres] en over de periode 1 augustus 2017 tot en met 4 april 2019 met [naam dochter eiseres] en [naam zoon eiseres] . De bijstandsuitkering wordt herzien en teruggevorderd. Orionis stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 12.999,19, waarvan € 11.687,80 bruto over 2017 en 2018 en € 1.311,39 netto over 2019. Per 1 mei 2019 is de bijstandsuitkering van eiseres vastgesteld op € 732,54 per maand.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft Orionis de bezwaren van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Orionis stelt dat is gebleken dat eiseres over de periode 1 augustus 2017 tot 1 september 2018 de kosten kon delen met [naam zoon eiseres] , over de periode 1 september 2018 tot 5 april 2019 met [naam zoon eiseres] en [naam dochter eiseres] en vanaf 5 april 2019 met [naam zoon eiseres] . Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 10.686,99. Voor het overige worden de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. De rechtbank overweegt allereerst dat op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

De rechtbank stelt vast dat Orionis met bestreden besluit II, blijkens de tekst ervan, het bestreden besluit I heeft vervangen waar het betreft de verrekening en beslagvrije voet en alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist waar het betreft de brutering van de terugvordering. Op grond van artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep, voor zover het betreft de brutering van de terugvordering, geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

3. Eiseres voert aan dat de schending van de inlichtingenplicht voortkomt uit onwetendheid. Eiser voert aan dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Er is sprake van een uitzichtloze financiële situatie. De verrekening is in strijd met de beslagvrije voet. Orionis is ten onrechte afgeweken van het advies van de commissie. De door Orionis aangehaalde uitspraak is niet vergelijkbaar, omdat de leefvorm niet te vergelijken is. Het inkomen van eiseres ligt ver beneden de beslagvrije voet. Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet Vereenvoudiging beslagvrije voet blijkt dat in de huidige kostendelerssituatie geen beslagruimte aanwezig is. Ten onrechte is het verzoek om brutering van de vordering afgewezen.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat Orionis bij het besluit van 24 juni 2020 (bestreden besluit II) aan eiseres tegemoet is gekomen ten aanzien van de beslagvrije voet en de verrekening van de terugvordering. De beroepsgronden hieromtrent behoeven dan ook geen bespreking meer.

Ter zitting is namens eiseres gesteld dat niet in geschil is dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Ook tegen de toepassing van de kostendelersnorm zijn geen beroepsgronden gericht.

Tussen partijen is enkel nog in geschil of Orionis terecht tot terugvordering en tot brutering van de terugvordering is overgegaan. Dat heeft eiseres ter zitting desgevraagd bevestigd.

5. Nu onbetwist sprake is van schending van de inlichtingenplicht was Orionis op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden over te gaan tot herziening van de bijstandsuitkering.

Het college is, op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen indien de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van schending van de inlichtingenplicht.

Eiseres voert aan sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Eiseres stelt door de beschikking in een uitzichtloze financiële situatie te worden gebracht omdat zij het terugvorderingsbedrag niet kan terugbetalen. Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Het is aan eiseres om het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk te maken. Eiseres is daarin niet geslaagd.

6. De terugvordering over de jaren 2017, 2018 en 2019 is door Orionis inmiddels gebruteerd. Orionis stelt altijd gebruik te maken van de bevoegdheid tot brutering bij schending van de inlichtingenplicht. Eiseres stelt dat de vordering buiten haar toedoen is ontstaan en dat haar niet verweten kan worden dat zij de vordering niet reeds heeft voldaan.

De rechtbank overweegt dat brutering van een vordering een discretionaire bevoegdheid betreft. Volgens vaste rechtspraak (zie onder andere ECLI:NL:CRVB:2015:4757) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

Het gaat dan om situaties waarin de terugvordering het gevolg is van een intrekkings- of herzieningsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, tweede volzin, van de Participatiewet of de terugvordering wordt gebaseerd op artikel 58, tweede lid, onderdeel f, onder 1, van de Participatiewet.

Anders dan eiseres stelt is in dit geval de vordering niet buiten haar toedoen ontstaan. Er is sprake van schending van de inlichtingenplicht, artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet. Dit betekent dat eiseres inlichtingen aan Orionis had moeten verstrekken. Dat eiseres niet zou hebben geweten dat haar inwonende zoon [naam zoon eiseres] met zijn studie was gestopt, kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af doen.

Orionis heeft in het onderhavige geval geen reden hoeven zien om van brutering van de terugvordering af te zien.

Het beroep van eiseres tegen het besluit tot handhaving van de terugvordering en brutering wordt dan ook ongegrond verklaard.

7. In de omstandigheid dat Orionis pas hangende beroep bij het bestreden besluit II is tegemoetgekomen aan eiseres voor wat betreft de verrekening en beslagvrije voet en eerst bij dit besluit de brutering van de terugvordering nader heeft gemotiveerd, ziet de rechtbank aanleiding om Orionis te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Dit met toepassing van het bepaalde in 6:22 van de Awb. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Orionis wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om ook 1 punt toe te kennen voor het verschijnen ter zitting, omdat bestreden besluit II reeds ruim voor de zitting was genomen.

8. De rechtbank bepaalt dat Orionis aan eiseres het door haar betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I zoals dat is gewijzigd bij bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt Orionis op het betaalde griffierecht van € 47,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt Orionis in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier op 16 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.