Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6334

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
02-194632-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. Verdachte heeft aanmerkelijk onoplettend gehandeld door langere tijd niet op de weg te letten. Geen sprake van momentane onoplettendheid. Overschrijding van de redelijke termijn. Taakstraf van 220 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/194632-18

vonnis van de meervoudige kamer van 17 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 1 oktober 2019 en 3 december 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Op 11 oktober 2020 is in deze zaak bij tussenvonnis het onderzoek heropend en geschorst. De rechtbank heeft in het tussenvonnis bepaald dat het noodzakelijk is dat een zichtbaarheidsonderzoek wordt uitgevoerd door het NFI. Ook heeft de rechtbank bepaald dat, indien het NFI dit voor een gedegen onderzoek noodzakelijk acht, in dat geval de heer [getuige] als getuige nader dient te worden gehoord door de politie.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 21 april 2018 te Tilburg rijdend in een motorrijtuig een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, nu uit het zichtonderzoek van het NFI is gebleken dat de voetgangers al gedurende langere tijd zichtbaar hadden moeten zijn voor verdachte. De officier van justitie is van mening dat verdachte aanmerkelijk onoplettend heeft gehandeld door langere tijd niet op de weg te letten. Van een momentane onoplettendheid is geen sprake geweest.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt vast dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien waar dat wel had gemoeten en aldus een verkeersfout heeft begaan. Desondanks verzoekt de verdediging om verdachte integraal vrij te spreken. Er was enkel een momentane onoplettendheid bij verdachte en dat is – gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – onvoldoende om tot een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 te komen. Ook kan deze onoplettendheid niet worden gekwalificeerd als gevaarscheppend gedrag in de zin van artikel 5 WVW 1994.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 21 april 2018, omstreeks 21:15 uur, met zijn Mercedes-Benz bestelauto met kenteken [kenteken] over de Lovense Kanaaldijk te Tilburg in noordelijke richting reed. Het latere slachtoffer, [slachtoffer] , liep links naast haar partner en hond aan de rechterzijde van de Lovense Kanaaldijk. Verdachte naderde de voetgangers van achteren. Verdachte heeft vervolgens met de rechtervoorzijde van zijn voertuig de achterzijde van het slachtoffer geraakt. Het slachtoffer werd na het raken van de A-stijl weggeworpen. Hierna belandde het slachtoffer in de berm van de weg. Het slachtoffer liep ten gevolge van de aanrijding dusdanig zwaar lichamelijk (hoofd)letsel op dat zij op 22 april 2018 in het ziekenhuis is overleden.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Om tot het oordeel te komen dat daarvan sprake is, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en ook naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Ten tijde van het ongeval was het droog en was sprake van schemering. Het wegdek van de Lovense Kanaaldijk had een recht wegverloop en bestond uit één rijbaan, voor het verkeer in beide richtingen, zonder belijning, met aan de westelijke zijde een smalle grasberm met daarnaast een kanaal en aan de oostelijke zijde een brede grasberm met daarnaast een hekwerk naar een bedrijventerrein. De Lovense kanaaldijk was op de plaats van het ongeval vrij van obstakels en overzichtelijk.

De maximaal toegestane snelheid op de plaats van het ongeval bedroeg 50 kilometer per uur. Hoe hard verdachte heeft gereden, is niet vastgesteld in het onderzoek. Zelf heeft hij hierover verklaard dat hij 50 kilometer per uur reed. De rechtbank is van oordeel dat zij op basis van het dossier geen aanleiding heeft om aan zijn verklaring te twijfelen.

Op basis van het onderzoek kan evenmin worden vastgesteld dat de telefoon verdachte kort voor dan wel op het tijdstip van het ongeval bij verdachte in gebruik is geweest. Verder zijn in het omgevingsonderzoek en aan het voertuigonderzoek geen gebreken en/of omstandigheden geconstateerd die de aanrijding veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Verdachte heeft verklaard dat hij de voetgangers door een moment van onoplettendheid niet had gezien en pas na het moment van de aanrijding zag dat hij een persoon had aangereden.

Uit het zichtonderzoek dat is verricht door het NFI en is uitgevoerd onder vermoedelijk minder gunstige omstandigheden dan bij het ongeval blijkt echter dat de bij het onderzoek gebruikte paspop, die bij het onderzoek dezelfde kleren droeg als het slachtoffer, op voldoende grote afstand zichtbaar was. Daaruit maakt de rechtbank op dat het slachtoffer ook voor verdachte op voldoende grote afstand zichtbaar had moeten zijn, te meer omdat sprake was van twee bewegende personen en een hond die naast elkaar liepen. Uit het onderzoek volgt in het geval dat verdachte 50 kilometer per uur reed, onder de donkerste omstandigheid, dat wil zeggen laat in de avondschemering en zonder voertuigverlichting te voeren, dat de voetgangers op een afstand van 66 meter voor verdachte zichtbaar waren.

De rechtbank leidt hieruit af dat de voetgangers - in de omstandigheden van het ongeval - ten minste ongeveer 5 seconden voor verdachte zichtbaar moeten zijn geweest.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat hiermee sprake is van een langer durende onoplettendheid. De rechtbank verwerpt het verweer dat slechts sprake was van louter momentane onoplettendheid.

Verdachte heeft het slachtoffer niet gezien, terwijl hij haar naar het oordeel van de rechtbank wel had moeten zien. Van omstandigheden waardoor verdachte de voetgangers niet zou kunnen opmerken, is niet gebleken. Het was droog en helder weer en verdachte reed op een rechte overzichtelijke industrieweg. Verdachte is, door welke reden dan ook, onoplettend geweest, waardoor hij het slachtoffer niet heeft waargenomen en met haar in aanrijding is gekomen. Verdachte had bovendien nog ruim op tijd kunnen reageren en had bij normale oplettendheid, die van de gemiddelde bestuurder mag worden verwacht, op tijd kunnen remmen dan wel kunnen uitwijken.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat deze onoplettendheid aan verdachte is te wijten. De rechtbank kwalificeert het verkeersgedrag van verdachte als ‘aanmerkelijk onoplettend’, zodat sprake is van aanmerkelijke schuld als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair
op 21 april 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Lovense Kanaaldijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend,

immers had verdachte de voetgangster, welke zich gezien zijn, verdachtes, rijrichting, voor hem aan de rechterzijde op die weg liep moeten opmerken - nu zijn zicht op die voetgangster niet door een andere weggebruiker noch enige andere omstandigheid werd ontnomen - en vervolgens zijn vervolg op die weg daarop moeten aanpassen, zonder er zich derhalve constant voldoende van te vergewissen dat de weg voor hem, verdachte, vrij was,

te blijven rijden en in aanrijding te komen met een rechts voor hem op die weg bevindende voetgangster, waardoor die voetgangster (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

Op de zitting van 1 oktober 2019 heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 2 jaar. In zijn strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Op de zitting van 3 december 2020 heeft de officier van justitie zijn strafeis gewijzigd en heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, in die zin dat hij vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 220 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring verzoekt de verdediging in lijn met de officier van justitie een voorwaardelijke rijontzegging aan verdachte op te leggen, nu verdachte zijn rijbewijs voor zijn bedrijfsvoering nodig heeft. De redelijke termijn is overschreden en dit maakt dat de gevorderde straffen moeten worden gematigd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 21 april 2018 aanmerkelijk onoplettend gereden, ten gevolge waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft het slachtoffer dat met haar partner en hond aan de rechterzijde van de weg liep in het geheel niet opgemerkt en haar aangereden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, terwijl hij haar wel had kunnen en moeten zien. Als gevolg daarvan is het slachtoffer een dag na de aanrijding overleden.

Het intense leed dat door het ongeval is aangericht aan alle betrokkenen aan de kant van het slachtoffer is onherstelbaar. Hun ontzetting en verdriet is uit de verklaringen die namens hen op de zitting zijn voorgelezen, duidelijk naar voren gekomen. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze verdrietige, ingrijpende en onomkeerbare gevolgen. Echter, geen enkele straf kan deze gevolgen wegnemen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij het slachtoffer is overleden, geldt als uitgangspunt een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat en de hoogte daarvan rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn rijbewijs voor zijn bedrijfsvoering nodig heeft. Voorts laat de rechtbank meewegen dat ook verdachte nog altijd gebukt gaat onder de gevolgen van de aanrijding die hij heeft veroorzaakt en het leed dat daardoor is veroorzaakt.

De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de maximale taakstraf voor de duur van 240 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 2 jaar voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

De rechtbank ziet echter net als de officier van justitie aanleiding om van het uitgangspunt af te wijken vanwege het tijdsverloop tussen de dag van het ongeval en het wijzen van dit vonnis.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafeis van de officier van justitie voldoende is verdisconteerd. De rechtbank zal daarom conform de eis van de officier van justitie aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 220 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank merkt daarbij op dat de uitvoering van de taakstraf zich aan het zicht van de rechtbank onttrekt en dat zij geen aanleiding ziet om de reclassering de opdracht te geven om verdachte de taakstraf te laten uitvoeren in een revalidatiekliniek of een zorginstelling.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 220 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 110 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Collombon en mr. Boelens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 december 2020.

Mr. Boelens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

Primair
hij op of omstreeks 21 april 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Lovense Kanaaldijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, immers had verdachte de voetgangster, welke zich gezien zijn, verdachtes, rijrichting, voor hem aan de rechterzijde op die weg liep/bevond moeten opmerken -nu zijn zicht op die voetgangster niet door een andere weggebruiker noch enige andere omstandigheid werd ontnomen- en vervolgens zijn vervolg op die weg daarop moeten aanpassen, zonder er zich derhalve (constant)(voldoende) van te vergewissen dat de weg voor hem, verdachte, vrij was, te blijven rijden en in botsing/aanrijding te komen met een rechts voor hem op die weg bevindende voetgangster, waardoor die voetgangster (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;


Subsidiair
hij op of omstreeks 21 april 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Lovense Kanaaldijk, zonder er zich (constant)(voldoende) van te vergewissen dat de weg voor hem, verdachte, vrij was, immers had verdachte de voetgangster, welke zich gezien zijn, verdachtes, rijrichting, voor hem aan de rechterzijde op die weg liep/bevond niet opgemerkt terwijl zijn zicht op die voetgangster niet door een andere weggebruiker noch enige andere omstandigheid werd ontnomen- en is hij zijn weg rechtdoor blijven vervolgen en in botsing/aanrijding gekomen met de rechts voor hem op die weg bevindende voetgangster, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018090730 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 155.

Het ambtsedig proces-verbaal aanrijding misdrijf, opgenomen op pagina’s 6 tot en met 8 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

[verdachte] reed met de [kenteken] over de Lovense Kanaaldijk te Tilburg, komende uit de

richting van de Boscheweg en gaande in de richting van de Kapitein Nemostraat. Ter hoogte

van [adres 2] liep [slachtoffer] , samen met haar man en een hond in de rechterberm, gezien

vanuit de [kenteken] . Zij kwamen en gingen in dezelfde richting als de [kenteken] . De man liep in het gras, hand in hand met [slachtoffer] , welke over de weg liep. Door onbekende oorzaak heeft [verdachte] , [slachtoffer] van achter aan gereden. Door deze aanrijding raakte [slachtoffer] zwaar gewond en is op 22-04-2018 te 07:55 uur in het [naam ziekenhuis] te Tilburg aan haar verwoningen overleden.

Betrokken 1 (voertuig)

Voertuig Bestelauto [kenteken] Mercedes-Benz Vito

Eigenaar/houder: [verdachte]

Betrokken 2 (persoon)

Achternaam: [slachtoffer]

Voornaam: [slachtoffer]

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 48 van voornoemd eindproces-verbaal, – zakelijk weergegeven – :

Op 22 april 2018 om 11:45 uur werd door GGD-schouwarts Frank Horsting in het [naam ziekenhuis] te Tilburg de schouw aan het lichaam van [slachtoffer] verricht.

Het ambtsedig proces-verbaal sporenonderzoek, opgenomen op pagina’s 13 tot en met 16 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Onderzoek plaats delict

Op zaterdag 21 april 2018, omstreeks 21:45 uur kreeg ik, verbalisant [verbalisant] , van de Forensisch Coördinator van het team Forensische Opsporing, het verzoek een onderzoek in te stellen naar een verkeersongeval met letsel, dat had plaatsgevonden op de Lovense Kanaaldijk te Tilburg, gemeente Tilburg.

Plaats Ongeval

Ik, verbalisant [verbalisant] , stelde vast dat:

- de Lovense Kanaaldijk kort voor de plaats ongeval een recht wegverloop had,

- de Lovense Kanaaldijk ter plaatse bestond uit 1 rijbaan, voor het verkeer in beide richtingen, zonder belijning, met aan de westelijke zijde een smalle grasberm met

daarnaast een kanaal en aan de oostelijke zijde een brede grasberm met daarnaast een

hekwerk naar bedrijventerrein,

- het wegdek van de Lovense Kanaaldijk bestraat was met klinkers, welke droog waren;

- op de plaats van het verkeersongeval straatverlichting aanwezig was, welke bij mijn onderzoek in werking was. Door mij kon niet worden vastgesteld of dat de straatverlichting ten tijde van het ongeval al in werking was;

- de maximum toegestane snelheid op de plaats van het verkeersongeval, 50 kilometer

per uur bedroeg voor de betrokken bedrijfsauto;

Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat de Lovense Kanaaldijk ter plaatse van het ongeval vrij van obstakels en overzichtelijk was.

Ik, verbalisant [verbalisant] , stelde vast dat het tijdens het onderzoek ter plaatse droog weer was en heb geen reden om aan te nemen dat dit ten tijde van het ongeval anders is geweest.

Uit onderzoek, via www.suncalc.org bleek mij dat het op de Lovense Kanaaldijk te

Tilburg, op zaterdag 21-04-2018 de Sunset (schemer) om 20:46:40 uur was begonnen en

de Dusk (zonsondergang) exact om 21:22:49 uur was, zie afbeelding Sunset in fotomap.

Hieruit bleek mij dat het op het moment van de aanrijding schemer en nog geen nacht was,

als bedoeld in art. 1 van het RW 1990.

Tijdens het omgevingsonderzoek werden door mij ten aanzien van de weg, het wegdek, de

ter plaatse geldende verkeersmaatregelen en de wegbeheerder, geen omstandigheden

geconstateerd die de aanrijding veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Toedracht Oorzaak en Gevolg

Uit de door mij aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van het slachtoffer

en de Mercedes met schade kan de volgende vermoedelijke toedracht, oorzaak en gevolg

worden geconcludeerd:

De bestuurder van de Mercedes heeft gereden over de Lovense Kanaaldijk in noordelijke

richting. Het slachtoffer liep daar volgens verklaring, links naast haar partner (met hond?), op de rechter zijde van de weg, eveneens in noordelijke richting. Uit de ingeschatte botspositie (nummerschild 2 en geel kruis) bleek waar het slachtoffer zich ongeveer moet hebben bevonden toen ze werd aangereden door de bedrijfsauto. De bestuurder van de Mercedes heeft door onverklaarbare reden de voetganger niet gezien en reed deze met de rechtervoorzijde tegen haar achterzijde aan. Hierbij raakte o.a. de koplamp van de Mercedes beschadigd en werd het slachtoffer, vermoedelijk na het eveneens raken van de A-stijl, door de voortgaande beweging van de Mercedes weggeworpen naar haar eindpositie. De voetgangster heeft hierbij dermate lichamelijk letsel opgelopen dat zij de volgende dag in het ziekenhuis is overleden. De betrokken Mercedes raakte hierbij aan de rechter voorzijde beschadigd. Door afwezigheid van rem/blokkeersporen en de onzekerheid of de eindpositie van de Mercedes de daadwerkelijke is/was is het nagenoeg niet mogelijk een gereden snelheid van de Mercedes in te schatten.

Het ambtsedig proces-verbaal Forensisch Voertuigonderzoek, opgenomen op pagina 31 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

2.2.6

Conclusie voertuigonderzoek

Tijdens het voertuigonderzoek werden door ons, voor zover mogelijk, waarneembaar en gerelateerd aan dit ongeval, geen gebreken c.q. omstandigheden geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

Een geschrift, te weten het rapport van het NFI zichtonderzoek naar aanleiding van een verkeersongeval in Tilburg op 21 april 2018, opgesteld door ir. A.C.E. Spek in opdracht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 20 juli 2020, inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Interpretatie van resultaten

Bij de schouw op 29 juni 2020 merkte ik dat ik in de late avondschemering, vergelijkbaar met het tijdstip waarop indertijd het ongeval was gemeld, voorwerpen en personen op vrij grote afstand redelijk goed kon zien. Daardoor, en doordat ik wist dat het slachtoffer een vrij lichtgekleurde rok en lichtgekleurde schoenen droeg, ontstond bij mij toen al de (subjectieve) overtuiging dat de lichttoestand (late schemering) voor mij niet belemmerend zou zijn geweest voor het waarnemen van het slachtoffer op een voldoende grote afstand om het slachtoffer nog te kunnen ontwijken. Bij de rijproeven van 12 juli 2020 heb ik die subjectieve overtuiging getoetst en door mijn waarnemingen bevestigd.

Bij het onderzoek van 12 juli 2020 kwam naar voren dat mijn collega Hagendoorn en ik (ondergetekende) onder de donkerste omstandigheid, dat wil zeggen relatief laat in de avondschemering en zonder verlichting te voeren, ruim voor de ongevalsplaats de aangeklede paspop konden zien. Uit de video-opnamen kan worden afgeleid dat ing. K.M. Hagedoorn onder die omstandigheden de aangeklede pop herkent en op de weg ziet staan terwijl er nog een afstand van ongeveer 66 meter tot die paspop is af te leggen. Dat is als "ruim voldoende" om uit te wijken of door remmen voor de paspop tot stilstand te komen. Omdat mijn waarneming niet met video is geregistreerd, kan ik geen waarnemingsafstand geven, maar wel mijn subjectieve oordeel dat het "ruim op tijd [was] om uit te sturen of door remming tot stilstand te komen". In aanmerking nemende dat er bij het ongeval twee bewegende personen naast elkaar liepen en dat toen ofwel de dagrijverlichting van het voertuig brandde, ofwel het dimlicht, is de situatie van het onderzoek als "worst case

scenario" te beschouwen; zichtbaarheid bij het onderzoek houdt daarom ook

zichtbaarheid bij het ongeval in.

Ik merk op dat het onderzoek gericht was op het "kunnen zien". Er wordt geen uitspraak gedaan over de vraag of het slachtoffer noodzakelijk gezien werd, en of het zien van het slachtoffer voldoende aanleiding was om te remmen of uit te wijken.

Conclusie

Bij het zichtonderzoek was de bij de ritten opgestelde geklede paspop voor mijn collega K.M. Hagendoorn en voor mij ruim voldoende zichtbaar. De omstandigheden bij het onderzoek waren vermoedelijk minder gunstig dan bij het ongeval.

Bij mij (ondergetekende) is bij het onderzoek de subjectieve overtuiging ontstaan dat in de omstandigheden van het ongeval het slachtoffer voor mij zichtbaar zou zijn geweest op een voldoende grote afstand, om door uitwijken en/of remmen het ongeval te voorkomen.

Mijn collega ing. K.M. Hagendoorn heeft mij aangegeven dat de omstandigheden tijdens de rijproeven zicht op de paspop en de locatie van de paspop opleverde, op een voldoende grote afstand om daar ruim op tijd op te kunnen reageren. In die omstandigheden zou hij eerder geneigd zijn om uit te wijken dan om te remmen. Hagendoorn heeft verder aangegeven dat hij verwacht dat een wandelend persoon, zoals bij het ongeval, wellicht vroeger zichtbaar is dan de paspop bij de rijproeven. Mede op grond daarvan deelt hij mijn subjectieve overtuiging dat in de omstandigheden van het ongeval (voor hem) het slachtoffer voldoende vroeg zichtbaar zou zijn geweest om daar op te reageren door uit te wijken ofte remmen.