Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6266

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
02-055755-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling gevangenisstraf terzake medeplichtigheid aan medeplegen bewerking cocaïne, medeplegen van voorbereidingshandelingen en medeplichtigheid aan medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïnebase.

Zes verdachten vluchten uit een loods waar een cocaïnewasserij wordt aangetroffen. Verdachte huurde deze loods en de woning ernaast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-055755-20

vonnis van de meervoudige kamer van 14 december 2020

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1989 te [Geboorteplaats]

wonende te [Adres]

raadsvrouw mr. B.L.M. Ficq, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 en 29 oktober 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Vroombout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging, kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte

Feit 1

betrokken is geweest bij het bewerken van cocaïne;

Feit 2

betrokken is geweest bij de voorbereiding van de productie van cocaïne;

Feit 3

betrokken is geweest bij het aanwezig hebben van cocaïne.

De feiten 1 en 3 zijn primair als medeplegen en subsidiair als medeplichtigheid ten laste gelegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde medeplegen en bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan het bewerken van cocaïne (feit 1 subsidiair).

Verdachte huurde de loods, wist wat er in de loods gebeurde en heeft de loods daar ook beschikbaar voor gesteld. De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van het primair onder feit 1 tenlastegelegde, te weten medeplegen.

Feit 2

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring. Hij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht ten behoeve van de productie van cocaïne. Door zijn loods ter beschikking te stellen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijk kans aanvaard op de aanwezigheid van een drugslab. Hij heeft daarmee zelfstandig uitvoeringshandelingen verricht die strafbaar zijn gesteld in artikel 10a van de Opiumwet.

Feit 3

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde medeplegen en bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan het in vereniging aanwezig hebben van cocaïne. De officier van justitie verwijst daartoe naar het proces-verbaal van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: de LFO) en het aanvullend proces-verbaal waaruit blijkt het totale nettogewicht 72,9 kg betrof.

De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat hij deze loods onderverhuurde en niets wist van wat zich in de loods afspeelde, kennelijk leugenachtig dan wel ongeloofwaardig.

Periode feiten 1 en 2

Op basis van de verklaringen van de getuige [Naam 1] en verdachte, de mastgegevens van de aan verdachte [Medeverdachte 1] toegeschreven telefoon en de berichten op de telefoon van de verdachte [Medeverdachte 2] kan voor wat betreft pleegperiode van de feiten 1 en 2 worden uitgegaan van 1 tot en met 18 november 2019.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle drie de tenlastegelegde feiten. Uit hetgeen kan worden vastgesteld uit het dossier, kan op geen enkele wijze worden geconcludeerd dat verdachte wetenschap had van de cocaïnewasserij. Verdachte had de loods met ingang van 1 november 2019 onderverhuurd aan [Naam 2] . Hij kende [Naam 2] uit [Naam 3] , waar hij hem de laatste tijd regelmatig had ontmoet. Verdachte heeft aan zijn zorgplicht voldaan door de huurder ervan te doordringen dat deze zich als een goed huurder diende te gedragen, en erop te wijzen dat hij hierop actief zou controleren. De verhuurder, [Naam 1] , was op de hoogte van de onderhuur. Verdachte had de loods nog maar kort verhuurd en hoefde er geen rekening mee te houden dat in amper twee weken tijd een complete cocaïnewasserij opgezet zou worden. Daarbij kan verdachte ook niet feitelijk aan de activiteiten in de loods worden gelinkt. De loods was voor hem niet toegankelijk. Een direct spoor naar hem ontbreekt in het dossier.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Op 18 november 2019, omstreeks 17.45 uur, kwam bij de brandweer een melding binnen van een vreemde geur, afkomstig uit de richting van het terrein van [Naam 4] aan [Straatnaam 1] Bij het openen van de rioolput ter plaatse, rook de brandweer een benzinelucht. Twee van de drie op de rioolput aangesloten panden konden direct van de verdenking van illegale lozingen worden uitgesloten. Hierdoor bleef het perceel aan de [Straatnaam 2] over en bij inspectie ter plaatse bleek dat op het afvalwater afkomstig uit dat pand een laagje zichtbaar was dat door ter zake deskundigen als chemisch werd aangeduid.

Hierop werd door de politie in samenwerking met de brandweer en handhavers van de gemeente de loods op het perceel [Straatnaam 2] binnengetreden. Hiertoe knipten zij het kettingslot open waarmee het hek dat het terrein van [Naam 4] van het perceel van [Straatnaam 2] scheidde, was afgesloten. Daarna openden zij om 18.58 uur een houten deur links van de roldeur die toegang gaf tot de loods. Nadat zij een houten wandje dat achter de deur bleek te staan hadden ingetrapt, zagen zij een ruimte waarin verschillende kunststof vaten stonden, met daarin een bruine substantie en elektrische beton- of verfmixers. Ook hier rook het sterk naar benzine.

Nadat zij de houten plaat hadden teruggezet en de houten deur weer hadden afgesloten, namen zij in afwachting van verder onderzoek het perceel onder observatie. Omstreeks 20.45 uur werd gezien dat vanaf het terrein van [Straatnaam 2] meerdere personen de weg oprenden. Dit bleken uiteindelijk de zes verdachten [Medeverdachte 1] , [Medeverdachte 2] , [Medeverdachte 3] , [Medeverdachte 4] , [Medeverdachte 5] en [Medeverdachte 6] te zijn. Verdachten [Medeverdachte 1] en [Medeverdachte 2] waren over het hek geklommen en konden ter hoogte van [Naam 4] worden aangehouden. De overige verdachten werden op het terrein van de loods aangehouden. Bij nadere inspectie van de loods bleek de houten plaat opzij geschoven en de houten deur opengedraaid.

Algemeen

Op basis van de bewijsmiddelen, stelt de rechtbank het volgende vast.

In de loods behorende bij de woning aan [Straatnaam 2] werd tot aan de dag van de ontdekking op 18 november 2019 op grote schaal cocaïne teruggewonnen uit karton, dat als dragermateriaal fungeerde.

Een deel van de al teruggewonnen cocaïne bevond zich nog in de loods: in een van de ruimten van de loods stonden vijf [Naam 6] gevuld met in totaal ruim 70 kilogram cocaïnebase.

In de loods waar de cocaïnewasserij was opgesteld, was een aparte ruimte ingericht als slaapplek voor - op het oog - acht personen.

Zes verdachten zijn allen aangehouden in de directe omgeving van de loods. De kleding van deze verdachten rook bij aanhouding naar chemicaliën. Onder hun schoenen zat pulp gelijkend op het kartonpulp dat aangetroffen was in de cocaïnewasserij. De houten deur die kort tevoren door de brandweer was afgesloten, was opengedraaid, en de houten plaat bleek weggeschoven.

Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat het niet anders kan zijn dan dat de zes aangehouden verdachten allen in de loods verbleven en van daaruit, toen zij bemerkten dat zij waren ontdekt, hebben getracht te vluchten.

Dat de verdachten in de loods in de cocaïnewasserij tewerk waren gesteld, vindt bevestiging in de WhatsAppgesprekken die [Medeverdachte 2] in de weken voorafgaand aan zijn aanhouding met zijn vrouw heeft gevoerd.

Zo appt hij op 2 november 2019: “Goed liefje, godzijdank zijn we inmiddels begonnen met werken”;

op 3 november 2019: “Hier met 10 man op de grond”;

“Schat je mag hier niet eens wap gebruiken. Er zijn 2 opzichters eentje vanuit de huurder en de andere van die mensen hier” en

op 12 november 2019:

“Ik ben hier elke ochtend om 6 of 7 uur op en aan het werk om een klus af te maken die op een nachtmerrie begint uit te lopen (…)”;

op 14 november 2019:

“schat we komen niet buiten je weet toch dat we op de werkplaats slapen”;

op 15 november 2019:

“Gisteren waren we twee weken hier. Sinds we begonnen met werken”;

en op 18 november 2019 kort voor zijn aanhouding:

“Schat, de politie is er. Er is geen uitweg. We zitten binnen en buiten de brandweer en politie.”

Op zijn telefoon staan foto’s van de inrichting van een cocaïnewasserij. Niet alleen gelijken de goederen op de goederen die in de loods in beslag zijn genomen, maar ook de locatie komt overeenkom met de locatie van de loods waar de cocaïnewasserij zich bevond. Deze foto’s werden gemaakt in de periode van 7 tot en met 13 november 2019.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van verdachtes verweer dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van cocaïnewasserij, is het volgende van belang.

Uitgangspunt is dat een bewoner bekend wordt verondersteld met wat zich in zijn woning bevindt. Dit uitgangspunt strekt zich uit tot een bij de woning gehuurde loods. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien de bewoner aannemelijk kan maken dat niet hijzelf maar een ander de feitelijke gebruiker was van de ruimte, en hijzelf hier niet langer toegang toe had.

In het onderhavige geval heeft verdachte, die huurder was van de woning en de loods, een onderhuurcontract ingebracht. De huurovereenkomst zou op 20 oktober 2019 zijn getekend en per 1 november 2019 voor een halfjaar ingaan. Als bijlage was een kopie van het rijbewijs van de onderhuurder, [Naam 2] bijgevoegd.

Het rijbewijs op naam van [Naam 2] bleek echter per 7 november 2019 als vermist/gestolen geregistreerd. [Naam 2] heeft als getuige verklaard dat hij bij een aanrijding op 20 oktober 2019 achter de vermissing van zijn rijbewijs kwam en op 7 november 2019 hiervan aangifte heeft gedaan. In de politiesystemen was bekend dat dit ongeval had plaatsgevonden. De handtekening van de onderhuurder op het huurcontract kwam niet overeen met die van [Naam 2] , en diens op het contract vermelde adres [Straatnaam 3] bleek een verpleegtehuis te zijn, waar [Naam 2] als bewoner niet bekend was. Verder verklaarde [Naam 2] dat hij nooit in [Naam 3] was geweest, en ook de eigenaar van [Naam 3] , getuige [Naam 5] , verklaarde dat hij verdachte wel, maar [Naam 2] niet herkende als een bezoeker van zijn zaak. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de ‘echte’ [Naam 2] wellicht niets van doen heeft met deze zaak, maar dat de huurder van de loods zich heeft voorgedaan als ‘ [Naam 2] ’, schuift de rechtbank deze aanname als onaannemelijk terzijde. Immers, dat zou betekenen dat deze vermeende huurder zich heeft voorgedaan als ‘ [Naam 2] ’ nog vóórdat hij de beschikking kreeg over het rijbewijs van [Naam 2] en ook nog eens dat deze persoon toevalligerwijs zou lijken op de pasfoto op dat rijbewijs.

De verhuurder [Naam 1] , verklaarde als getuige niet bekend te zijn met de onderhuur. Integendeel: verdachte zou vanuit de woning een in de loods aan te leggen sauna gaan beheren. De poort van de woning was open, zo blijkt uit bevindingen van de politie. Verdachte heeft tot slot verklaard dat hij de persoon die hij als [Naam 2] kent nadien niet meer heeft gezien en ook geen andere gegevens over hem, zoals bijvoorbeeld een telefoonnummer, heeft kunnen aanleveren.

Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier en de bevindingen omtrent de verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte afgelegde verklaring als ongeloofwaardig moet worden bestempeld. De verklaring van verdachte dat hij de loods zou hebben onderverhuurd, wordt niet ondersteund door enig bewijsmiddel of afgelegde verklaring.

Ook op andere punten acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de weken voorafgaande aan de aanhouding van de medeverdachten geen chemische geur of benzinelucht heeft geroken. Het kan echter niet anders zijn dan dat verdachte die in de woning direct naast de loods verbleef, de geur heeft opgemerkt: buurtbewoners van zelfs tot 200 meter verderop in de straat hadden meerdere meldingen van stankoverlast gedaan, en ook de aanwezige verbalisanten roken buiten de loods reeds een benzinelucht.

Nu aldus de onderverhuur volstrekt niet aannemelijk is gemaakt of geworden, maar een schijnconstructie lijkt te zijn, en verdachte moet hebben geroken dat in de loods benzine en chemische stoffen werden gebruikt, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte ervan op de hoogte was dat zich in de loods een cocaïnewasserij bevond, en dat hij hieraan willens en wetens een bijdrage heeft geleverd door zijn loods hiervoor beschikbaar te stellen.

De betrokkenheid van verdachte bij de cocaïnewasserij vindt ondersteuning in een app van verdachte [Medeverdachte 2] waarin deze schrijft: “Er zijn 2 opzichters eentje vanuit de huurder en de andere van die mensen hier.”

Feit 1

Vrijspraak primair

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de bijdrage die de verdachte aan de cocaïnewasserij heeft geleverd, uit meer heeft bestaan dan het ter beschikking stellen van de loods. Verdachte moet dan ook van het hem primair verweten medeplegen worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan de cocaïnewasserij medeplichtig is geweest door hiertoe zijn loods ter beschikking te stellen..

Feit 2

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Door zijn loods willens en wetens ter beschikking te stellen voor het terugwinnen van cocaïne uit het dragermateriaal, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen.

Periode feiten 1 en 2

Op grond van de hiervoor geciteerde appberichten van [Medeverdachte 2] kan als pleegperiode 1 tot en met 18 november 2019 worden vastgesteld.

Feit 3

Vrijspraak primair

Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat de verdachte op enig moment, al dan niet met anderen, de beschikkingsmacht heeft gehad over de [Naam 6] met cocaïnebase, zodat hij voor het hem primair verweten medeplegen van dit feit moet worden vrijgesproken.

Uit de bewezenverklaring van de medeplichtigheid van verdachte aan feit 1, volgt wel het oordeel dat ook verdachtes medeplichtigheid aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 72,9 kilogram cocaïnebase in de [Naam 6] wettig en overtuigend bewezen is. De feiten zijn direct met elkaar verweven: het betrof immers cocaïne die kennelijk uit het dragermateriaal was teruggewonnen en die klaarstond voor verdere verwerking en transport. Door toe te staan dat in zijn loods cocaïne werd gewassen, heeft verdachte het opzet gehad op de aanwezigheid van deze cocaïne.

4.4

De bewezenverklaring

Feit 1 subsidiair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

[Medeverdachte 5] en [Medeverdachte 6] en [Medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] en [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] in de periode van 1 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging opzettelijk hebben bewerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet, tot het plegen van welk misdrijfhij, verdachte, in de periode van 1 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk middelen heeft verschaft, door aan die [Medeverdachte 5] en [Medeverdachte 6] en [Medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] en [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] een loods (gelegen aan [Straatnaam 2] , ter beschikking te stellen;

Feit 2

hij in de periode van 1 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden , voorwerpen en/stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van dat delict,

immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een grote hoeveelheid verpakkingen met daarin grote hoeveelheden chemicaliën en grondstoffen voorhanden gehad, waaronder benzine en ethylacetaat en aceton en zoutzuur en zwavelzuur, en

- onderdelen van een productieopstelling voorhanden gehad,

waaronder magnetrons en metalen logo's;

Feit 3 subsidiair

[Medeverdachte 5] en [Medeverdachte 6] en [Medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] en [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] op 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging , opzettelijk aanwezig hebben gehad ongeveer 72,9 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, opzettelijk middelen heeft verschaft, door aan die [Medeverdachte 5] en [Medeverdachte 6] en [Medeverdachte 2] en [Medeverdachte 4] en [Medeverdachte 3] en [Medeverdachte 1] een loods gelegen aan [Straatnaam 2] , ter beschikking te stellen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Deze leveren de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 32 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de strafmaat is geen subsidiair verweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is medeplichtig geweest aan het bewerken van cocaïne en de aanwezigheid daarvan en heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen.

De productie van en handel in drugs dienen krachtig te worden bestreden. Naast het gevaar voor de fysieke en mentale gezondheid van de gebruikers, schuilen in de productie van cocaïne nog andere gevaren. De rechtbank wijst op de schade aan het milieu door de afvalstoffen, en het explosiegevaar van de chemisch instabiele stoffen die bij het wassen van de cocaïne worden gebruikt. De loods stond nota bene in een woonwijk, pal naast [Naam 4] . Verdachte, die uitsluitend voor zijn werkzaamheden in de wasserij naar Nederland was gekomen, heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gezondheidsrisico’s voor anderen en de schadelijke gevolgen voor de maatschappij, en enkel gehandeld uit een zucht naar gemakkelijk geldelijk gewin. Daarmee heeft verdachte bijgedragen aan een georganiseerde vorm van drugscriminaliteit die de laatste jaren in ons land grote vormen heeft aangenomen, en die gepaard gaat met zwarte geldstromen waardoor de Nederlandse economie wordt ondermijnd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. In het nadeel van verdachte heeft de rechtbank bij de strafbepaling tevens meegewogen dat hij op geen enkel moment blijk van inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen heeft gegeven.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt hierbij ook de grootte en de professionaliteit van de cocaïnewasserij in aanmerking. De primitieve omstandigheden waaronder verdachte heeft gewerkt en geleefd in de loods, waaruit de rechtbank opmaakt dat verdachte in de hiërarchie een betrekkelijk lage plaats innam, heeft de rechtbank evenwel ook meegewogen in de strafbepaling.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend is.

De rechtbank legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 32 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 48 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 3 primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: Medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 3 subsidiair: Medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Wielders en mr. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 december 2020.

Mrs. Wielders en Witteman zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9 Bijlage I

De (gewijzigde) tenlastelegging

1

(PRODUCTIE SYNTHETISCHE DRUGS/HARDDRUGS)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval

(telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende één of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet )

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[Medeverdachte 5] en/of [Medeverdachte 6] en/of [Medeverdachte 2] en/of [Medeverdachte 4] en/of [Medeverdachte 3] en/of [Medeverdachte 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval

(telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende één of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, althans in Nederland, opzettelijk

behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [Medeverdachte 5] en/of [Medeverdachte 6] en/of [Medeverdachte 2] en/of [Medeverdachte 4] en/of [Medeverdachte 3] en/of [Medeverdachte 1] een (deel van een) loods/schuur (gelegen aan [Straatnaam 2] ), ter

beschikking te stellen;

(artikel 2 juncto artikel 10 Opiumwet )

2

(VOORBEREIDINGSHANDELINGEN SYNTHETISCHE DRUGS/HARDDRUGS)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 september 2019 tot en met 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid

van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en)

heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s)(telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van het/die delict(en),

immers, heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) in de voornoemde periode in voornoemde pleegplaats

- een (grote) hoeveelheid verpakkingen met daarin (grote) hoeveelheden chemicaliën en/of grondstoffen voorhanden gehad, waaronder benzine en/of ethylacetaat en/of aceton en/of zoutzuur en/of zwavelzuur, en/of

- meerdere onderdelen van (een) productieopstelling(en) voorhanden gehad,

waaronder een of meerdere magnetron(s) en/of metalen logo's;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht )

3

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer één of meer hoeveelhe(i)d(en) van in totaal ongeveer 73,6 kilogram cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en)

van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[Medeverdachte 5] en/of [Medeverdachte 6] en/of [Medeverdachte 2] en/of [Medeverdachte 4] en/of [Medeverdachte 3] en/of [Medeverdachte 1] op of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer één of meer hoeveelhe(i)d(en) van in totaal ongeveer 73,6 kilogram cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en)

van een materia(a)l(en) bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in of omstreeks 18 november 2019 te St. Willebrord, gemeente Rucphen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [Medeverdachte 5] en/of [Medeverdachte 6] en/of [Medeverdachte 2] en/of [Medeverdachte 4] en/of [Medeverdachte 3] en/of [Medeverdachte 1] een (deel van een) loods/schuur (gelegen aan [Straatnaam 2] ), ter beschikking te stellen;

(art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 48 ahf/ond 1/2 Wetboek van Strafrecht)

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB2R019106 Westminster van politie Midden- en West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1714.

1. Het proces-verbaal van het LFO, pagina’s 663, 665 en 674:

Op maandag 18 november 2019 van omstreeks 21.30 uur en later hebben wij, verbalisanten [Naam 7] en [Naam 8] , op verzoek van [Naam 9] , inspecteur van politie en dienstdoende als Officier van Dienst van het Basisteam De Markiezaten van de politie eenheid Zeeland West-Brabant, onderzoek verricht op de locatie [Straatnaam 2]

- Ruimte C:

Bij aanvang van ons onderzoek stonden de overhead sectionaaldeur en de loopdeur allebei open. Toen wij voor de geopende sectionaaldeur stonden werd er door ons een sterke benzine geur waargenomen. Eenmaal in de loods werd door ons de typerende geur waargenomen die wij herkennen als zijnde de geur die vrij komt bij het bewerken van cocaïne.
- Gezien vanaf de sectionaaldeur stonden in het rechtergedeelte van de loods verpakkingen met chemicaliën, waaronder: benzine, ethylacetaat, aceton, zoutzuur en zwavelzuur. Tevens stonden er daar verspreid over de vloer van de loods vuilniszakken met afval, lege jerrycans en diverse tonnen, kuipen en emmers met vloeistoffen ten behoeve van het bewerken van cocaïne. Direct links van de sectionaaldeur bevond zich de wand van de inpandig gecreëerde
ruimte A. Na deze ruimte A stonden links in de loods twee hydraulische vloeistofpersen, twee gecreëerde zeeftafels, diverse tonnen en dopvaten, kuipen en emmers met vloeistoffen en zakken gevuld met vochtig uitgeperst karton. Tussen deze goederen werden 5 “ [Naam 6] ” boodschappentassen aangetroffen met daarin circa 73,6 kilo cocaïne.

- Ruimte V:
Binnen voor de buitendeur stond op de vloer een gemodificeerde RVS-vacuümvat op een palletwagen. Voor de wand links van de buitendeur stonden op de vloer twee grote speciekuipen. Op de randen van de speciekuipen lagen twee houten balken met daartussen respectievelijk één en twee elektrische mixers bevestigd. Beide speciekuipen waren geheel gevuld met een substantie van opgelost karton met een vloeistof. Gezien vanuit de loopdeur stonden links voor de wand enkele speciekuipen. Op een speciekuip bevond zich op de randen twee houten balken met daartussen een elektrische mixer bevestigd. De speciekuip was geheel gevuld met een substantie van opgelost karton met een vloeistof. In de overige speciekuipen bevonden zich restanten van opgelost karton met een vloeistof. Aan het plafond hing een buizen systeem bevestigd met daaraan drie spiraal verwarmingselementen. Het buizensysteem was gekoppeld aan een RVS-ketel. Vanaf deze ketel en het buizensysteem liepen de buizen door de wand naar de loods. Voor de rechterwand stonden drie speciekuipen. Op de randen van twee speciekuipen bevonden zich houten balken met daartussen ieder twee mixers bevestigd. In deze speciekuipen bevond zich karton met een vloeistof. Het karton in deze speciekuipen was minder ver gevorderd qua oplossing dan de substantie in de overige speciekuipen. In de derde speciekuip bevond zich een laag vloeistof met daarop vochtige en droge stukken karton.

- Ruimte A:
In een kast hingen drie elektrische straalkachels ten behoeve van het drogen. Rechts daarvan stonden op een werkblad twee tafelweegschalen en een sealmachine. Op de vloer onder de werkbanken stonden enkele kartonnen dozen met goederen, waaronder: ballonnen, versnijdingsmiddel, sealzakken, kabelbinders, persmallen, papierrollen en overige goederen. Recht tegenover de ingang stonden op een werkbank twee magnetrons. Rechts voor de wand stond links naast de werkbank een hydraulische pers.

Interpretatie LFO

De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën welke aangetroffen worden op locaties waar, op zeer grote schaal, cocaïne wordt bewerkt (versneden) ofwel wordt teruggewonnen uit een dragermateriaal.

Gezien de hoeveelheid aangetroffen verpakkingen met chemicaliën (indicatief: ethylacetaat, aceton, hexaan, benzine, zwavelzuur, zoutzuur, ammoniak), hoeveelheid afval (gebruikt nat karton en positief op cocaïne getest crêpepapier met logo afdrukken cocaïne), aantal gebruikte magnetrons (2) (drogen blokken cocaïne), verschillende metalen logo's, was deze locatie ingericht en gebruikt voor het op grote schaal bewerken van cocaïne c.q. terugwinnen van cocaïne uit een dragermateriaal. Het ging hier om het bewerken van het vermoedelijk cocaïne bevattende karton door deze tot pulp te malen in water en vervolgens hieruit met behulp van voornoemde chemicaliën cocaïne terugwinnen uit het kartonnen dragermateriaal.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, ondersteuning LFO, pagina 286

Bij nader onderzoek zag ik in de open ruimte C op de vloer vijf gele nieuw ogende

“ [Naam 6] ’ tassen staan waarvan een open was met hierin een wit poeder met een geur die ik herken als cocaïne.

Ik heb mijn bevindingen gedeeld met de OVD-P en heb vervolgens de voornoemde [Naam 6] tassen nader onderzocht en de inhoud van de tassen bemonsterd. Alvorens deze tassen zijn bemonsterd zijn de dichtgeknoopte hengsels door personeel van afdeling FTO veilig gesteld voor DNA sporen.

Bij de monstername bleek het te gaan om in totaal circa 73,6 kilo deels vochtige en naar oplosmiddelen ruikende cocaïne base. Hierbij is door mij middels indicatieve testen en handheld analyse apparatuur vastgesteld dat

het hier om cocaïnebase ging.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 234 en 235:

De AOV'er vertelde ons dat er vandaag weer een melding van een bewoner in [Straatnaam 2]

was geweest dat die een benzinelucht rook die uit het riool leek te

komen. Ongeveer twee weken geleden was zo een melding ook al gedaan, enkele dat ongeveer 200 meter verderop in de straat. Hij vertelde mij dat de brandweer het

riool op straat ter hoogte van [Naam 4] had geopend en daar direct een hele

penetrerend lucht uit rook. Deze lucht rook sterk naar benzine. Toen ik in de put keek rook ik dit ook direct.

Om 18.21 uur verbrak brandweer het kettingslot waarmee het hek was afgesloten,

middels een hydrologische nijptang.

Om 18.24 uur werd door ons, de gemeente en de brandweer het terrein betreden.

Om 18.20 uur werd door een brandweerman een vluchtige stof gemeten wij een

beluchtingsrooster rechts naast de roldeur. De lucht uit het riool was ook een

vluchtige stof.

Om 18.84 uur probeerde de brandweer een kunststof deur in de uitbouw te forceren

zonder het produceren van vonken. Dit lukte niet.

Om 18.58 uur werd er door de brandweer een houten deur geopend die zich links naast de roldeur bevond. Dit lukte, echter zat er een houten wandje achter. Toen dit wandje werd ingetrapt, zag ik een ruimte waarin verschillende kunststof vaten stonden met daarin een bruine substantie. Ik stond op veilige afstand, maar ook daar rook ik direct weer die benzinelucht.

Omstreeks 20.45 uur hoorde ik een collega roepen dat er meerdere verdachten wegrenden vanaf het terrein met [Straatnaam 2] de openbare weg op. Dit bleken uiteindelijk zes verdachten te zijn. Hiervan hield ik samen met collega [Naam 10] er drie aan in de voortuin rechts naast te woning met [Straatnaam 2] Achter deze woning bevond zich de betreffende loods. Ik zag dat alle ramen van de woning waren afgesloten middels rolluiken en een met een houden plaat van binnenuit. De voordeur van de woning was afgesloten voor en na de aanhoudingen.

Toen ik later naar de houten deur van de loods liep die de brandweer had geopend, zag ik dat die op een kier stond. Toen ik die voorzichtig opende zag ik dat die houten plaat nu grotendeels naar rechts open stond. Hieruit kon ik opmaken dat de verdachten zich waarschijnlijk in de loods bevonden en via deze deur naar buiten waren gevlucht.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 63:

Direct daarna hoorde ik over de portofoon dat er personen vanaf de plaats delict waren weggerend. Ik ben vervolgens terstond naar de brandweerman gerend die een persoon onder controle hield. Ik heb deze persoon vervolgens aangehouden. De plaats van aanhouding was op het terrein van [Naam 4] . Later bleek mij dat deze verdachte [Medeverdachte 1] was genaamd.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 67:

Verdachte genummerd met letter D is genaamd [Medeverdachte 2] . Verdachte klom direct na verdachte [Medeverdachte 1] over het hek, vanaf het terrein waar het drugslab is aangetroffen, aan de zijde Bredaseweg. Verdachte [Medeverdachte 2] is op de Bredaseweg ter hoogte van het hek aangehouden, buiten het terrein.

6. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 73 en 74:

Ik zag dat collega [Naam 10] over het hek klom om in de voortuin van de woning te

komen. Ik volgde en klom ook over dit hek. Eenmaal in de tuin renden wij naar rechts om rechts naast de woning te komen. Aldaar zag ik nog drie verdachte personen lopen. Ik zag dat een van deze personen blauwe handschoenen aanhad. Ik riep samen met collega [Naam 10] deze personen aan en vertelde hun dat ze waren aangehouden. Dit bleken later de verdachten [Medeverdachte 3] , [Medeverdachte 5] en [Medeverdachte 4] te zijn.

(..) Ik hoorde daar van collega’s dat er in totaal zes verdachten waren aangehouden.

Collega [Naam 11] had ter hoogte van het hek bij [Straatnaam 2] ook een verdachte

aangehouden, welke later [Medeverdachte 6] bleek te zijn.

7. Het proces-verbaal van bevindingen, ondersteuning LFO, pagina 211:

Veiligstellen kleding:

Onze eerste inzet op maandag 18 november 2019 betrof het veiligstellen van de kleding van zes aangehouden verdachten. Deze verdachten werden op het terrein [Straatnaam 2] in afwachting van onze komst opgehouden. Door ons werd iedere verdachte apart gefotografeerd in de kleding zoals wij hem ter plaatse geboeid aantroffen. Vervolgens heb ik, per verdachte, de bovenkleding (jas en/of trui), de broek en de schoenen apart in schone droge papieren zakken verpakt. Deze papieren zakken zijn door mij per verdachte apart in een schone ongebruikte plastic zak verzegeld met vermelding van letter A t/m F.

8. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 216 en 217

Onder de verdachten werden diverse goederen, kleding en schoeisel in beslag genomen. Per verdachte was er een (1) plastic zak met daarin diverse papieren zakken. De plastic zakken waren genummerd A tot en met F.

Bij het openen van de plastic zakken rook ik, verbalisant [Naam 12] , een zoete weeïge chemische lucht die afkomstig was van de kleding en schoeisel.

[Medeverdachte 6]

[Medeverdachte 1]

[Medeverdachte 3]

[Medeverdachte 2]

[Medeverdachte 5]

[Medeverdachte 4]

9. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 271:

Op 18 november 2019 had ik piketdienst bij de Districtsrecherche de Markiezaten. Omstreeks 22:00 uur ben ik daarvoor ter plaatse gegaan aan [Straatnaam 1] en [Straatnaam 2] in verband met een aangetroffen drugslaboratorium.

Ik zag dat er aan de loods een ruimte vast zat, ruimte H. Ik zag dat deze ruimte H als slaapgedeelte was ingericht. Ik zag dat hier 8 slaapplaatsen waren ingericht. Deze slaapplaatsen bestonden per slaapplaats uit 1-2 matrassen waarbij de matrassen op elkaar lagen. Ik zag dat het erop leek dat deze slaapplaatsen recent nog gebruikt waren.

10. Het proces-verbaal forensisch onderzoek schoenen, pagina 453

Op dinsdag 7 januari 2020 ontving ik één (1) plasticzak met daarin sporendragers,

kledingstukken en schoenen van één (1) verdachte.

Eigenaar [Medeverdachte 5]

De door mij waargenomen restanten karton/pulp op en rondom het één (1) paar schoenen komen visueel/soortgelijk overeen met de karton/pulp dat door mij en de

politiemedewerkers van LFTO werd aangetroffen in de loods/lab aan [Straatnaam 1]

11. Het proces-verbaal forensisch onderzoek schoenen, pagina’s 455 en 456

Op dinsdag 7 januari 2020 ontving ik vijf (5) plasticzakken met daarin sporendragers, kledingstukken en schoenen van de vijf (5) verdachten. Deze zijn veiliggesteld tijdens het onderzoek ingevolge de vervaardigen harddrugs (lijst I) op het adres [Straatnaam 1] , binnen de gemeente Rucphen.

Ik zag op vrijdag 24 januari 2020 omstreeks 10:00 uur dat alle vijf (5) paar schoenen van de vijf (5) verdachten restanten karton/pulp bevatten. Door mij werden deze vijf (5) paar schoenen separaat van elkaar bemonsterd voor een indicatieve drugstest op cocaïne. Deze bemonsteringen reageerde niet op de cocaïne, de test is negatief bevonden. De door mij waargenomen restanten karton/pulp op en rondom de vijf (5) paar schoenen komen visueel/soortgelijk overeen met de karton/pulp dat door mij en de politiemedewerkers van LFTO werd aangetroffen in de loods/lab aan [Straatnaam 1]

Vijf verdachten:

[Medeverdachte 6]

[Medeverdachte 1]

[Medeverdachte 3]

[Medeverdachte 2]

[Medeverdachte 4]

12. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 713:

Ik, verbalisant, heb vervolgens de foto’s, welke genomen zijn kort na het aantreffen van de cocaïnewasserij, nogmaals bekeken en zag daar geen vervuiling van kartonpulp/kartonafval op, buiten de loods.

13. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 73:

Aanvullend proces verbaal van bevindingen, in verband met het aantreffen van een

drugslab op maandag 18 november 2019 op het perceel [Straatnaam 2]

Dit volledige perceel had het [Straatnaam 2] In mijn eerdere bevindingen benoemde ik ook het [Straatnaam 1] , dit is echter onjuist. Op het perceel [Straatnaam 2] is zowel de woning als de loods met uitbouw gevestigd.

14. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 777, 778, 780 tot en met 784

In verband met de onderzochte feiten, in onderhavig onderzoek, werd het navolgende goed in beslag genomen onder verdachte [Medeverdachte 2] :

Beslagnummer: 2124682

Goednummer: 19-1133-005 (UL) (UF)

Soort: Smartphone

Merk en type: Apple iPhone 6S Plus (Al 687)

Uit het onderzoek bleek tevens de navolgende bijzonderheden:

Aan foto 7 t/m 25 welke zijn aangetroffen op de inbeslaggenomen telefoon en zijn gemaakt in de periode van 7 tot en met 13 november 2019, zitten GPS coördinaten gekoppeld. Deze GPS coördinaten komen overeen met een locatie in Nederland, zijnde [Straatnaam 2] (bijlage 7). Dit betreft tevens de locatie waar de cocaïnewasserij is aangetroffen op 18 november 2019. De goederen die zichtbaar zijn op foto 7 t/m 25 komen overeen met de aangetroffen materialen op de plaats delict aan [Straatnaam 2] .

15. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 796, 800, 801 en 802

Groen 2-11-2019 00:00:48

Goed liefje. Godzijdank zijn we inmiddels begonnen met werken

Groen 3-11-2019 22:23:55

Hier met 10 man op de grond

Groen 3-11-2019 22:24:00

Allemaal op de grond

Blauw 3-11-2019 22:24:25

Jee heftig en maken jullie een beetje lol bb

Groen 3-11-2019 22:24:44

Nee schat je mag hier geen herrie maken

Groen 3-11-2019 22:25:07

Het is allemaal heel strak georganiseerd

Groen 12-11-2019

Schat je mag hier niet eens wap gebruiken. Er zijn 2 opzichters eentje vanuit de huurder en de andere van die mensen hier

Ik ben hier elke ochtend om 6 of 7 uur op en aan het werk om een klus af te maken die op een nachtmerrie begon uit te lopen

Groen 14-11-2019

Schat wij komen niet buiten je weet toch dat we op de werkplaats slapen

Groen 15-11-2019

Hier waar wij zitten hebben we sinds onze aankomst geen daglicht gezien

De mensen hier trekken het ook bijna niet meer

Gisteren waren we 2 weken hier

Sinds we begonnen met werken

Groen 18-11-2019

Schat de politie is er

Politie staat buiten

Er is geen uitweg schat

We zitten binnen en buiten de brandweer en de politie.

16. Huurovereenkomst, pagina’s 308 tot en met 312:

Ondergetekende:

• [Naam 1]

• gevestigd/wonende te [Adres van Naam 1]

hierna te noemen verhuurder

en

• [Verdachte]

• geboren: [Geboortedag] -1989

• wonende te [Straatnaam 2]

hierna te noemen huurder.

Deze overeenkomst zal voor onbepaalde tijd ingaan op 1-1-2019

17. De verklaring van verdachte ter zitting d.d. 27 oktober 2019:

“Ik heb de woning en de loods gehuurd van [Naam 1] . Ik heb daar gewoond sinds 2016. Alleen het huurcontract was nieuw per januari 2019. Ik woonde er tot 18 november 2019”.