Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6127

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
8755167 AZ VERZ 20-57
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Opzegging ‘slapend dienstverband’ na onderhandelingen over beëindigingsovereenkomst; werkgever veroordeeld tot betaling ‘resterende’ transitievergoeding; peilmoment berekenen hoogte transitievergoeding; onverkorte toepassing art. 7:673 niet onaanvaardbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1555
XpertHR.nl 2021-20005103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiele kantonzaken

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/repnr.: 8755167 / AZ VERZ 20-57

beschikking van de kantonrechter d.d. 8 december 2020

inzake

[verzoeker],

wonende te Hoek,

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. M. van de Wetering,

t e g e n :

de besloten vennootschap

[verweerder],

gevestigd te Terneuzen,

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerder].

gemachtigde: mr. D.W. Boere.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- verzoekschrift, ingediend op 10 september 2020,

- verweerschrift,

- brief van 3 november 2020 met bijlage van mr. Boere, ingediend op 4 november 2020,

- brief van 6 november 2020 met bijlage van mr. Boere, ingediend op 9 november 2020,

- mondelinge behandeling van 10 november 2020.

de beoordeling van de zaak

1.1.

[verzoeker] is geboren op 3 mei 1964. Hij was op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van [verweerder] van 1 september 1989 tot en met 31 juli 2020. Zijn functie was die van productiemedewerker.

1.2.

Op 11 mei 2014 werd [verzoeker] arbeidsongeschikt. Aan hem is per 8 mei 2016 een WIA-uitkering toegekend. Vanaf 11 mei 2014 was [verzoeker] niet meer in staat zijn eigen werkzaamheden of aangepaste werkzaamheden te verrichten.

1.3.

Namens [verzoeker] is bij brief van 12 april 2019 aan [verweerder] gevraagd in te stemmen met beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden onder de voorwaarde dat de wettelijke transitievergoeding wordt betaald, gemaximeerd tot het moment waarop de verplichte loondoorbetaling is geëindigd. Partijen kwamen niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

1.4.

Op 31 december 2019 vroeg [verweerder] aan het UWV toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op de grond dat [verzoeker] door ziekte of gebreken niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten (artikel 7: 669 lid 3 aanhef en onder b BW). Het UWV verleende die toestemming op 27 januari 2020. Bij brief van 11 februari 2020 zegde [verweerder] aan [verzoeker] de arbeidsovereenkomst op tegen 1 augustus 2020.

1.5.

[verzoeker] maakte bij brief van zijn gemachtigde van 10 maart 2020 aanspraak op een transitievergoeding van € 74.894 bruto. [verweerder] keerde hem een transitievergoeding uit van € 47.817 bruto op 1 september 2020.

2.1.

[verzoeker] verzoekt, samengevat weergegeven, de veroordeling van [verweerder]:

- tot betaling van € 27.077 bruto als het restant van de transitievergoeding met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2020,

- tot betaling van € 1.046 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten,

- tot verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie waarin het gevorderde restant van de transitievergoeding en de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom,

- in de proceskosten met de nakosten.

2.2.

Als grond voor het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van het restant van de transitievergoeding voert [verzoeker] aan dat hij op grond van artikel 7: 673 lid 1 (oud) BW recht had op een transitievergoeding van € 74.894 bruto zodat met de betaling van € 47.817 bruto hem € 27.077 bruto te weinig is uitgekeerd.

2.3.

In haar verweerschrift concludeert [verweerder] tot afwijzing van het verzoek. In het arrest van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1734, verder: het Xella-arrest) oordeelt de Hoge Raad dat een goed werkgever in beginsel dient mee te werken aan een door de langdurig arbeidsongeschikte werknemer gewenste beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In dat geval moet in beginsel aan de werknemer een vergoeding worden toegekend. Die vergoeding bedraagt niet meer dan de per einde wachttijd voor de WIA, in dit geval 8 mei 2016, berekende transitievergoeding. Ten onrechte stelt [verzoeker] dat de transitievergoeding hoger uitvalt doordat de arbeidsovereenkomst door opzegging is geëindigd.

2.4.

Bij de mondelinge behandeling erkent [verweerder] de transitievergoeding waarop volgens haar [verzoeker] recht heeft te laag te hebben berekend, zodat zij hem nog € 4.794 bruto zal betalen. Zij beroept zich in haar verweer ook op de redelijkheid.

3.1.

Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een transitievergoeding die moet worden berekend aan de hand van de bepalingen die daarvoor golden tot 1 januari 2020. De vraag is met welke peildatum die vergoeding moet worden berekend. [verzoeker] gaat uit van de peildatum 31 juli 2020, de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigde. [verweerder] stelt met een beroep op het Xella-arrest de peildatum op 8 mei 2016, de dag na die waarop zij de arbeidsovereenkomst had kunnen (doen) beëindigen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van [verzoeker].

3.2.

Het Xella-arrest gaat over het “slapende dienstverband”. Dat is het dienstverband dat een werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werknemer niet heeft opgezegd, hoewel hij daartoe wel bevoegd is, en waarbij hij de werknemer geen loon meer betaalt. De vraag is of een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer om een “slapend dienstverband” te beëindigen, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer (overweging 2.1).

3.3.

De Hoge Raad acht van belang dat de werkgever de transitievergoeding ook verschuldigd is als hij de arbeidsovereenkomst opzegt omdat de werknemer door ziekte of gebreken niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten. Werkgevers vinden het in veel gevallen onrechtvaardig dat zij een transitievergoeding moeten betalen na een opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Zij hebben veelal gedurende twee jaar het loon doorbetaald en kosten gemaakt gericht op de re-integratie van de werknemer. De Wet compensatie transitievergoeding beoogt aan deze bezwaren tegemoet te komen. Zij voorziet in een compensatieregeling voor werkgevers die na beëindiging van het dienstverband wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, waaronder begrepen een beëindiging met wederzijds goedvinden, een transitievergoeding hebben betaald (overweging 2.5).

3.4.

De compensatieregeling is van kracht met de inwerkingtreding van 7:763e BW op 1 april 2020. Een aanspraak op compensatie is mogelijk voor arbeidsovereenkomsten die op of na 1 juli 2015 zijn geëindigd.

3.5.

De wetgever beoogt met de Wet compensatieregeling transitievergoeding een einde te maken aan het verschijnsel “slapende dienstverbanden”. De compensatieregeling en de voor invoering daarvan gegeven redenen brengen mee dat als norm van goed werkgeverschap geldt dat een “slapend dienstverband” in beginsel behoort te worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring daarvan (overweging 2.7.2 van het Xella-arrest).

3.6.

De norm van goed werkgeverschap brengt tevens mee dat in dat geval in beginsel door de werkgever aan de werknemer een vergoeding behoort te worden toegekend. Voor de hoogte van die vergoeding dient niet te worden aangesloten bij de hoogte van het bedrag dat de werkgever ingevolge de compensatieregeling op het UWV kan verhalen. Artikel 7:673e BW beoogt slechts om met de geboden compensatie te voorkomen dat de kosten cumuleren die de werkgever heeft gemaakt door de loonbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid en door de betaling van de transitievergoeding. Aan die strekking wordt recht gedaan indien de vergoeding die de werkgever aan de werknemer toekent ten minste gelijk is aan het bedrag aan transitievergoeding dat verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen (eveneens overweging 2.7.2).

3.7.

In het licht van het Xella-arrest moet worden aangenomen dat op grond van goed werkgeverschap [verweerder] verplicht was in te stemmen met een voorstel van [verzoeker] tot beëindiging van het “slapend dienstverband” onder toekenning van een vergoeding aan [verzoeker] ter hoogte van ten minste de transitievergoeding die verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 8 mei 2016. [verzoeker] deed een dergelijk voorstel. Indien [verweerder] zou hebben ingestemd met het voorstel (al dan niet na aanpassingen bij onderhandelingen) zou dat hebben geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Een dergelijke overeenkomst moet volgens artikel 7:670b BW schriftelijk worden aangegaan.

3.8.

Een overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst is niet gesloten omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

3.9.

[verweerder] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met toestemming van het UWV. Een dergelijke wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidt in dit geval tot een recht van [verzoeker] op een transitievergoeding die moet worden berekend aan de hand van de wettelijke bepalingen met als peildatum 31 juli 2020. Partijen zijn het erover eens dat met die peildatum de transitievergoeding € 74.894 bruto bedraagt.

3.10.

Het Xella-arrest brengt niet mee dat in dit geval moet worden uitgegaan van de peildatum 8 mei 2016 en dat de transitievergoeding uitkomt op minder dan € 74.894 bruto.

Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden geeft artikel 7:673 BW of een andere specifieke wettelijke bepaling de werknemer geen recht op een transitievergoeding. Het Xella-arrest voorziet in een lacune door aan de algemene norm van het goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW een verplichting van de werkgever te ontlenen om in beginsel in te stemmen met het voorstel van de werknemer tot beëindiging van hun slapend dienstverband onder toekenning van een vergoeding.

3.11.

In dit geval is niet de norm van het goed werkgeverschap de grondslag van het recht van [verzoeker] op een transitievergoeding, maar artikel 7:673 BW.

3.12.

Het beroep van [verweerder] op de redelijkheid brengt niet mee dat in afwijking van de wettelijke bepalingen de transitievergoeding moet worden berekend met als peildatum 8 mei 2016. Het staat de rechter niet vrij af te wijken van wettelijke regelingen over de berekening van de transitievergoeding, tenzij onverkorte toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (vergelijk Hoge Raad 19 april 2019: ECLI:NL:HR:2019:632).

3.13.

De regeling van de transitievergoeding in artikel 7:673 BW is dwingendrechtelijk van aard. De wetgever heeft gekozen voor een abstract en gestandaardiseerd stelsel, waarin de voorwaarden voor het recht op een transitievergoeding en de regels voor de berekening van de hoogte daarvan, nauwkeurig in de wet zijn omschreven. In dat stelsel wordt geen rekening gehouden met andere dan de in de artikelen 7:673-673d BW vermelde omstandigheden. Ook werknemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd wegens twee jaren van ziekte hebben recht op een transitievergoeding (vergelijk Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845).

3.14.

De onvrede van [verweerder] dat zij - nu zij het slapend dienstverband met [verzoeker] heeft opgezegd - een aanzienlijk hogere transitievergoeding verschuldigd is dan het geval was geweest als de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd, komt begrijpelijk voor. Omdat de compensatie die [verweerder] volgens de compensatieregeling ontvangt, wordt berekend aan de hand van de peildatum 8 mei 2016, zal zij de transitievergoeding voor een belangrijk deel zelf moeten dragen. Ook is van belang dat [verweerder] de toestemming bij het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen heeft gevraagd voor 1 januari 2020. De wijziging van artikel 7:673 BW per 1 januari 2020 zou in dit geval hebben geleid tot een lagere transitievergoeding bij opzegging als die toestemming later zou zijn gevraagd.

3.15.

Uit de door [verweerder] overgelegde briefwisseling van 3 en 4 december 2019 volgt dat de gemachtigden van partijen het erover eens waren dat de transitievergoeding met als peildatum 8 mei 2016 moest worden berekend op € 53.520 bruto. Dit bedrag wijkt in geringe mate af van het bedrag van € 52.611 bruto dat [verweerder] uiteindelijk erkent verschuldigd te zijn. Hoewel dus de overeenstemming over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden voor het grijpen lag, is het zover niet gekomen.

3.16.

De oorzaak daarvan is dat [verweerder] aan haar instemming om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen tegen toekenning van een vergoeding van € 53.520 bruto aanvankelijk een voorwaarde verbond. Die kwam erop neer dat indien volgens het UWV een lagere transitievergoeding voor compensatie in aanmerking zou komen, [verzoeker] het verschil moet terugbetalen aan [verweerder], op straffe van een forse boete. Uiteindelijk zag [verweerder] af van deze voorwaarde, die zich niet verdraagt met het Xella-arrest. Tegelijkertijd stelde [verweerder] zich op het standpunt dat de transitievergoeding niet meer dan € 47.817 bruto bedroeg, dat is lager dan het bedrag waarover de gemachtigden begin december 2019 het eens waren geworden en lager dan het bedrag dat [verweerder] uiteindelijk erkent verschuldigd te zijn als wordt uitgegaan van de peildatum 8 mei 2016.

3.17.

Dit betekent dat [verweerder] het over zichzelf heeft afgeroepen dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden is beëindigd doordat zij het voorstel van [verzoeker] tot beëindiging met toekenning van een vergoeding van € 53.520 bruto niet heeft aanvaard, maar door het stellen van andere voorwaarden heeft verworpen. [verzoeker] hoefde die voorwaarden niet te aanvaarden.

3.18.

Onder deze omstandigheden is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de na opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] verschuldigde transitievergoeding conform de wettelijke regelingen wordt berekend met als peildatum 31 juli 2020.

3.19.

Het verzoek tot veroordeling van [verweerder] om € 27.077 bruto met rente te betalen is toewijsbaar. Uiteraard moet er rekening mee worden gehouden als [verweerder], zoals toegezegd bij de mondelinge behandeling, aanvullend € 4.794 bruto heeft voldaan.

3.20.

Tegen de overige verzoeken voert [verweerder] het verweer dat deze moeten worden afgewezen omdat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van een aanvullende transitievergoeding niet toewijsbaar is. Dit verweer snijdt in het licht van het voorgaande geen hout, zodat die overige verzoeken onvoldoende zijn betwist. Anders dan verzocht, wordt de veroordeling tot het verstrekken van een bruto/netto specificatie beperkt tot de aanvullende transitievergoeding. [verzoeker] heeft niet onderbouwd dat een dergelijke specificatie moet worden verstrekt voor de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Ook wordt aan de veroordeling tot verstrekking van de specificatie geen dwangsom verbonden omdat geen grond is aangevoerd voor de vrees dat [verweerder] niet zal voldoen aan haar wettelijke verplichting tot verstrekking van de specificatie.

3.21.

[verweerder] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden veroordeeld, welke kosten aan de zijde van [verzoeker] tot op heden worden begroot op € 499 aan griffierecht en € 960 aan salaris gemachtigde, in totaal € 1.459. De nakosten zijn toewijsbaar zoals door [verzoeker] verzocht.

de beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerder] om tegen bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 27.077 bruto als het restant van de transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2020 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [verweerder] om tegen bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 1.046 als vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [verweerder] tot verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie van het voormelde bedrag van € 27.077 bruto;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van deze procedure, gevallen aan de zijde van [verzoeker] en tot op heden begroot op € 1.459 waaronder begrepen € 960 voor het salaris van de gemachtigde van [verzoeker];

veroordeelt [verweerder] onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [verzoeker] volledig aan deze beschikking voldoet, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris voor de gemachtigde van [verzoeker], te vermeerderen, indien betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van die betekening;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.